An other Christian WordPress.com site – Een andere Christelijke WordPress.com site

Archive for the ‘Christenheid’ Category

Christenen die het juiste hart hebben om anderen te roepen om naar God te komen

Wanneer jij jezelf een christen noemt hoort heeft dit te betekenen dat jij Christus Jezus volgt, de Nazarener jood waarvan God verklaarde dat hij Zijn eniggeboren zoon is.

Om jezelf christen te noemen betekent ook dat u één met Christus wenst te worden, zoals Christus één is met zijn Vader, de Enige Ware God. Een dergelijke eenheid zal je niet tot God maken, zoals die eenheid Jezus niet tot God heeft gemaakt (zoals vele christenen denken). Maar je conditie van je hart moet dicht bij de conditie van Jezus’ hart liggen, vol vreugde in de bereidheid je eigen wil niet te doen, zoals Jezus zijn eigen wil niet deed (wat hij gedaan zou hebben als hij God is), maar bereid zijn te allen tijde de Wil van God te doen.

Als een volgeling van Jezus (wat een ‘christen zijn‘ ook zou moeten betekenen), moet uw hart vol liefde voor anderen, zoals Jezus een ongelooflijke liefde voor andere mensen had, zelfs bereid om voor hen te sterven. Alle dingen zijn overgeleverd geworden aan Jezus door zijn vader. Deze man, uit Nazareth, die we moeten volgen onthulde de Elohim Hashem Jehovah. Jezus vroeg ons tot Hem te komen, al die vermoeid en belast zijt, en hij zal ervoor zorgen dat we rust vinden. Als volgelingen van Christus hebben we Jezus’ juk op ons te nemen en te leren van hem, want hij was zachtmoedig en nederig van hart, en wij zullen rust vinden voor onze zielen.

“27 Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren. 28 Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. 29 Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden,” (Mattheüs 11:27-29 NBV)

We hebben ons hart dat functioneert als de bron van het denken en reflectie.

“Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’” (Jesaja 6:10 NBV)

“21 Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, 22 overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; 23 al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’” (Markus 7:21-23 NBV)

Als christenen moeten we horen wat Jezus Christus de wereld vertelt en dat proberen te begrijpen en kunnen we niet die dingen die hij zegt negeren, zoals over zijn hemelse Vader die groter is dan hem. Met ons hart moeten we tot verstand komen.

“Laat ieder van u dan beseffen dat de HEER, uw God, u opvoedt zoals een vader zijn kind opvoedt.” (Deuteronomium 8:5 NBV)

“Hij stortte zijn brandende toorn over hen uit in allesverterend krijgsgeweld. Ze waren omringd door vlammen, maar zagen niet in waarom, ze stonden in brand, maar trokken er geen lering uit.” (Jesaja 42:25 NBV)

De Bijbelse waarheid is het die we ter harte moeten nemen en niet de menselijke leerstellingen die mist brengen voor onze ogen en oren en wil dat wij doctrines die niet in de Bijbel zijn geschreven geloven.

Laten we daarom de woorden van de Bijbel tere harte nemen als getrouw en waardevol, in de wetenschap dat zij de wijsheid geven om te begrijpen, maar ook om rechtvaardig en verstandig te regeren, en onderscheidt van goed en kwaad te hebben.

“zal ik je wens vervullen. Ik zal je zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat je iedereen vóór jou en na jou overtreft.” (1 Koningen 3:12 NBV)

“Uit alle delen van de wereld kwamen mensen naar Salomo toe om te luisteren naar de wijsheid waarmee God hem vervuld had.” (1 Koningen 10:24 NBV)

“En de koning vervolgde: ‘U weet maar al te goed wat u mijn vader David hebt aangedaan. De HEER zal u uw wandaad vergelden;” (1 Koningen 2:44 NBV)

De meester leraar rabbijn Jeshua volgend als de zoon van David, zijn voorvader en de andere profeten die naar de wereld werden gestuurd, moet ons hart ook het idee van de wil en het geweten vertegenwoordigen.

“(24:6) Zijn hart bonsde ervan,” (1 Samuël 24:5 NBV)

“Toen het tot David doordrong wat hij had gedaan, sloeg de schrik hem om het hart. Hij zei tegen de HEER: ‘Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Ach HEER, vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.’” (2 Samuël 24:10 NBV)

Laten we vragen voor een rein hart als een centrum voor besluitvorming, gehoorzaamheid, toewijding en intentionaliteit, die het verlangen naar een nieuwe en meer perfect geweten vormen.

“(51:12) Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,” (Psalmen 51:10 NBV)

“Daarom-spreekt de HEER -,keer nu terug tot mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen.” (Joël 2:12 NBV)

“Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’” (Handelingen 2:37 NBV)

“Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien.” (Mattheüs 5:8 NBV)

“U hebt al deze grootse dingen gedaan en ze aan mij bekendgemaakt omdat u handelt naar uw woord en u houdt aan wat u zich hebt voorgenomen.” (2 Samuël 7:21 NBV)

Wij hebben Gods Woord om ons te begeleiden, waarin wij terug kunnen vinden hoe Jehovah, God, steeds de mensen heeft begeleidt en voor hen grote dingen heeft gedaan.

His Only-begotten Son and the Word of God 1885...

Gods eniggeboren zoon en het Woord van God

In het hart kunnen we het woord van God ontmoeten, naar haar luisteren en het ter harte nemen, of we kunnen, het zoals de meerderheid van de bevolking doet, negeren of zelfs verafschuwen. Aan ons is de keuze om het naar waarheid te aanvaarden en lief te hebben. Het is in ons hart dat dat onfeilbare Woord van God, opgetekend in het Boek der boeken, zal moeten rijpen en groeien. Het is in het hart waar het zaad zal moeten worden geplant om een discipel van Jezus te worden, naar aanleiding van zijn taken, om uit te gaan in de wereld om dat Woord van God te verkondigen, waardoor het Goede Nieuws van het komende Koninkrijk zich verder zal kunnen verspreiden. Net als Jezus vreesde zijn hemelse Vader en een trouwe dienaar was van Jehovah, de God van Abraham, ook wij moeten zo’n trouwe dienaar worden en alle grote dingen overwegen, die over ons gekomen zijn door de genade van God.

“Dus: heb ontzag voor de HEER en wees hem oprecht, met hart en ziel toegewijd. U hebt immers zelf ervaren welke grootse daden hij voor u heeft verricht.” (1 Samuël 12:24 NBV)

“Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, ik keer mij nooit meer van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van mij zullen afkeren.” (Jeremia 32:40 NBV)

“Ach, HEER, ik ben uw dienaar, uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares: u hebt mijn boeien verbroken.” (Psalmen 116:16 NBV)

“‘Hier is de dienaar die ik mij gekozen heb, die ik liefheb en in wie ik vreugde vind. Ik zal hem vervullen met mijn geest, aan alle volken zal hij het recht verkondigen.” (Mattheüs 12:18 NBV)

“door ons bij te staan, zodat zieken genezing vinden en er tekenen en wonderen gebeuren in de naam van Jezus, uw heilige dienaar.’” (Handelingen 4:30 NBV)

“Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.” (Mattheüs 6:24 NBV)

“Slecht is echter de dienaar die bij zichzelf zegt: Mijn heer blijft voorlopig nog weg,” (Mattheüs 24:48 NBV)

“Hetzelfde geldt voor jullie; wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen, zeg dan: “Wij zijn maar knechten, we hebben enkel onze plicht gedaan.”’” (Lukas 17:10 NBV)

“Immers, we weten dat ons oude bestaan met hem gekruisigd is omdat er een einde moest komen aan ons zondige leven: we mochten niet langer slaven van de zonde zijn.” (Romeinen 6:6 NBV)

“We waren aan de wet geketend, maar nu zijn we bevrijd; we zijn dood voor de wet, zodat we niet meer de oude orde van de wet dienen, maar de nieuwe orde van de Geest.” (Romeinen 7:6 NBV)

“U bent gekocht en betaald, dus wees geen slaven van mensen.” (1 Corinthiërs 7:23 NBV)

“Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde,” (Galaten 5:13 NBV)

“Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen.” (Mattheüs 24:14 NBV)

“Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben, ‘zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’” (Johannes 18:37 NBV)

“De draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren met de rest van haar nageslacht, met allen die zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven.” (Openbaring 12:17 NBV)

“Hij heeft ons opgedragen daarvan getuigenis af te leggen en aan het volk bekend te maken dat hij het is die door God is aangesteld als rechter over de levenden en de doden.” (Handelingen 10:42 NBV)

We kunnen gebonden zijn door de wereld, maar ons hart zal die wereld van mensen die geen interesse hebben in God moeten verlaten. Ons hart moet open staan voor hen om hen op te roepen om tot Jezus en zijn God, de Enige Ware God, de God van Israël te komen.

Ons hart moet de locatie zijn waar de conversie plaatsvindt.

“(51:12) Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,” (Psalmen 51:10 NBV)

“Daarom-spreekt de HEER -,keer nu terug tot mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen.” (Joël 2:12 NBV)

“Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’” (Handelingen 2:37 NBV)

Wanneer ons hart op de juiste plaats is, de liefde van Christus deelt met anderen, en daarbij een goed voorbeeld voor anderen zijn, zullen we in staat zijn om degenen die de roep van God zullen kunnen ontvangen, dichter bij God te brengen en bij de poorten van het koninkrijk van God, dat is geopend voor iedereen, die willen komen via Christus Jezus en leven volgens de wensen van God.

+

Engelse versie / English version: Christians having the right heart to call others to go to God

Voorgaande teksten

God die Almagtige ’n Gees Wie geen mens kan sien en nogtans lewe nie

Ongelovige Thomassen, Jezus en zijn God

Als broeders en zusters samen op weg voor een nieuw jaar

++

Aanvullende lectuur

  1. Bijbelgezegden over God
  2. Schepper en Blogger God 4 Verklarende Stem
  3. Eigenheden aan God toegeschreven
  4. Een Drievoudige God of simpelweg een éénvoudige God
  5. Eigenheden aan Jezus toegeschreven
  6. Één met Christus
  7. Eenheid in Jezus en Jezus in ons en God in hem
  8. >Verzoening en Broederschap 2 Uit de eigen cocon stappen
  9. Verzoening en Broederschap 3 Verenigen onder de HoeksteenVerzoening en Broederschap 4 Deelgenoten in ChristusVerzoening en Broederschap 6 Geestelijk tabernakel
  10. Verzoening en Broederschap 7 Eén zijnAl-Fatiha [De Opening] Surah 1: 4-7
  11. Barmhartige Heer van de Schepping om ons de juiste weg te tonen
  12. Bijbel, zwaard van de Geest in de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God om tot een volkomen mens te komen
  13. Een hart op de juiste plaats en helder brandend geloof
  14. Bent u op zoek naar antwoorden en Bent u op zoek naar God
  15. Een vergadering omtrent aan te houden gedrag en te houden handelingen
  16. Kan men God zoeken en ervaren
  17. De Schepper God wil gevonden worden
  18. De Bijbel 7: Boeken voor de juiste houding en keuze
  19. Bijbel Nuttige Gids voor kennis, onderricht en aanmoediging
  20. Bijbel – Woord van God tot lering en opvoeding
  21. Is er een verbinding tussen God en mens?
  22. De uitstraling van God en zijn pleitbezorger
  23. Het eerste op de lijst van de zorgen van de heilige
  24. Christelijke Overdenking: Zijn broeder haten
  25. Opdracht om anderen lief te hebben
  26. Leef …
  27. Woede en wraak
  28. De Wet van de Liefde, basis van alle instructies
  29. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde
  30. Doe het passende voor een vriend
  31. De geboden observerend, uitvoerders wordend van het Woord
  32. Hoe we denken schijnt door in hoe we handelen
  33. Hermeneutiek om uit te dragen #5 Beeldvorming
  34. Hoe is jouw film van je leven?
  35. Anders dan anderen
  36. Denkers in de maatschappij
  37. Bijbel op de eerste plaats #2/3
  38. Missionaire hermeneutiek 4/5
  39. Missionaire hermeneutiek 5/5
  40. Zet het gehele pantser op van God
  41. Waarheid, wat is het eigenlijk
  42. Stil blijven wanneer Gods waarheid onder vuur wordt genomen
  43. Eerst denken dan praten
  44. Wat Jezus Deed: Wanneer waarheid niet het doel is & Belangrijkste dingen
    eerst
  45. De inspirerende goddelijke vonk
  46. Echte boodschap van redding niet ver te zoeken
  47. Waarheid speelt nooit valse rollen van welke aard dan ook
  48. De naakte waarheid is altijd beter dan de best geklede leugen
  49. Ongewapende waarheid en de onvoorwaardelijke liefde
  50. Wanneer men geloof gevonden heeft door de studie van de Bijbel moet men werken van geloof verwezenlijken
  51. Verbum Domini
  52. Verkondigen
  53. Verkondigen van Evangelie opgetekend in de Bijbel
  54. Hermeneutiek om uit te dragen #4 Uitzendkanaal
  55. Hermeneutiek om uit te dragen #10 Verkondigen
  56. Door verkondiging ook geruster
  57. Fragiliteit en actie #6 Juistheid van handelen
  58. Schijnbaar onmogelijke opdracht
  59. Redding, vertrouwen en actie in Jezus #6 Samenhoren
  60. Redding, vertrouwen en actie in Jezus #7 Adverteren
  61. Redding, vertrouwen en actie in Jezus #8 Omgang met Leerstellingen
  62. Redding, vertrouwen en actie in Jezus #9 Omgang met anderen
  63. De Kerk waar de mens der wetteloosheid zich nestelt
  64. De ecclesia als lichaam van Christus
  65. Intenties van de ecclesia
  66. Goed Nieuws brengen met en door voorbeeld

+++

Verder aanvullend leesmateriaal

  1. Radicaliteit is gevaarlijk
  2. Vrije-uitloopchristen
  3. Zij en Ik.
  4. Tel je zegeningen
  5. Pinksteren: Het begin van de Christelijke kerk en
  6. Ben ik meer waard dan een vluchteling?
  7. Back to Basics {Afrikaans} So, wat beteken dit om ‘n Christen te wees?
  8. God vs. His followers

+++

Related articles

Belangrijkste weekend van het jaar 2016

Op de avond voordat hij stierf, kwam Jeshua samen met zijn discipelen en naaste vrienden in een bovenkamer om het Pascha maal te vieren. Zij herinnerde zich aan het grote verhaal van de bevrijding: hoe het volk van Israël uit de gebondenheid en slavernij bevrijd werd langs de profeet Mozes door Gods kracht. Ze herinnerden zich hoe het bloed van het lam de bovendorpel en de deurposten markeerde, zodat de Engel des Doods voorbij zou gaan aan die mensen als het verwoesting bracht naar het land van Egypte. Ze aten de ongezuurde broden, zich ervan bewust zijnde dat de Israëlieten in zo’n haast waren om uit Egypte te vertrekken, dat hun eigen brood nog niet was gerezen.

The Israelites Leaving Egypt

De Israeliten die het land Egypte verlaten na de Plaag der eerstelingen (Foto credit: Wikipedia)

Die avond van de 14e van Nisan is voor ons nog steeds zeer belangrijk. Wij horen één te herinneren hoe God het Joodse volk bevrijde en twee hoe God Jezus aan de wereld schonk om het andere soort mensen, niet-Joden, anders gelovigen of heidenen te bevrijden. Niet alleen had hij zijn volgelingen bijeengeroepen om de bevrijding van Gods uitverkoren volk, de Israëlieten te herinneren, maar nu was het ogenblik gekomen om hen te laten inzien dat hun rabbi de weg opende voor anderen dan joden.

Door zijn eigen voorbeeld liet de gezondene van God zien hoe zijn volgelingen zich moesten opstellen als dienaren voor God en anderen tot voorbeeld te worden om ook tot een volk van God uit te groeien. Net als Jezus mensen had opgeroepen om hem te volgen, moesten de apostelen dat nu ook komen te doen. Ook zij moesten zich zo nederig als Christus gaan gedragen.

Als teken van nederigheid waste Jezus de voeten van zijn discipelen. Het werk dat is gereserveerd voor bedienden deed Jezus en hij vroeg hen om hetzelfde te doen voor elkaar. Er is geen dubbelzinnigheid op dit moment, geen kans om te zeggen dat het slechts een symbool is. Christus laat zien wat ze moeten doen en vertelt hen om het te doen (Johannes 13: 1-15). Het pad dat leidt naar de vrijheid van zonde en dood wordt gekenmerkt door onze zorg voor onze broeders en zusters. Simpel gezegd, zijn onze levens bedoeld voor aan anderen aan te bieden – ons geven in dienst.

Op het einde, in het leven dat zo snel gaat en waar alles ijdelheid is (zoals Solomon schrijft in de lezing van vandaag – Prediker 1) draait alles rond “geven en ontvangen”. We hebben allemaal de genade van God ontvangen door de gezondene van God, die de zoon is van mensen en de zoon van God, die zijn leven gaf voor onze zonden.

Net als Jezus zich zelf aangeboden heeft als een lam van God, om zijn bloed als een wegwijzer te hebben om ons te bevrijden van de straf van de dood, moeten we ook ons leven aanbieden als we versterkt worden door de Messias en de levensgeest worden gegeven door het bloed van Christus, als deelgenoten in het Lichaam van Christus.

Dankzij het losgeld aanbod gebracht door Jezus zegent God ons met de gave van het leven en het geloof, zodat we op onze beurt mensen om ons heen op de hoogte kunnen brengen van het prachtige geschenk dat aan deze wereld gegeven is.

Zoals God gebood om de nacht van de eerstgeborenen van Israël hun bevrijding te herinneren vroeg ook Jezus zijn volgelingen om de dag, dat hij zijn lichaam en bloed voor de redding van de mensheid gaf, in herinnering te nemen.

Lang voordat de wet van het Mosaïsch verbond werd veranderd, voorzegde Jehovah door de profeet Jeremia, dat Hij zou maken met het volk van Israël “een nieuw verbond” zou krijgen.

31 „Zie! Er komen dagen”, is de uitspraak van Jehovah, „en ik zal stellig met het huis van I̱sraël+ en met het huis van Ju̱da+ een nieuw verbond* sluiten;*+ 32 niet een gelijk het verbond dat ik met hun voorvaders heb gesloten op de dag dat ik hen bij de hand vatte om hen uit het land Egy̱pte te leiden,+ ’welk verbond van mij zijzelf verbroken hebben,+ alhoewel* ikzelf hen als echtgenoot in eigendom+ had’,* is de uitspraak van Jehovah.” (Jeremia 31:32, 33)

Doorheen de geschiedenis hebben we gezien hoe God Zich een volk maakt. Voor een zeer lange tijd was het voor het volk van Israël dat er een convenant was waarop ze konden rekenen. Eén van de regelgevingen of eisen was om te herinneren hoe de uittocht uit Egypte mogelijk werd gemaakt. Dat de invoering van het bloed op de deurposten ook kon beschouwd worden als een handtekening van het kiezen voor God, die het mogelijk maakt om over geplaatst te worden zodat verdoemenis of vernietiging hen niet ten deel zou vallen. Na dat evenement was er nog steeds een behoefte van aanbiedingen van offers in de tempel of synagoge. Maar op de 14e Nisan sprak Jezus over een ander aanbod dat niet meer zou moeten worden herhaald en dat voldoende zou zijn voor alle tijden. Al zou dat aanbod niet wegnemen om nog de herdenking van de bevrijding te houden.

Jezus kwam om in te stellen en ‘s avonds bij het maal op Nisan 14, 33 G.T. sprak hij over de beker wijn en zei tegen zijn 11 trouwe apostelen:

„Deze beker betekent het nieuwe verbond+ krachtens mijn bloed,+ dat ten behoeve van U vergoten zal worden.*+(Lukas 22:20)

Mattheus verslaggeving van die avond getuigd over Jezus met betrekking tot de wijn:

“Dit betekent mijn ‘bloed van het verbond,’ dat moet worden gestort ten behoeve van een groot aantal voor vergeving van zonden.” (Mattheus 26:27, 28)

Jezus ‘vergoten bloed valideert het nieuwe verbond. Dat bloed maakt het ook mogelijk dat er vergeving van zonden is voor eens en voor altijd.

Een para jaar later herinnerde de apostel Paulus de nieuwe volgelingen

16 Is niet de beker+ der zegening die wij zegenen, een deelhebben aan het bloed van de Christus? Is niet het brood dat wij breken,+ een deelhebben aan het lichaam van de Christus?+ 17 Omdat er één brood is, zijn wij, hoewel velen,+ één lichaam,*+ want wij hebben allen deel aan dat ene brood.+ (1 Corinthiërs 10: 16-17)

Op die bijzonder intieme avond nam rabbi Jeshua het brood en de wijn

26 Terwijl zij verder aten, nam Jezus een brood,+ en na de zegen te hebben uitgesproken, brak hij het+ en gaf het aan de discipelen en zei: „Neemt, eet. Dit betekent* mijn lichaam.”+ 27 Ook nam hij een beker,+ en na een dankgebed te hebben uitgesproken, gaf hij die aan hen, terwijl hij zei: „Drinkt allen hieruit;+ 28 want dit betekent+ mijn ’bloed+ van het verbond’,+ dat ten behoeve van velen vergoten zal worden+ tot vergeving van zonden.+ 29 Maar ik zeg U: Van nu af zal ik geenszins meer iets van dit product van de wijnstok drinken tot op die dag waarop ik het met U nieuw* zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.”+ (Mattheus 26:26-29)

19 Hij nam ook een brood,+ sprak een dankgebed uit, brak het en gaf het aan hen, terwijl hij zei: „Dit betekent* mijn lichaam,+ dat ten behoeve van U gegeven zal worden.+ Blijft dit tot een gedachtenis aan mij doen.”+ 20 Evenzo ook de beker,+ nadat zij het avondmaal hadden gebruikt, terwijl hij zei: „Deze beker betekent het nieuwe verbond+ krachtens mijn bloed,+ dat ten behoeve van U vergoten zal worden.*+ (Lukas 22:19)

Merk op hoe Jezus zegt

blijf dit doen ter mijner herinnering

Stained glass window in the upper presbytery/s...

Loodglasraam in de boven presbyter/sacristie van de Basiliek van St. Louis Koning in Katowice Polen, XX Eeuw – Jezus als het Lam van God (Foto credit: Wikipedia)

Het bloed van het verbond, dat moet uitgestort worden ten behoeve van een groot aantal voor vergeving van zonden moet, net als het bloed van de lammeren voor de bevrijding van de Joden uit de Egyptische slavernij, worden bijgedragen aan de ongelovigen of heidense mensen die bereid zijn onder het bloed van Christus te komen, wit gewassen van de zonde. Maar ze moeten niet vergeten om samen te komen, meer dan één keer in een jaar, omdat Jezus vraagt om het vaak te doen en wanneer we het doen om het te doen ter herinnering aan hem.

23 Want ik heb van de Heer* ontvangen, wat ik ook aan U heb doorgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht+ waarin hij overgeleverd zou worden, een brood nam 24 en, na gedankt te hebben, het brak+ en zei: „Dit betekent* mijn lichaam,+ dat ten behoeve van U is. Blijft dit tot mijn gedachtenis doen.”+ 25 Evenzo deed hij ook met betrekking tot de beker,+ nadat hij het avondmaal had gebruikt, en hij zei: „Deze beker betekent het nieuwe verbond+ krachtens mijn bloed.+ Blijft dit, zo dikwijls als GIJ hem drinkt, tot mijn gedachtenis+ doen.” 26 Want zo dikwijls+ als GIJ dit brood eet en deze beker drinkt, blijft GIJ de dood+ des Heren verkondigen, totdat hij gekomen is.+ (1 Korinthiërs 11: 23-26)

Om die reden moeten we vandaag bij elkaar komen en de uittocht uit Egypte, uit de slavernij van de wereldse werk, maar ook de uittocht uit de slavernij van de zonde en de dood door Christus offerdaad, niet vergeten.

14 En deze dag moet U dienen ter gedachtenis, en GIJ moet hem vieren als een feest voor Jehovah* in al UW geslachten. Als een inzetting tot onbepaalde tijd dient GIJ hem te vieren. (Exodus 12:14)

+

English version: Most important weekend of the year 2016

++

Vindt over deze belangrijke dagen ook het volgende te lezen:

  1. Voorbereidingstijd tot een herinneringsmoment
  2. Fragiliteit en actie #14 Plagen van God
  3. 1 -15 Nisan
  4. 14 Nisan, de avond om Christus Zijn predikingswerk te herinneren
  5. De zoon van David en de eerste dag van het Feest van de ongezuurde broden
  6. Vrijdag 3 april 2015 een dag voor verenigde samenkomst ter herinnering
  7. Donderdag 9 April = 14 Nisan en Paasviering 11 April
  8. Zalving van Christus als profetische repetitie van de begrafenisrituelen
  9. Jezus laatste avondmaal
  10. Dienaar van zijn Vader
  11. Rond het Paasmaal
  12. Een Feestmaal en doodsherinnering
  13. Eucharistische vieringen
  14. Een Messias om te Sterven
  15. Na de sabbat na Pesach, de verrijzenis van Jezus Christus
  16. Pasen 2006
  17. Geen Wegvluchter
  18. Een Groots Geschenk om te herinneren
  19. Zeven sabbatten
  20. De zeven Feesten van God
  21. De Tora is niet medegekruisigd, maar mijn strafblad
  22. Kerst en wenslampions
  23. Een Konijn dat Paaseiren legt

+++

Hans Holbein- The Body of the Dead Christ in t...

Hans Holbein- Het lichaam van de dode Christus in het graf (Foto credit: Wikipedia)

Wij wensen iedereen een fijne herinneringsdag toe en een zalig Pascha

In Talen sprekend

 

 

 

5 Nu woonden er in Jeru̱zalem joden,{1} eerbiedige mannen,{2} die afkomstig waren uit elk van de natiën die er onder de hemel zijn. 6 Toen dan dat geluid ontstond, kwam de menigte bijeen en was verbijsterd, daar iedereen hen in zijn eigen taal hoorde spreken. 7 Ja, zij waren verbaasd en gingen zich verwonderen en zeiden: „Ziet, zijn niet allen die daar spreken, Galileeërs?{3} 8 Hoe komt het dan dat een ieder van ons zijn eigen taal hoort, waarin wij werden geboren? 9 Parthen en Meden{4} en Elamieten,{5} en de bewoners van Mesopota̱mië, en Jude̱a{6} en Kappado̱cië,{7} Po̱ntus{8} en het [district] A̱sia,{9} 10 en Fry̱gië{10} en Pamfy̱lië,{11} Egy̱pte en de streken van Li̱bië, dat bij Cyre̱ne ligt, en de hier tijdelijk verblijvende mensen uit Ro̱me, zowel joden als proselieten,{*+12} 11 Kretenzers {13} en Arabieren,{14} wij horen hen in onze talen over de grote daden van God spreken.” 12 Ja, zij waren allen verbaasd en verkeerden in verlegenheid en zeiden tot elkaar: „Wat heeft dit toch te betekenen?” 13 Anderen echter bespotten hen en zeiden voorts: „Zij zijn vol zoete wijn.”{15}

*

(NWV)

 

 

Pentecostés. Óleo sobre lienzo, 275 × 127 cm. ...

 

~~~

 

{1} joden: (Exodus 23:17) 17 Bij drie gelegenheden in het jaar zal al wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van de [ware] Heer,* Jehovah,* verschijnen.+

{2} eerbiedige mannen: (Handelingen 22:12): 12 Een zekere Anani̱as nu, een eerbiedig man naar de Wet, over wie door alle joden die daar woonden een goed bericht werd uitgebracht,+

{3} Galileeërs: (Markus 14:70): 70 Hij ontkende het opnieuw. En even daarna zeiden de omstanders nu nogmaals tot Pe̱trus: „Zeker, gij zijt een van hen; trouwens, gij zijt een Galileeër.”+

(Handelingen 1:11): 11 en zij zeiden: „Mannen van Galile̱a, waarom staat GIJ in de lucht te kijken? Deze Jezus, die van U werd opgenomen in de lucht, zal aldus op dezelfde wijze komen+ als GIJ hem in de lucht* hebt zien gaan.”

{4} Parthen en Meden: (2 Koningen 17:6): 6 In het negende jaar van Hose̱a nam de koning van Assy̱rië Sama̱ria in,+ waarna hij I̱sraël in ballingschap voerde+ naar Assy̱rië en hen liet wonen in Ha̱lah+ en in Ha̱bor aan de rivier de Go̱zan+ en in de steden van de Meden.+

{5} Elamieten: (Daniël 8:2): 2 Ik dan zag in het visioen; en het geschiedde, terwijl ik zag, dat ik in de burcht Su̱san+ was, die in het rechtsgebied E̱lam+ ligt; vervolgens zag ik in het visioen, en ikzelf bevond mij aan de waterloop* van de U̱lai.+

{6} Jude̱a:(Mattheüs 24:16): 16 laten dan zij die in Jude̱a zijn, naar de bergen vluchten.+

(Markus 1:5): 5 Bijgevolg trokken heel het gebied van Jude̱a en alle inwoners van Jeru̱zalem naar hem uit, en zij werden door hem gedoopt in de rivier de Jorda̱a̱n, terwijl zij openlijk hun zonden beleden.+

{7} Kappado̱cië: (1 Petrus 1:1): 1 Pe̱trus,* een apostel+ van Jezus Christus, aan de tijdelijke inwoners+ die verstrooid zijn*+ in Po̱ntus, Gala̱tië, Kappado̱cië,+ A̱sia en Bithy̱nië, aan hen die uitverkoren zijn+

{8} Po̱ntus: (Handelingen 18:2): 2 En hij trof er een zekere jood aan genaamd Aqu̱i̱la,+ van geboorte uit Po̱ntus, die onlangs uit Ita̱lië+ was gekomen, en zijn vrouw Priski̱lla, omdat Cla̱u̱dius+ bevolen had dat alle joden uit Ro̱me moesten vertrekken. Hij dan ging naar hen toe,

{9} [district] A̱sia: (Handelingen 13:1): 13 In Antiochi̱ë nu waren in de plaatselijke gemeente profeten+ en leraren: Ba̱rnabas en ook Si̱meon, die Ni̱ger werd genoemd, en Lu̱cius+ van Cyre̱ne, en Ma̱naën, die met de districtsregeerder* Hero̱des was opgevoed, en Sa̱u̱lus.

(1 Petrus 1:1): 1 Pe̱trus,* een apostel+ van Jezus Christus, aan de tijdelijke inwoners+ die verstrooid zijn*+ in Po̱ntus, Gala̱tië, Kappado̱cië,+ A̱sia en Bithy̱nië, aan hen die uitverkoren zijn+

{10} Fry̱gië: (Handelingen 16:6): 6 Zij trokken ook door Fry̱gië en het land van Gala̱tië,+ omdat* het hun door de heilige geest was verboden het woord in het [district] A̱sia te spreken.

(Handelingen 18:23): 23 En nadat hij daar enige tijd had doorgebracht, vertrok hij en ging van plaats tot plaats het land van Gala̱tië+ en Fry̱gië+ door en versterkte+ alle discipelen.

{11} Pamfy̱lië: (Handelingen 13:13): 13 Van Pa̱fos voeren de mannen, te zamen met Pa̱u̱lus, nu weg en kwamen te Pe̱rge in Pamfy̱lië+ aan. Maar Joha̱nnes+ scheidde zich van hen af en keerde naar Jeru̱zalem terug.+

(Handelingen 15:38): 38 Maar Pa̱u̱lus achtte het niet juist hem mee te nemen, aangezien hij hen van Pamfy̱lië af had verlaten+ en zich niet met hen tot het werk had begeven.

{*+12} proselieten Of: „bekeerlingen.”: (Exodus 12:48): 48 En ingeval er een inwonende vreemdeling bij u vertoeft en hij het Pascha voor Jehovah werkelijk wil vieren, laten dan al de zijnen die van het mannelijk geslacht zijn, besneden worden.*+ Eerst dan mag hij naderen om het te vieren; en hij moet als een in het land geborene worden. Maar geen onbesnedene mag ervan eten.

(Jesaja 56:6): 6 En de buitenlanders die zich bij Jehovah hebben aangesloten om hem te dienen+ en om de naam van Jehovah lief te hebben,+ ten einde hem tot knechten te worden, allen die de sabbat houden om hem niet te ontheiligen en die vasthouden aan mijn verbond,+

{13} Kretenzers: (Titus 1:12): 12 Iemand van hen, hun eigen profeet,* heeft gezegd: „Kretenzers zijn altijd leugenaars, schadelijke+ wilde beesten, werkeloze veelvraten.”*

{14} Arabieren: (2 Kronieken 17:11): 11 En van de Filistijnen bracht men Jo̱safat geschenken+ en geld als schatting.+ Ook de Arabieren+ brachten hem kleinveekudden: zevenduizend zevenhonderd rammen en zevenduizend zevenhonderd bokken.+

{15} vol zoete wijn: (1 Samuël 1:14): 14 Daarom zei E̱li tot haar: „Hoe lang zult gij u nog als een beschonkene gedragen?+ Doe uw wijn van u weg.”

~~~~

Betreft het in “talen spreken” of “in tongen spreken” kan u ook het Engelstalige artikel lezen: Is Speaking in Tongues an Evidence of True Worship? waar de auteur de trend van het “spreken in tongen” bekijkt volgens de Schriftuurlijke waarde.

Het is namelijk zo dat wij een aantal religieuze organisaties kunnen zien in het Christendom die spreken in tongen prominent maken in hun aanbidding.
Volgens hen is “spreken in tongen” een noodzakelijke voorwaarde van de ware aanbidding. Zij geloven “in de doop van de Heilige Geest, zoals het was op de dag van Pinksteren en zij geloven dat iedereen die de Heilige Geest ontvangt met andere tongen zal spreken. Vooral de Pinksterkerken  of Pinkstergemeenten zijn zulke enorm groeiende kerkgemeenschapen waar men dit aanhoudt.

Men mag ernstig de vraag stellen of het wel zo is dat “spreken in tongen” een onderscheidend kenmerk van een ware christenen is.

Best kan u de vroege kerkgeschiedenis bekijken en zien wat er in de eerste dagen van het Christendom gebeurde. Men kan zelfs verder gaan dan de uitstorting van de Heilige Geest op de apostelen. Want indien het een belangrijk element zou zijn om in tongen te spreken zou Jezus dit toch ook gedaan hebben. Maar heeft Jezus in tongen gesproken?

Jezus genas de zieken, wekte de doden op en verrichte vele andere verbazingwekkende daden. Deze wonderbaarlijke krachten identificeerde hem als een ware profeet en dienaar van God, net zoals het uitvoeren van wonderen Mozes ‘authenticiteit bewezen dat deze als Gods profeet de wereld kon in gaan.

Jezus staat zo ook als profeet vermeld in de Heilige Schrift en openbaarde Gods Werken. Hij sprak echter niet bepaald in vreemde talen, maar eerder in steeds een duidelijke taal, niets verbloemend, alleen soms omschrijvend wanneer hij in vergelijkingen, gelijkenissen of parabels sprak. Die vertelling of niet echt gebeurde zaken vertelde Jezus om zaken te verduidelijken. Hij sprak ze wel in de taal van de toehoorders.

Het spreken in tongen was niet een van de wonderlijke krachten uitgeoefend door Jezus. Het was niet tot het feest van Pinksteren GT 33 dat deze gave eerst werd ontvangen, en bij die gelegenheid diende het als een effectief bewijs dat christenen Gods geest op hen hadden. Het was een teken voor de omstaanders dat die apostelen wel mensen waren die met bijzondere gaven waren begenadigd door de Allerhoogste, in wiens naam zij spraken over belangrijke geestelijke elementen.

In het late voorjaar van de GT 33 hadden de Joden zich binnen en buiten het Romeinse Rijk verzameld voor hun jaarlijkse feest van Pinksteren, de Shavuot. De apostelen waren eigenlijk nog niet zeker genoeg om onder de mensen te komen en wachtten op de door Jezus beloofde ‘Instructeur’.  120 van Jezus zijn leerlingen wachtten in gehoorzaamheid in Jeruzalem om de beloofde instructies van de “Kracht uit het hoge” te ontvangen.

49 En ziet! ik zend over U uit wat door mijn Vader beloofd is. GIJ moet echter in de stad blijven totdat GIJ met kracht van boven wordt bekleed.” (Lukas 24:49 NWV)

Toen zij in de bovenkamer bijeen waren, afwachtend wat er zou gebeuren, stonden zij versteld bij de wind die zich door de kamer bewoog. De bries was voelbaar tot in hun innerlijk. Naast een geluid uit de hemel was er ook een ruisende stevige bries die het gehele huis, waar zij zaten, vervulde . . . . en zij werden allen vervuld met heilige geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest hen de mogelijkheid verleende om uitspraken te maken in hen oorspronkelijk vreemde talen. (Handelingen van de apostelen 2:2-4). (zie: Op de Dag van het Pinksterfeest)

Toen de Joden vanuit allerlei windstreken Jezus ‘volgelingen hoorden spreken, in misschien wel meer dan een dozijn verschillende talen, moet dit wel een bijzondere indruk op hen gemaakt hebben.

“Ze waren verbaasd,” zegt de Bijbel ,  “en begonnen zich af te vragen en te zeggen: ‘Zie hier, al dezen, die daar spreken zijn ze niet Galileeërs? En toch, hoe is het mogelijk, we horen, ieder van ons, onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? . . . wij horen hen in onze talen spreken over de grote daden van God. ‘”- (Handelingen van de apostelen 2:5-11).
Om Galileeërs duidelijk te horen spreken in hun vele verschillende talen werd als een overtuigend bewijs aanschouwd voor deze vreemdelingen, dat Gods geest op Jezus ‘volgelingen was. Het was wonderbaarlijk! Het was totaal verschillend van het ‘luid en vurig geschreeuw’ van de Pinksteropwekkingen die men kan horen in die Pinkstergemeenschappen. Eigenlijk heeft het er weinig mee te maken, want daar uiten velen zich  met geluiden die door anderen juist niet verstaanbaar zijn. Daar gebeurt dus eigenlijk het omgekeerde van wat er in Jeruzalem gebeurde.

In Jeruzalem kregen veel buitenlanders onderricht in hun eigen taal over “de grote daden van God.”
Van wat er gebeurde met Pinksteren is het duidelijk dat de Heilige Geest werd gegeven aan de eerste christenen voor het praktische doel van de prediking van het goede nieuws. Bij zijn afscheid had Jezus aan zijn discipelen aangegeven: “Niet terug te trekken uit Jeruzalem, maar blijf wachten op wat de Vader heeft beloofd,. . . gij zult kracht ontvangen wanneer de heilige geest op u gekomen is, en gij zult getuigen van mij, zowel in Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot de verst verwijderde streek der aarde. “- (Handelingen 1:4-8).

4 En terwijl hij met hen samenkwam, beval hij hun: „Vertrekt niet uit Jeru̱zalem,+ maar blijft wachten op datgene wat de Vader heeft beloofd,+ waarover GIJ van mij hebt gehoord, 5 want Joha̱nnes doopte wel met water, maar GIJ zult niet vele dagen hierna in heilige geest worden gedoopt.”+ 6 Toen zij nu bijeengekomen waren, gingen zij hem vragen: „Heer,* herstelt gij in deze tijd het koninkrijk+ voor I̱sraël?” 7 Hij zei tot hen: „Het komt U niet toe kennis te verkrijgen van de tijden of tijdperken*+ die de Vader onder zijn eigen rechtsmacht* heeft gesteld,+ 8 maar GIJ zult kracht+ ontvangen wanneer de heilige geest op U gekomen is, en GIJ zult getuigen*+ van mij zijn zowel in Jeru̱zalem+ als in geheel Jude̱a en Sama̱ria+ en tot de verst verwijderde streek* der aarde.”+ 9 En nadat hij deze dingen had gezegd, werd hij ten aanschouwen van hen omhooggeheven,+ en een wolk onttrok hem aan hun gezicht.+ (Handelingen 1:4-8 NWV)

Deze speciale gave van spreken in tongen, of spreken in vreemde talen, ontvingen de aanwezige volgelingen van Jezus  in Jeruzalem door Gods heilige geest. Hierdoor werden de leerlingen geholpen in de prediking van het goede nieuws, voor een teken aan die joodse gelovigen uit afgelegen delen van de aarde. Maar de echte vervulling van de profetie van Joël 2:28-32 op die Pinksterdag was het feit dat degenen die waren gevuld met de geest profeteerden. Spreken in tongen was incidenteel, als een teken van authenticiteit of goddelijke backing. – (Handelingen 2:16-22).

De Bijbel registreert slechts twee andere gebeurtenissen waarbij een uitstorting van de heilige geest plaats grijpt en wordt begeleid met het spreken in tongen. De eerste vond plaats ongeveer drie en een half jaar na Pinksteren, toen God zijn aandacht richtte op de natiën en zijn geest goot op de heiden Cornelius en zijn huishouden. Door zijn onmiddellijke zichtbare manifestatie, was het spreken in tongen het logische cadeau voor God om aan deze onbesneden niet-joden aan te bieden en zo de apostel Petrus te laten zien dat ze konden worden aanvaard in de christelijke gemeente of congregatie. – (Handelingen 10:44-46).
Het was vergelijkbaar in de andere instantie, toen de apostel Paulus predikte aan de mensen in Efeze, die de doop van Johannes hadden ontvangen. Hun spreken in tongen was indrukwekkend en een on-the-spot bewijs dat de doop van Johannes, zoals het was vóór de uitstorting van de Geest op Pinksteren GT 33, niet meer geschikt was in Gods ogen .- (Handelingen 19:1-7).

Deze  drie geregistreerde gevallen geven echter niet aan dat alle eerste-eeuwse christenen in tongen spraken. De apostel Paulus geeft ook te kennen dat niet iedereen dezelfde gaven heeft. Het is duidelijk dat Paulus liet zien dat niet alle christenen deze wonderlijke gaven om in tongen te spreken of andere gaven bezaten en, bijgevolg, het bezit van een van hen, met inbegrip van het spreken in tongen, niet noodzakelijk was tot zaligheid. -(1 Korinthiërs 12:4-11, 28-31).

De Schrift zegt onderscheid te maken tussen de gave van profetie door de uitstorting van de heilige geest en later de uitoefening van verkondiging door de medegelovigen. Ook wordt er op gewezen dat er zelfs belangrijkere gaven zijn dan dat spreken in tongen. De Liefde gave of Agape is namelijk door de apostel Paulus (in het dertiende hoofdstuk van zijn brief aan de Korinthiërs) als één van de duurzame elementen benadrukt.

8 De liefde faalt nimmer.+ Maar hetzij er [gaven van] profeteren zijn, ze zullen worden weggedaan; hetzij er talen zijn, ze zullen ophouden; hetzij er kennis is, ze zal worden weggedaan.*+ 9 Want wij hebben gedeeltelijke kennis*+ en wij profeteren gedeeltelijk;+ 10 wanneer echter het volledige gekomen is,+ zal dat wat gedeeltelijk is, worden weggedaan. (1 Korinthiërs 13:8-10 NWV)

Paulus vergelijkt hier niet de stopzetting van het spreken in tongen met ongelovigen, maar veeleer de tijdelijkheid van de gaven van de geest met de permanentie van de liefde, en hij verbindt de vergankelijkheid van deze gaven, niet met ongelovigen, maar met de kinderschoenen van het christendom. eigenlijk zou men kunnen zeggen dat
in vers 8, de miraculeuze gaven van profetie, tongen en kennis dienen te worden afgeschaft. Paulus laat zien dat ze een kenmerk waren van de babytijd van de christelijke gemeente. In de kinderschoenen waren zulke wonderbaarlijke gaven nodig om op een spectaculaire manier Gods gunst, die was verschoven van de Joodse natie (het Volk van God) op deze nieuwe gemeente van christenen, te identificeren. Maar, zoals Paulus verklaarde, wanneer een mens volwassenheid bereikt rekent hij af met “de trekken van een baby.” Dus toen de christelijke gemeente groeide naar volwassenheid, dat is, volwassenheid bereikte door zich als een erkende, gevestigde organisatie te vestigen, ‘overleden’ of kwamen deze wonderlijke gaven ten einde. Toch bleven geloof, hoop en liefde als het onderscheidende kenmerk van ware Christenheid. -(1 Korinthiërs 13:9-13).

Toen de apostelen en zij die de wonderbaarlijke gaven hadden ontvangen stierven, hielden de bovennatuurlijke gaven van de geest, met inbegrip van spreken in tongen op.

18 Toen Si̱mon nu zag dat door middel van de handoplegging van de apostelen de geest werd gegeven, bood hij hun geld aan+ 19 en zei: „Geeft ook mij deze macht, opdat een ieder die ik de handen opleg, heilige geest ontvangt.” 20 Maar Pe̱trus zei tot hem: „Dat uw zilver met u verga, omdat gij hebt gedacht door middel van geld in het bezit te komen van de vrije gave Gods.+ 21 Gij hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet recht in Gods ogen.+ 22 Heb daarom berouw over deze slechtheid van u, en smeek Jehovah*+ dat de beraming van uw hart u, indien mogelijk, vergeven mag worden, 23 want ik zie dat gij een* giftige gal+ en een band van onrechtvaardigheid zijt.”+ 24 Si̱mon gaf ten antwoord: „Smeekt gijlieden voor mij+ tot Jehovah,* dat niets van wat GIJ hebt gezegd, mij moge overkomen.” (Handelingen 8:18-24, NWV)

Het met vreemde geluiden spreken tijdens een bijeenkomst, of onverstaanbare woorden kramen tijdens een dienst zouden zoals bij de apostel Paulus ook voor ons niet belangrijk mogen zijn.  Paulus verklaarde: “Hij die in een tong spreekt bouwt zichzelf op, maar wie profeteert bouwt een gemeente op.” Hij vroeg toen: “Als ik zou komen tegen je spreken in tongen, wat voor nut zou het zijn?” Ja, hoe zou het anderen helpen als ze niet begrepen wat hij zei? Dus zei Paulus : “In een gemeente wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook mondeling anderen kan onderwijzen, dan tien duizend woorden in een tong.”

Speaking in Tongues (TV series)

TV serie Spreken in tongen / Speaking in Tongues (TV series) (Photo credit: Wikipedia)

Als iemand in een vreemde taal spreekt, spreekt hij tot God en niet tot mensen, want zij verstaan hem niet. Wat hij onder de leiding van de Geest zegt, is geheimtaal. Maar wie woorden van God doorgeeft, spreekt de mensen opbouwend, bemoedigend en troostend toe, en dat is wat leden van een kerkgemeente onder elkaar horen te doen. Als iemand in een vreemde taal spreekt, bouwt hij zichzelf op. Maar als iemand woorden van God doorgeeft, bouwt hij de gemeente op. Diegenen die een gemeenschap in Christus willen vormen moeten er voor zorgen dat zij elkaar kunnen opbouwen. Niet dat ‘spreken in tongen’ moet het doel van de gemeenschap zijn, maar laat de liefde uw doel zijn, terwijl  u ook  streeft naar de gaven van de Geest, in het bijzonder naar het spreken namens God.

Het doorgeven van de woorden van God is veel belangrijker dan het ‘spreken in tongen’. Als u iets in een vreemde taal zegt, heeft de gemeente er alleen iets aan als u uitlegt wat het betekent. Het is heel anders als men in de gemeenschap in verstaanbare taal verteld wat God ons duidelijk maakt. De apostel Paulus haalt de vergelijking aan met losse klanken van muziek instrumenten.  Als er zomaar wat geblazen of getokkeld wordt, zal geen mens er enige melodie in horen. Als mensen geen duidelijke signalen krijgen hoe weten zij dan hoe zij moeten reageren? Wel, als u een taal spreekt die niemand verstaat, gaan uw woorden verloren in de lucht. Er worden in de wereld vele talen gesproken. Maar als iemand iets tegen iemand iets zegt in een taal die hij of zij niet verstaat, blijven zij in het ongewisse en blijven zij ook vreemden voor elkaar. Dus moet u, omdat u zo vurig naar de gaven van de Geest verlangt, proberen uit te blinken in díe gaven waar de gemeente door opgebouwd wordt.

Iemand die een andere taal heeft dan deze van de meerderheid in de ecclesia, kan persoonlijk in zijn of haar taal aangesproken worden. Of als men naar andere oorden gaat kan men eerst die taal van die streek leren en zo in een vreemde taal tegenover de moedertaal de anders sprekenden toch te woord staan. Dit in andere talen spreken is dan wel héél iets anders dan het ‘spreken in tongen’ dat men in de Pinkstergemeenten kan vinden.

Wij moeten in gemeenschap in voor iedereen verstaanbare taal samen bidden. Het bidden moet met geest én met mijn verstand gebeuren waarbij eenieder ook tot eer van God zal zingen met zijn geest én zingen met zijn verstand. Want als u alleen met uw geest God prijst en dankt, hoe kan dan een belangstellende die daar ook is, zeggen of hij het met u eens is? Hij verstaat er immers niets van! U dankt wel goed, maar een ander wordt er niet door opgebouwd. als men op zijn eigen is kan men misschien in voor anderen onverstaanbare woorden tot God bidden, maar in gemeenschap is dat tot niemands nut. Zoals de apostel Paulus met andere gelovigen liever vijf woorden met zijn verstand sprak, dan duizenden woorden in een vreemde taal, moeten ook wij geen brabbeltaaltje als kinderen uiten, maar volwassen zijn in ons denken en spreken.

Enkel door klare taal te spreken zal men gelovigen én ongelovigen kunnen aanspreken en verder tot God trekken. Indien men zou overgaan tot het spreken van een vreemde taal in een dienst zal het moeten zijn om in de taal van de vreemdeling(en) te spreken zo dat de vreemde of de ongelovige iets duidelijk kan gemaakt worden. Anderzijds zal een ongelovige of belangstellende zeggen dat u dol geworden bent als hij in de gemeente komt en ieder in vreemde talen hoort spreken of zo maar onverstaanbare klanken hoort uiten. Maar als u allemaal namens God spreekt, wordt zo iemand overtuigd en zal hij tot inzicht komen, omdat zijn geweten gaat spreken. Wat er in hem omgaat, komt aan het licht. Dan zal hij op zijn knieën vallen, God aanbidden en openlijk erkennen dat God bij u is.
Weet u hoe het moet, broeders? Als u bijeen komt, neemt ieder deel aan de dienst. De een zingt een lied, de ander onderwijst; de een geeft door wat God hem duidelijk heeft gemaakt, de ander spreekt in vreemde talen en weer een ander legt uit wat hij zegt. Maar het moet wel opbouwend zijn.” (1 Korinthiërs 14:1-26)

+

Voorgaand artikel: Op de Dag van het Pinksterfeest

++

Lees meer:

  1. Wat betreft Korte inhoud van lezingen: Bijgeloof en feesten
  2. Op de Dag van het Pinksterfeest
  3. De uitstraling van God en zijn pleitbezorger
  4. De Kerk als realiteitsspel
  5. Feestdagen, consumeren en besparen
  6. Zingen geschenk van God
  7. Aanbiddingsmuziek en opzweping in kerken
  8. Maak een vreugdevol geluid voor Jahweh, verheug, en breng lofzang tot Jehovah
  9. Joodse Wetten en Wetten voor Christenen
  10. Onder de Geest blijven
  11. Samen komen in huizen
  12. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. #3 De Weg
  13. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. #4 Volgelingen van Jezus
  14. Verlichting door Gods Geest
  15. Hij heeft de Pneuma, de Kracht van Hem gegeven
  16. Geest van God geeft liefde, hoop en vrijheid
  17. Het begin van Jezus #6 Beloften van innerlijke zegeningen
  18. Het begin van Jezus #8 Beloofde Gezalfde zoon van God
  19. Jezus van Nazareth #3 De Zoon van God
  20. Jezus van Nazareth #6 Zijn unieke macht
  21. Dienaar van zijn Vader
  22. Hoop zal niet worden beschaamd
  23. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #3 Stem van God #5 Meditatie en transformatie
  24. Vertrouwen, Geloof, Roepen en Toeschrijving aan Jehovah #5 Gebed #2 Getuigen zonder taalbarrieres
  25. Missionaire hermeneutiek 4/5
  26. Ernstig strijdend voor het geloof
  27. Paulus dienaar van het evangelie
  28. De betrokkenheid van geniaal leerlingschap
  29. Twee soorten mensen
  30. Wim Verdouw zijn tocht naar geloof in slechts één God
  31. Verkondigen van Evangelie opgetekend in de Bijbel
  32. Getuig van het gehoorde
  33. Getuig van een levende God en zijn zegeningen voor jou
  34. Kerkgroei en samengaan
  35. Vergadering – Meeting
  36. Redding, vertrouwen en actie in Jezus #6 Samenhoren
  37. Samen komen in huizen
  38. Leer mij anderen Helpen
  39. Dagelijks helpen in het geloof

+++

 

 

  • Who was able to speak in tongues during New Testament times? (braggschurchofchrist.com)
    There were three groups in the New Testament who could speak in tongues, or languages they had never studied. The first group was the apostles, as we have already noted. They received the baptism of the Holy Spirit on Pentecost which gave them this power. The second group included those people to whom the apostles gave this power by laying their hands on them.
    +
    Is there an apostle still living today? No. So there is no one who can give this power to anyone else. And no one is still alive today who was given this power by an apostle. Therefore, the gift of tongue speaking is not available today.
  • Is Speaking in Tongues an Evidence of True Worship? (illustrationstoencourage.wordpress.com)
    On the basis of Paul’s words here, there should be no question that the miraculous gifts of the spirit were to pass away. But when? It is argued by some that, since Paul said that ‘tongues are a sign to the unbelievers,’ they would not pass away until unbelievers passed away, that is, until there were no longer any unbelievers. (1 Cor. 14:22)
    +
    Regarding the transitoriness of the miraculous gifts M’Clintock and Strong’s Cyclopædia, Volume 10, page 484, says: “It thus appears that the miraculous gifts of the first days bestowed upon the Church for a definite purpose were gradually but quickly withdrawn from men when the apostles and those who had learned Christ from their lips had fallen asleep.” The Scriptures show that it was “through the laying on of the hands of the apostles the spirit was given.” Therefore, when the apostles died, and when those who had received the miraculous gifts through them passed from the earthly scene, the supernatural gifts of the spirit, including speaking in tongues, ceased.—Acts 8:18.
    +
    The fact of the matter is that Bible scholars are agreed that the last twelve verses shown with the book of Mark, which speak about tongues and not being injured by snakes, were not written by Mark but were added by another. Tregelles, a noted nineteenth-century Bible scholar, states: “Eusebius, Gregory of Nyssa, Victor of Antioch, Severus of Antioch, Jerome, as well as other writers, especially Greeks, testify that these verses were not written by St. Mark, or not found in the best copies.” But even if these words were part of Mark’s inspired writings (although the bulk of evidence shows they are not) there is nothing in them contrary to the Scriptural evidence that tongues would pass away following the death of the apostles.
  • Baptism of the Holy Ghost (teamtripartite.wordpress.com)
    There is a school of thought that says you cannot be baptized with the Holy Ghost, you can only be filled with the Holy Ghost, while the other school of thought says you must be baptized with the Holy Ghost with the evidence of speaking in tongues, the truth of the matter in this context is that; if you say baptised or filled it means the same thing, so I do not understand while nomenclatures should be the course of division in the Christendom.
  • Mark Driscoll Preaches About the Gift of Tongues (blackchristiannews.com)
    Pastor Mark Driscoll of Mars Hill Church in Seattle, Wash., recently spoke on the gift of tongues as described in the New Testament as part of his “Acts: Empowered for Jesus’ Mission” sermon series. The conservative Reformed, or New Calvinist, Christian minister laid out his arguments as to why he believes the gift of speaking in tongues did not end with Jesus’ apostles in the first century.
    +
    Driscoll relayed a part of the passage: “‘For to one is given through the Spirit . . . various kinds of tongues’ — or languages, heavenly or earthly — ‘to another, the interpretation of tongues’ — the ability to articulate in the other language what has been said in the foreign language. ‘All these are empowered by one and the same Spirit, who apportions to each one individually as he wills.'”
    +
    “So, we agree with the Cessationists that yes, certain gifts, at least, they’re going to cease. They’re going to cease,” added Driscoll. “Where we disagree with the Cessationists and we agree with the Continuationists is when they cease. We believe that all of the gifts continue until one very important transitionary moment in the history of the world.”
    +
    “Miracle gifts like tongues and healing are mentioned only in 1 Corinthians, an early epistle. Two later epistles, Ephesians and Romans, both discuss gifts of the Spirit at length — but no mention is made of the miraculous gifts,” explains an adaptation of MacArthur’s 1992 book Charismatic Chaos, published on the theologian’s Grace to You (GTY) ministry website. “By that time miracles were already looked on as something in the past (Heb. 2:3-4). Apostolic authority and the apostolic message needed no further confirmation. Before the first century ended, the entire New Testament had been written and was circulating through the churches.”
  • Rose and Linda’s Journal Speaking in Tongues (momsfirstscreenn.wordpress.com)
    Jesus said that the Spirit would testify, and that the disciples would be the ones to witness. And ye also shall bear witness, because ye have been with me from the beginning (John 15:27). But ye shall receive power, after that the Holy Ghost is come upon you: and ye shall be witnesses unto me both in Jerusalem, and in all Judaea, and in Samaria, and unto the uttermost part of the earth (Acts 1:8). These verses speak of the witness by the disciples; read them along with John 15:26 which plainly tells that the Holy Ghost will speak when He comes in.
    +
    Speaking with tongues was the physical, initial evidence of the Holy Ghost baptism of the early church Christians and it is the physical, initial evidence of Christians who receive it today. The main purpose of receiving the Holy Ghost is not just to have something speak through you; speaking in tongues is simply the first evidence that He has come in; there are many evidences of the Holy Spirit. At Mount Sinai it was not the thunder, lightning, fire nor trumpet which were paramount, but the giving of the Law; and at Pentecost it was not the sound of wind or the tongues of fire, or speaking with other tongues which was paramount, but the giving of the Holy Ghost.
  • Baptism in the Holy Spirit (currentoracles.wordpress.com)
    Tongues were given for personal edification as prayer and praise to be used in private worship. Every believer can speak with these tongues when they receive the Baptism of the Holy Spirit.
  • Pneumatology: On Spiritual Gifts and the Fruits of The Holy Sprit (The relevancy of speaking in tongues to the Post-Modern Christian) (hades1solution.wordpress.com)
    Pneumatology is the theological study of the Holy Spirit. This doctrine explains the identity, office, and empowerment of the Holy Spirit and establishes the monotheistic relationship with the Father, Son and Holy Ghost. Pneumatology explains the Spirit has both a human and spiritual relationship much like Christ and is a persona (Psa. 51:11, Acts 7:51, John 14:17, Romans 8:16) and like Jesus is omniscient (1 Cor: 25), omnipotent (Zech. 4:6), and omnipresent (1 Cor. 2: 10-16). The Holy Spirit was present from the beginning and part of creation (Genesis 1:2; Gn. 1:7) and originated from the father but sent forth from the son and is present in all men but awakened at the time of salvation.
  • Tongues Beyond The Upper Room. #TonguesBUR (dosomethingfresh.wordpress.com)
    Speaking in tongues – the divinely imparted gift that enables Christians to supernaturally communicate with God in a more intimate way than prayer and praise in languages we know. Its one of the most controversial topics among Christians and non Christians

 

Politiek en macht eerste prioriteit # 3 Verhoging van Maria en de Heilige Geest

In de vorige artikelen hebben we gezien dat geestelijken van de late derde en vroege vierde eeuw, zoals Athanasius, hun politieke invloed gebruikten om hun geformuleerde ideeën over de Drie-eenheid door te drukken zodat  op het Concilie van Nicea (325) werd besloten dat de Vader en de Zoon “van dezelfde substantie” moesten zijn. 
In het Westen had men Hilarius van Poitiers ( ca. 315367), en in het Oosten Basilius van Caesarea, ook Basilius de Grote[1] (c.330-379), Griekse prelaat, bischop van Caesarea in Cappadocia, en één van de Vier Vaders van de Griekse Kerk met zijn broer Gregorius van Nyssa en zijn beste vriend Gregorius van Nazianze (c.330-390) die de Nicene formule van de orthodoxe leer van de Drievuldigheid (Drie-eenheid) bleven verdedigen en de Niceense geloofsbeleidenis interpreteerden met God als één wezen in drie hypostasen als een te nemen voorwaarde om christen te zijn. Het niet-christelijk idealisme met zijn hoge morele en esthetische niveau boeide hen en men kan zich indenken dat de beleving van de heidenen door hun verering van meerdere goden een grotere devotie bleek te verwezenlijken. De kerkvaders van die tijd waren er van overtuigd dat de toelegging voor een verering van meerdere goden de kerk tengoede zou komen en daarom opteerden zij voor de gratie van de machtshebbers met instemming voor hun godendom te transplanteren naar hun christelijke figuren, zodat de Maagd Maria en andere heiligen ook vereerd konden worden.

De wijding van Hilarius van Poitiers ook gekend als de ‘Athanasius van het Westen’ – Prent uit een 14e eeuws manuscript.

Het arianisme was een belangrijke levensbeschouwelijke stroming. Ook de keizer van het West-Romeinse Rijk, Constantius II, was het arianisme vriendelijk gezind. Hilarius verzette zich tegen de door de keizer geëiste veroordeling van kerkvader Athanasius en daarmee van de geloofsbelijdenis van Nicea, waaraan andere Gallische bisschoppen meededen, en werd daarom naar Klein-Azië verbannen (356359). In deze periode schreef hij zijn hoofdwerk, De Trinitate (‘Over de Drievuldigheid‘). In zijn De synodis seu de fide orientalium (‘Over de synoden of de geloofstrouw van de Oosterse bisschoppen’) gaf hij daar een historische toelichting bij.
In het Griekse Oosten geraakte hij nog veel beter thuis in de christologische strijd en deze zette hij, in 360 teruggekeerd, in Gallië voort, in de eerste plaats tegen Saturninus van Arles op een synode te Parijs (361) en enige jaren later – met weinig onmiddellijk succes – tegen Auxentius van Milaan.

Voorafgaand: Politiek en macht eerste prioriteit #2 Arianisme, Nestorianisme en Monofysitisme

De vroege dagen van het Christendom

2.2.3 Politiek en macht de eerste prioriteit: Verhoging van Maria en de Heilige Geest

De keizer Constantinus voltooide wat Paulus was begonnen –  een wereld vijandig aan het geloof  waarin Jezus had geleefd en wasgestorven. De Raad van Nicea of Oecumenische Concilie in Nicea in 325 bepaalde dat de Kerk en de Synagoge niets gemeenschappelijk zouden moeten hebben, en dat wat er ook van de eenheid van God en van de vrijheid van de mens sloeg of een Joods aspect van verering aanbood, van het Katholiek Christendom moest worden geëlimineerd. Alles wat er maar op zou kunnen wijzen dat Jezus zijn leer op de Joodse leer  zou geschoeid zijn wenste men te verwijderen. Mits vele Joden de volgers van Jezus toch als een Joodse sekte beschouwden, zou het niet moeilijk zijn om  door zich te ontdoen van de Joodse verbondenheid zich als een nieuwe godsdienst te laten opmerken.

De overdracht van de zetel van macht van Rome tot Constantinopel, en het oprichten van het Oost Romeinse Rijk onder Constantinus I gaf aan Klein-Azië, en vooral aan Constantinopel, een belangrijk belang in de geschiedenis van de Kerk voor verscheidene eeuwen. De zeven oecumenische Raden van 325 tot 787 waren allen gehouden in die stad of in haar buurt, en de doctrinaire controversen op de Drievuldigheid en de persoon van Christus werden voornamelijk gedragen in Klein-Azië, Syrië, en Egypte.

Het geërodeerde rots-standbeeld van de godin Cybele op de berg Sipylus, op een vroeg 20ste-eeuwse Franse postkaart

Niet ver van Frygië (ook vaak als Phrygië gespeld) in het midwesten van de Anatolische hoogvlakte in Klein-Azië werd Montan of Montanus geboren in Ardaban (Misië) (?- 195), die zich ontdeed van zijn priesterschap van de godin Cybele en zich geroepen vond om als de profeet uit te geven als de trooster, de Parakleet, van wie Jezus beloofd had dat hij hem in de laatste dagen zou sturen.

De Romeinse Staat keurde en ontwikkelde een bepaalde vorm de cultus van de goddelijkheid van de Staat van Frygië goed. Alsook werd deze door Griekse kolonisten van Klein-Azië aangepast, en werd ze verder verspreid van daar naar het  vasteland Griekenland en zijn verdere westelijke kolonies rond de 6de eeuw vGT. In Rome, werd Cybele Magna Mater („Grote Moeder“) genoemd.  Om priester of priesteres te zijn moest men zich castreren en werden Gallos of Galli genoemd. Deze barbaarse verminking werd gerechtvaardigd door de mythe over Attis, de god van de vruchtbaarheid en minnaar van de Grote Moeder, die zichzelf ontmande onder een dennenboom. Cybeles ‘priesteressen’ gingen de uitgelaten festiviteiten voor in ceremonies met veel drank en wilde muziek, waarbij zij, en veel van haar fanatieke volgelingen, zichzelf met messen sneden. De feesten werden in grote processies gevierd nog tot 268 n.Chr. Ook de Nijldelta godin Isis (Grieks) of Aset (Egyptisch Au Set), dochter van Geb en Nut, de god van de aarde en de godin van de hemel geraakten meer verweven met de christelijke gedachten. De Egyptische Moedergodin Isis stond bekend als vruchtbaarheidsgodin zoals Cybele die in de verering werd opgenomen als evenbeeld van Maria, de moeder van Jezus, zodat deze als de ‘moeder van God’  in de cultus kon worden vereerd.[1]

De Romeinen schreven hun succes tegen Carthago tijdens de Punische Oorlogen toe aan de verheerlijking van Cybele en meerdere volgelingen en gelovigen na Montanus dachten dat hun verzoeken aan de Magna Mater of ‘Moeder Gods’ in vervulling gingen door hun toewijding aan haar.

Toen Montanus zich had bekeerd tot het Christendom nam hij de cultus van zijn godin mee over en nadat hij in een trance was gevallen begon hij aan „het profeteren onder de invloed van de Geest.“ Hij werd spoedig vergezeld door twee jonge vrouwen, Prisca, of Priscilla, en Maxirnilla, die ook aan voorspellingen begonnen. Hij kreeg het bericht dat Christus spoedig zou terugkeren en dat de Heilige Geest nu zou regeren.

Als profeet van God, overtuigd dat de Parakleet door hem sprak, kondigde Montanus de steden van Pepuza en Tymion in west-centraal Frygië aan als plaats van het Nieuw Jeruzalem. Hiervoor maakte hij het grotere Pepuza tot zijn hoofdkwartier. Zijn aanhangers, de Montanisten wachtten op de komst van de Heilige Geest om de plaats van de zoon in te nemen en een meer perfect Evangelie aan te kondigen. De Heilige Geest werd gemaakt tot het voorwerp van een exclusieve verering.

De Kerk moest die verering onderdrukken, maar zowel deze verering van de Heilige Geest als van Maria paste netjes in het raamwerk om de Heilige Drievuldigheid aanvaardbaar te maken. Door  de Anatoolse godin naar Maria te transponeren kon de moeder van Jeshua (Jezus) als de Magna Mater, de Grote Moeder, genomen worden en moest zij wel de moeder van God zijn en haar zoon Jeshua (Jezus) kon dan niet anders dan de reïncarnatie van God zijn. Nu kon zij ook tot de andere figuren  behoren als  „heilig“ of ‘apart geplaatste’ .[2]

Deze Maria verering en het maken van de Heilige Geest tot een godheid,  kwam de machthebbers ten goede en stimuleerde de handel van nog meer beeldjes en gekapte stenen.

Meer en meer werden allerlei figuren uit de heidense traditie overgenomen om als beeltenis plaats te nemen voor ‘heiligen’ uit de stroming van Jezus volgers. De anathema’s of artefacten dat in de oudheid door een bezoeker van een heiligdom aan een godheid werden geschonken geraakten alsmaar meer ingeburgerd in het christelijk geloof. Nu kon de Heilige Geest ook voorgesteld worden en kreeg deze ook een plaats op de offeraltaren en in gebedshuizen naast de vele andere artefacten die hun weg vonden in de gebedshuizen.

De Allerhoogste God, Elohim Jehovah, verafschuwt standbeelden of artefacten die vorm wordt gegeven door de mens voor verering. In het Oude Testament, werd reeds vermeld dat geen beeltenis van God hoorde gemaakt te worden. Voorwerpen die werden gebruikt voor votieve dienstenaanbod, mochten niet hergebruikt worden voor een profaan gebruik . Dergelijke voorwerpen moesten vernietigd worden. Deze voor vernietiging bestemde voorwerpen werden „vervloekt“ evenals gewijd of geconsacreerd. De gewijde beelden of anathema werden populair maar de  Apostel Paulus beschouwde ze ook als verwerpelijke standbeelden of steengravures die zouden moeten worden uitgesloten. Hij sprak over het aan de kaak stellen“ [anathema] of vervloeken „maar ook over het  „ aanbieden aan God“.Voor de eerste Christenen gold het bidden tot standbeelden als een misdaad.

De Apostel Paulus gebruikt de naam van die beeltenissen ook als de verwijzing van wat christenen zich niet mogen welgevallen. Aanbidding van beeltenissen is namelijk iets verwerpelijk voor God. Voor de Allerhoogste is het een vervloeking om met een menselijk ontwerp te worden vergeleken of uitgebeeld. Daarom gebruikt Paulus ‘anathema sit’ om uit te drukken dat “hij zij vervloekt” worde. Afbeeldaanbidders hoorden niet thuis bij de eerste christenen en werden ‘vervloekt’ of uit gesloten.  Eigenlijk zijn het afgodenaanbidders. In de betekenis van uitsluiting (excommunicatie, kerkelijke ban) is de formulering sinds de 4e eeuw tegen verschillende ketterijen gebruikt op particuliere en oecumenische concilies in de geijkte vorm “indien iemand dit of dat zegt (dat in strijd is met de besluiten van het concilie), hij zij in de ban is (anathema sit)”.[3]

Zij die hun liefde aan beelden of standbeelden toonden deden iets tegen de bevelen van God en toonden aan dat zij niet zo zeer hielden van Elohim de Hoogste God maar voorwerpen waren van afschuw en execratie aan alle heilige wezens. Voor de eerste Christenen waren zij zonder schuldgevoelens voor een misdaad die de strengste veroordeling verdient en konden zij als dusdanig niet meer deel uitmaken van de ecclesia. Bij zulke ‘verschrikkelijke daden’ moest overwogen worden hen uit de gemeenschap te verwijderen. Zij werden blootgesteld aan de zin van „eeuwige vernietiging van de aanwezigheid van de Heer“ want zij omhelsden geen blijvend geloof, zoals de zin was van geheel de mensheid vóór het zoenoffer, de rechtvaardiging en heiliging van het bloed van Christus dat de afkoop van zonden toestond.[4]

{{{název}}}

Cyrillus I van Alexandrië (Grieks: Κύριλλος Α΄ Αλεξανδρείας) (Alexandrië, 375-380 – Alexandrië, 27 juni 444) monnik en patriarch van Alexandrië van 412 tot 444. Fel bestrijder van het arianisme.

Het gebruik van het woord „anathema“werd verder gebruikt om een vloek en een gedwongen uitwijzing van de gemeenschap van Christenen te betekenen. Het werd overgenomen en werd de standaardtermijn in de kerk na de heilige Cyrillus van Alexandrië, die zijn 12 anathema’s tegen de afvallige Nestorius (in 413 GT) uitsprak. In de 6de eeuw, kwam het anathema als de strengste vorm van excommunicatie te betekenen dat een afvallige van de Christelijke Kerk formeel gescheiden werd en zijn doctrines veroordeeld; maar ook werd het gebruikt voor minder belangrijke excommunicaties, terwijl het vrije ontvangst van de sacramenten belemmerde, de zondaar verplichtend om zijn zondige staat door het sacrament van vergiffenis (Sacrament van verzoening) te rectificeren.

In de eeuw 4° hield men van de idee van de bewondering van de Heilige Geest en Magna Mater of Theotokos, de Griekse titel van Maria, de moeder van Jezus, vooral gebruikt in de Oostelijke Orthodoxe, Oosterse Orthodoxe, en Oostelijke Katholieke Kerken (het Oosters christendom). Haar letterlijke Nederlandse vertalingen omvatten `god-Drager ` ‘God baarster’ en `wie geboorte aan God’ geeft. De Raad van Ephesus die, in oppositie tegen hen werd verordend ontzegden Maria die de titel Theotokos („wie geboorte aan God“geeft) maar noemden haar Christotokos („wie geboorte aan Christus“ geeft).
In de theologische discussie over de natuur van Christus kwam het tot verschillend woordgebruik, dat voor verwarring zorgde. De mens Jezus maakte van Maria een antropotokos (Moeder van de mens Jezus), maar ook een theotokos (moeder van God). Volgens Nestorius (Nestorius van Constantinopel) kon het “eeuwig voortkomen van de Zoon uit de Vader” niet eeuwig via Maria voltrokken worden, en hij koos daarom voor de alternatieve term “christotokos” (moeder van Christus). Het leverde Nestorius een aanval van Cyrillus van Alexandrië op, die in de nestoriaanse Jezus een eenheid, die pas door de ontmoeting tussen de eeuwige Logos en de tijdelijke mens op grond van genade (van God) en vrije wil (van de mens Jezus) tot stand kwam. Hierin zou Jezus Christus niet pre-existent zijn en bovendien meenden sommigen (m.n. Dioscurus, opvolger van Cyrillus) dat de benadrukte twee naturen in een persoon zou kunnen worden geïnterpreteerd als twee personen (Jezus en Christus) in een verschijning.
Athanasius van Alexandrië in 330, Gregorius de Theoloog in 370, Johannes Chrysostomos in 400, en Augustinus gebruikte allen theotokos.[5] (De formulering Theotokos werd op het anti-nestoriaanse Concilie van Efeze in 431 bevestigd.)

Een 18e-eeuwse Russische pictogram dat verschillende soorten van de Theotokos iconen voorstelt

Naast de incarnatie van God kon nu ook de Geest op de aarde komen en kon hij bemind of aanbeden worden. In 380 zouden anathema’s die door de overspelige Paus Damasus uitgesproken werden, in de Vierde Raad van Rome, de veroordeling uitspreken over hen die zouden ontkennen dat de Heilige Geest moest bemind worden  als de Vader en de Zoon door elk schepsel [6]. Deze anathema’s werden vernieuwd door Celestinus I en Virgilius, en de oecumenische raad van 381 in zijn symbool, dat zijn plaats in de liturgie nam, formuleerde haar geloof in de Heilige Geest, „Wie te samen met de Vader en de Zoon is bemind  en verheerlijkt.“ Deze uitdrukkingen wijzen op de eenheid van de bewondering van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest; namelijk dat de één of andere Persoon van de Drievuldigheid kan bemind worden afzonderlijk maar niet met de uitsluiting van de andere twee.

De idee van een Drievuldigheid, die, aangezien de Raad van Nicea in370, en vooral door Basilicum de Grote of Basilius van Caesarea, ook Basilius de Grote en Vader van het Oosterse Monastieke Leven genoemd, (ca. 330 – 379) , het Katholieke dogma was geworden, werd natuurlijk niet alleen door Joden tegenstrijdig aan hun monotheïstisch geloof beschouwd. De echte studenten van de Bijbel vonden geen reden om in zulk een onderwijs te gaan. Voor hen was de Bijbel duidelijk met woorden zoals “de zoon van God”. Het werd nog slechter wanneer bepaalde Christenen ook deze drie-Ene God, `God de zoon‘ `God de Vader‘ samen met de God „de Heilige Geest [“ Ruaḥ Ha-Ḳodesh“]opvatten als een vrouwelijk wezen dat, haar parallellen had in al de heidense mythologieën.[7]

De respons op de Nieuwe Profetie bracht nog een splitsing onder de christelijke gemeenschappen, en vooral de meer orthodoxe geestelijkheid vocht hard om deze stroming te onderdrukken. Men geloofde dat de Frygische profeten werden bezeten door boze geesten, en dat zijn twee profetessen Maximilla en Priscilla, vrouwelijke presbyters, voorbeelden waren van mislukt exorcisme.

Montanisten, die in de tweede eeuw predikten, en uitkeken naar de komst van de Heilige Geest om  de plaats van de Zoon in te nemen en een meer perfect Evangelie aan te kondigen, gaven zeer veel aandacht aan droomduidingen en extase-ervaringen. Bij hen valt het eindtijd denken vooral op. Hun eindtijdverwachting legde hen een sobere levensstijl op met een strikte publieke en individuele moraal , vol vasten, seksuele onthouding, boetedoening, loslaten van het huwelijk en bereidheid tot het martelaarschap.

Montanus zag zich als de laatste definitieve openbaring en Priscilla bezag zichzelf als allerlaatste  profetes waarna  slechts het einde zou komen.

Hun exclusieve verering van de Heilige Geest werd wel hoog geschat en als een aan te nemen element in de godsdienst verering. Zo kon Gods Kracht als derde persoonlijkheid gestaafd worden.

Na het overlijden van Priscilla in 179 zagen de mensen dat Jezus niet terug kwam en liet het nieuwe Jeruzalem op zich wachten waardoor  aan de eindtijdprofetieën een einde kwam, toch bleef het verder bestaan tot het meer te lijden kwam onder de strenge legislatie tegen het Montanisme door keizer Justinianus I die heerste van 527 tot 565. Enkele overgebleven groepen zetten de beweging echter voort tot in de 9° eeuw.

In 380 werd zo een vervloeking of banspreuk uitgesproken door Paus Damasus, op de Vierde Raad of Concilie van Rome. Er werd  uitgesproken dat wie ook maar zou ontkennen dat de Heilige Geest moet worden bemind worden als de Vader en de Zoon door elk schepsel, deze zou verbannen worden uit de Katholische Kerkgemeenschap.  Deze anathema’s werden vernieuwd door Celestinus I en Virgilius, en de oecumenische raad van 381. De anathemata als versierselen in de gebedshuizen werden nu als een vorm van devotie aangekondigd en de liturgische gewaden en symbolen als tekenen van macht.

De Oost-Romeinse / Byzantijnse keizer Theodosius I zag dat er iets moest gedaan worden om de verscheurde christelijke kerk tot een eenheidskerk te brengen. Alsook wenste hij zijn keizerlijke macht te gebruiken  om de nog zeer grote invloedrijke groep aanhangers van het arianisme, dat door het eerste oecumenische concilie in 325 in Nicea al als ketterij was veroordeeld, zoveel mogelijk uit te schakelen.

De Heilige Geest werd nu door nog meer mensen hoog geschat en als een te vereren persoonlijkheid aanschouwd. Het geloof in de Heilige Geest als gelijkwaardige goddelijke derde persoon van de in essentie éne God werd in de – in 325 in Nicea vastgestelde – geloofsbelijdenis opgenomen.

De heilige drie-eenheid, icoon van Andrej Roebljov (ca. 1400)


[1] Jezus werd aanschouwd als de verwerkeling van God op aarde en werd als  Horus de zoon van Isis  de symbolisering van  het jaarlijks verdwijnen en opkomen van het leven, zoals dat in de landbouw zichtbaar wordt (zie ook: Geboorte van Horus). Het gebruik om poppen van de korengeest te maken bestaat nu nog altijd bij de Kopten. Tijdens de goede week wordt een voorstelling van Christus in de vorm van een mummie op het altaar gelegd van vrijdag tot zondag, omgeven door bloemblaadjes e.d. Vrouwen (mannen niet) vullen ook nog altijd potjes met aarde en zaaien daarin. Dit doet denken aan de tuin van Adonis.

[2] In deze betekenis werd de vorm van het woord anathema ooit (in meervoud) gebruikt in het Griekse Nieuwe Testament, in Lukas 21:5, waar het als „giften“ of “geschenken” wordt weergegeven.

[3] De uitdrukking werd ook gebruikt tijdens het Concilie van Trente (15451563) over de aanhangers van de (vanuit de katholieke leer gezien) dwaling van de Reformatie 126 keer het anathema heeft uitgesproken.

[4] Alternatief, zou de apostel Paulus kunnen voorstellen dat zij die niet van de Heer houden zouden moeten tot God aangeboden worden.

[6] Denzinger, Enchiridion, n. 80

[7] Zoals door vele Christelijke geleerden, zoals Zimmern, in zijn „Vater, Sohn, und Fürsprecher“  is aangetoond, 1896, en in Schrader’s „K.A.T.„1902, p. 377; Ebers, in zijn „Sinnbildliches: die Koptische Kunst „1892, p. 10; en anderen.


[1] Enkele van zijn vermeende ruggenwervels worden bewaard als relikwie in Brugge, namelijk drie in de Sint-Salvatorskathedraal en één in de Sint-Basiliuskapel op de Burg (de Heilig Bloedbasiliek).

+

Voorgaand artikel: Politiek en macht eerste prioriteit #2 Arianisme, Nestorianisme en Monofysitisme

Vervolg: Politiek en macht eerste prioriteit #3 Samengaan van Joodse, Oosterse en Helleense gedachtegoed

English version: Politics and power first priority #3 Elevation of Mary and the Holy Spirit

Mozaïek van Maria als theotokos in de Chora-kerk in Istanboel

Vindt ook:

De belangrijkste concilies

  1. Nicaea I
  2. Constantinopel I
  3. Efeze
  4. Chalcedon
  5. Constantinopel II
  6. Constantinopel III
  7. Nicaea II

Lees meer over:

  1. Doctrine van de Drievuldigheid

  2. Drievuldigheid of Heilige Drie-Eeenheid
  3. Is God Drie-één
  4. De Allerhoogste is het Opperwezen
  5. Drie Heilige Hiërarchen: Basilius de Grote, Gregorius van Nazianze en Johannes Chrysostomus worden in de Byzantijnse Kerken de Drie Heilige Hiërarchen genoemd.
  6. Niet goddelijkheid van Christus toch
  7. God, Jezus Christus en de Heilige Geest
  8. Jezus van Nazareth #2 De zoon van Maria
  9. Jezus van Nazareth #3 De zoon van God
  10. Voorbestaan van Christus
  11. Al of niet verenigen
  12. De ecclesia als lichaam van Christus
  13. Verzamelen of Bijeenkomen
  14. Maken van een kerk
  15. Congregation – Congregatie
  16. Parish, local church community – Parochie, plaatselijke kerkgemeenschap
  17. Kerst en wenslampions
  18. Waarom gaf Jezus Maria aan Johannes
  19. Slechts één ding is nodig
  20. Groei eerste christenen
  21. Is er een komende Eindtijd
  22. Visie op Jezus’ wederkomst van invloed op vraag hoe met deze aarde omgaan
  23. Laatste dagen omroepers

***

Minimaliseren van Gods Kracht de Heilige Geest

De vroege dagen van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.2.              Minimaliseren van Gods Kracht de Heilige Geest

Het “uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk tot een speciaal bezit” ( 1 Petrus 2:9 ) trachtte zich recht te houden en hun leerstellingen zuiver te bewaren. Zij verrichtten hun christelijke bediening onder heel moeilijke omstandigheden. Paulus bracht het als volgt onder woorden: „Wij worden in elk opzicht bestookt, maar toch niet zo in het nauw gedreven dat wij ons niet meer kunnen bewegen; wij zijn ten einde raad, maar niet totaal zonder uitweg; wij worden vervolgd, maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeworpen, maar niet vernietigd.” (2 Korintiërs 4:8, 9).

Men hoeft slechts de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen der Apostelen te lezen om te zien hoeveel enthousiasme en vreugde ervan uitging, zelfs ondanks vervolging (Handelingen 2:44-47; 4:32-34; 5:41; 6:7). Maar in de loop van tientallen jaren veranderde de situatie, en veel joodse christenen gingen het in de wedloop om het leven kennelijk wat langzamer aan doen. Een toestand van matheid en vermoeidheid, van onvervulde verwachtingen, uitgestelde hoop, bewust tekortschieten en feitelijk ongeloof kwam over de gelovigen. Zij waren christenen, maar hadden weinig waardering voor de heerlijkheid van hun roeping. Voor sommigen van hen leken Gods beloften onwerkelijk en een brug te ver.

Speyer---Cathedral---South-View---(Gentry)

4° Eeuwse bijeenkomstruimte. - Zuidzijde van de Kaiser- und Mariendoms zu Speyer. - Foto Alfred Hutter

Tijdens de eerste eeuw zag de toekomst voor de georganiseerde christelijke gemeente er donker uit. Jezus had voorzegd dat het zou zijn alsof een pas bezaaid tarweveld met onkruid bezaaid werd waardoor de tarwe vrijwel niet van het onkruid te onderscheiden was. Voor vrees dat men toevallig terwijl men de valse leraren zou verwijderen ook de normale gelovigen met hen zouden kwijt spelen. (Mattheüs 13:24-30). En zo geschiedde het ook. Tegen het einde van de eerste eeuw, toen de bejaarde apostel Johannes als de laatste belemmering tegen verdorvenheid fungeerde, bloeide de afval reeds (2 Thessalonicenzen 2:6; 1 Johannes 2:18). Niet lang na de dood van de apostelen ontstond er een afzonderlijke klasse van geestelijken, die de kudde onderdrukte en onderscheidende kledij droeg. De afval verbreidde zich als gangreen.

Van de dagen van de apostelen tot nu vindt men de wortel van de gehele opzet en heerschappij van klerikalisme. De filosofie en heterodoxie, zonder twijfel, deed er veel aan om de kerk te bederven en haar ertoe te brengen om zich bij de wereld aan te sluiten: maar de orde van de geestelijkheid en alles dat er bij behoorde moest op de godsdienst van de Joden worden gebaseerd. Het is meer dan waarschijnlijk, echter, dat velen dan kunnen overreed zijn om het christendom als een voortzetting van Judaïsme te nemen, in plaats van haar perfecte contrast te zijn. De Judaïzerende leraren bevestigden dapper dat het christendom slechts een enting op Judaïsme was. Maar door de epistels leren wij overal dat er zijn die tot het oude behoren en andere aan de nieuwe verwezenlijking behoren; dat de wet door Mozes werd gegeven, maar de gunst en de waarheid kwamen door Jezus Christus.

Ook al had Paulus de Hebreeën gewaarschuwd om op te letten dat er zich in niemand van hen ooit een goddeloos, ongelovig hart zou ontwikkelen, doordat hij zich zou terugtrekken van de levende God. Alsook bleken de andere waarschuwingen van de mede apostelen soms een maat voor niets. Sommigen die in de gemeente kwamen, begonnen hun geloofsovertuigingen in de termen van de Griekse filosofie tot uitdrukking te brengen, om datgene wat zij predikten aanvaardbaarder te maken voor de mensen van de wereld. Geleidelijk gingen heidense leerstellingen, zoals de Drie-eenheid en de inherente onsterfelijkheid van de ziel, deel uitmaken van een bezoedelde vorm van het christendom. Dit leidde tot het prijsgeven van de hoop op het Millennium.

Early-Christians-Worship-in-the-Catacombs-of-Saint-Calixtus

19° Eeuws beeld van de 1° eeuwse catacomben bijeenkomst - Catacomben van de heilige Calixtus - eind 19° eeuw

Het gevaar dat er dreigde werd meer en meer werkelijkheid en zonde en afval kwamen meer voor. Om die reden had Paulus de gemeenten er aan herinnerd steeds waakzaam te blijven en elkaar te vermanen.[1] Vanuit de gemeenschappen zelf kwamen mensen die er de voorkeur aan gaven verkeerde leerstellingen te prediken om zo volgelingen voor henzelf te verkrijgen. Op subtiele wijze schreven zij aan hun eigen meningen en leringen een zelfde of zelfs nog hogere waarde toe dan aan de Schrift. Toen de gelegenheid hiertoe zich voordeed, stelde deze afvallige kerk zich zelfs beschikbaar om de belangen van de politieke staat te dienen. (Handelingen 20:30; 2 Petrus 2:1, 3).[2] Om de gemeenschap te beschermen was het belangrijk om het gevoelen van eenheid hoog te houden, zoals dat ook vandaag nog steeds belangrijk is. Paulus’ uitdrukking „past op” beklemtoont de noodzaak om waakzaam te zijn (Hebreeën 3:12, 13). De vroege Christenen kregen de waarschuwing die ook vandaag nog steeds op gaat om geen gebrek aan geloof en Bijbelstudie te hebben, zodat wij in ons hart niets verkeerds zouden kunnen ontwikkelen, en wij ons zouden kunnen terugtrekken van Godin plaats van hem te naderen (Jakobus 4:8).

Toen en nu komt het er op aan dat de leden van de gemeenschap elkaar durven vertrouwen, steunen maar ook durven vermanen. Wij hebben de warmte van broederlijke omgang nodig. „Wie zich afzondert, zal zijn eigen zelfzuchtige verlangen zoeken; tegen alle praktische wijsheid zal hij losbarsten” (Spreuken 18:1). De noodzaak van een dergelijke omgang beweegt Christenen in deze tijd ertoe geregeld gemeentevergaderingen, grotere bijeenkomsten en congressen te bezoeken.

Men moest belangstelling aan kweken voor „de breedte en lengte en hoogte en diepte” van de waarheid, en aldus tot rijpheid voort gaan. (Efeziërs 3:18, Hebreeën 6:1, 2 Timotheüs 4:7)

Sommige Joden en heidenen die naar het christendom waren over gestapt bleken in gebreke te blijven hun waarnemingsvermogen te vergroten. Zij waren traag geworden in het aanvaarden van het toegenomen licht met betrekking tot de Wet en de besnijdenis (Handelingen 15:27-29; Galaten 2:11-14; 6:12, 13). Sommigen hechtten misschien nog steeds grote waarde aan traditionele praktijken zoals de wekelijkse sabbat en de plechtige jaarlijkse Yom Kippur of Verzoendag. (Kolossenzen 2:16, 17; Hebreeën 9:1-14).

In de eerste eeuw had de apostel Paulus reeds Timotheüs gewaarschuwd dat „goddeloze mensen en bedriegers” de christelijke gemeente zouden binnensluipen en velen zouden misleiden (2 Timotheüs 3:13)[3]. Deze grote afval begon na de dood van de apostelen (Handelingen 20:29, 30).

Epicurus-PergamonMuseum

Buste van Epicurus, in het Pergamon Museum, Berlijn.

Sommige christenen onderhielden misschien nauwe banden met personen die onder invloed stonden van de Griekse filosofieën, met inbegrip van die van de epicuristen. De epicuristen waren volgelingen van de Griekse filosoof Epicurus, die van 341 tot 270 v. G.T. leefde. Hij onderwees dat genot het enige of hoogste goed in het leven was. Hij onderwees daarentegen dat genot het beste te bereiken is door zich in het leven met beleid, moed, zelfbeheersing en gerechtigheid te gedragen. Hij bepleitte niet het najagen van onmiddellijk en kortstondig genot, maar van genot dat het hele leven duurt. Hierdoor kunnen de epicuristen, vergeleken met mensen die grove zonde beoefenden, deugdzaam hebben geschenen.(Vergelijk Titus 1:12). De epicuristen betrachtten bijvoorbeeld matiging in hun najagen van genot. Zij hechtten meer waarde aan lustgevoelensvan de geest dan aan lichamelijk genot.

De apostolische Vaders, zoals zij werden genoemd, zoals Clement, Polycarp, Ignatius, en Barnabas, waren oorspronkelijk de directe aanhangers van geïnspireerde. Apostelen. Zij hadden naar hun instructies geluisterd, met hen in het evangelie gewerkt en waren waarschijnlijk informeel op de hoogte van hen. Maar niettegenstaande de hoge voorrechten die zij als volgelingen van de apostelen genoten, vertrokken zij zeer spoedig van de doctrines die aan hen, vooral in verband met kerkoverheid overgebracht waren geweest. Zij schijnen volledig de grote Nieuwe waarheid van het Testament van de aanwezigheid van de Heilige Geest in de bijeenroeping vergeten te hebben – oordelend naar de Epistels die hun namen dragen. Hun ijdelheid om te beweren dat het slechts aan een bepaalde elite gegeven is om het Woord van God te kunnen begrijpen en te verklaren negeert gewoon de Kracht van God in Zijn zending van de Heilige Geest over alle mensen die wensen God te naderen.

De nieuwe leraren van de kerk schijnen ook de mooie eenvoud van de goddelijke orde in de kerk vergeten te hebben. Er waren slechts twee orden van ambtsbekleders – oudsten en diakens. De ene benoemd voor tijdelijke, de andere voor de geestelijke behoefte van de bijeengebrachte heiligen. Ouder, of bisschop, betekent eenvoudig opzichter, wie een geestelijke oplettendheid op zich neemt. Hij kan geschikt geweest zijn om te onderwijzen, maar ook niet; hij was geen verordende leraar, maar een verordend toezichter. En zoals voor de instellingen van goddelijke benoeming, vinden wij in het Nieuwe Testament slechts, doopsel en het Avondmaal van de Heer of het “Breken van het Brood”. Niets zou, in verband met alle aangevingen eenvoudiger, duidelijker, of makkelijker te begrijpen kunnen zijn dan die voor geloof en praktijk worden gegeven, maar er was geen ruimte gelaten voor de verheffing en de glorie van de mens in de kerk van God. De Heilige Geest was neer gekomen om de leiding in de vereniging of bijeenkomst te nemen, volgens het Woord van de heer, en de belofte van de Vader; en geen enkele Christen, hoe begaafd ook, dit gelovend, kon de plaats van leider nemen, en zo praktisch de Heilige Geest verplaatsen. Maar van het ogenblik dat deze waarheid uit het oog was verloren, begonnen de mensen voor plaats en macht te vechten, en natuurlijk had de Heilige Geest Zijn juiste plaats niet meer in de gemeente of congregatie.

Nauwelijks was de stem van inspiratie in de kerk stil geworden, of wij hoorden de stem van de nieuwe leraren die luid en ernstig voor de hoogste eer schreeuwden die aan de bisschop zou moeten worden betaald, en een opperste plaats die aan hem hoorde te worden gegeven. Niet een woord over de plaats van de Geest als soevereine heerser in de kerk van God. Dit is duidelijk van de Brieven of epistels van de bovengenoemde Ignatius, geschreven in 107 G.T.. Wij zijn bewust dat vele grote namen, hun authenticiteit hebben bevraagd; en dat vele grote namen naar genoegen vochten om hun echtheid bewezen te zien. Het echte geestelijk ambt is van de Heer en alleen van Hem. Dit is van wat wij zouden moeten opmerken in het licht van wat er plaats greep op de eigenlijke drempel van christendom. Enkel Christus is het ware Hoofd van de kerk. Het is een ernstig en plechtig ding voor om het even wie om zich in de eisen van Christus op de dienst van Zijn bediende te mengen. Dit te raken is de verantwoordelijkheid terzijde leggen aan Christus, en het fundamentele principe van Christelijke bediening omverwerpen.

St James' church - rood screen - geograph.org.uk - 868346

Vroegere geestelijken: Gregorius, Ambrosius, Jeromius en Augustinus - 15° eeuwse rood screen panels St James' church - Foto Evelyn Simak

Priesterschap was het onderscheidende kenmerk van de Joodse dispensatie; bediening, volgens God, is kenmerkend voor de Christelijke periode. Vandaar de uiterste mislukking van de bewerende kerk, toen het tot doel had om Judaïsme op zo vele manieren, zowel in zijn priesterschap als zijn ritualisme te imiteren. Als een priesterlijke orde, met riten en ceremonies, nog noodzakelijk is, wordt de doeltreffendheid van het werk van Christus in vraag gesteld. In feite, doch niet in woorden, slaat het bij de wortel van christendom. Maar alles wordt geregeld door het woord van God. [4]  „Maar deze mens, nadat hij één enkel offer voor zonden had aangeboden, voor altijd is gaan zitten bij de rechterhand van God; nog slechts wachtend op het ogenblik dat zijn vijanden worden gemaakt tot een voetbank voor zijn voeten. Want door een offer heeft Hij voor altijd hen die zich laten heiligen tot volmaaktheid gebracht. Dit getuigt ons ook de heilige geest. Waar de zonden vergeven en vergeten zijn, is geen zoenoffermeer nodig. We hebben nu ‘die grote priester die over het huis van God is aangesteld.’” (zie Heb. 10: 1-25)

Het geestelijk ambt is dus een onderwerp van de hoogste waardigheid en van het hoogste belang. Het getuigt aan het werk, de overwinning, en de glorie van Jezus, dat verlorenen kunnen worden gered. Het is de activiteit van de uitgaande liefde van de God aan een vreemde en geruïneerde wereld, en aan ernstig smekende zielen om met hem te worden verzoend. [5]  „God was in Christus, de wereld verzoenend in overeenstemming brengend tot zichzelf. Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee. Zo zijn wij dan gezanten van Christus alsof God u door ons zou oproepen. (2 Korinthiërs 5:19-21)

Helaas vond de kerk spoedig dat om bediening te belemmeren, zoals het vóór ons in het woord van God wordt geplaatst, en een nieuwe orde van dingen te introduceren, dit geen belemmering gaf om afdelingen, afwijkingen en dwaalleren, en valse leraren deed ontstaan. Van die tijd – het begin van de tweede eeuw, en er vóór – werd de kerk zeer gestoord door dwaalleren; en aangezien de tijd verderging, groeiden de dingen nooit beter, maar altijd slechter. [6]


[1] “ Zorgt ervoor, broeders, dat onder u niemand zo’n slechte en trouweloze gezindheid heeft, die leidt tot afval van de levende God.  Spreekt elkaar moed in, elke dag, zolang dat ‘heden’ duurt, zodat niemand zich door de zonde tot zulk een halsstarrigheid laat verleiden.” (Hebreeën 3:12-13 WV78)

[2] “ Toch zijn er onder het volk ook valse profeten geweest. En zo zullen er onder u valse leraars komen, die heimelijk verderfelijke ketterijen invoeren. Zij zullen zich niet ontzien tot hun eigen schielijke ondergang de Heerser te verloochenen die hen heeft vrijgekocht.” (2 Petrus 2:1 WV78)

“ In hun hebzucht zullen zij u met verzonnen verhalen geld uit de zak kloppen. Maar hun vonnis is al lang geveld, hun ondergang zal niet op zich laten wachten.” (2 Petrus 2:3 WV78)

[3] “ Trouwens, allen die godvruchtig willen leven in de Messias Christus Jezus Yashua, zullen lijden onder vervolging, terwijl mensen met het kwaad in zich, deugnieten, charlatans en verleiders van kwaad tot erger zullen komen, anderen misleidend en zichzelf.” (2 Timotheüs 3:12-13)

[4] Miller’s Church History

[5] Miller’s Church History

[6] Miller’s Church History

+

Engelse versie: Please do find an English version in: Minimizing the power of God’s Force the Holy Spirit

++

Aansluitende artikelen:

  1. De Bijbel onze Gids #1 Fundament in de Schrift
  2. Judaisme & Katholicisme Universele ‘kerken’
  3. Over de stelling van Luther en de Heilige Geest: 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #2:6-1395 stellingen Wittenberg Maarten Luther #3:14-2595 stellingen Wittenberg Maarten Luther #6:42-5295 stellingen Wittenberg Maarten Luther #8:64-75 +   95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #9:76-7995 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #1 God de Vader95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #3 Betreft Jezus C95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #10: 80-85 + 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #1 God de Vader + 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #2 De Geest
  4. Over de Godheid Hashem השם, Hebreeuws voor “de Naam” + God of een god + God is geen mens + God versus goden
  5. Over de positie van Jezus Christus en zijn goddelijkheid: Bedenkingen Verwarring tussen Jezus en God + Wie zijt Gij, Here?Niet goddelijkheid van Christus toch + Met wie kan je hem vergelijken + Hoe kijken trinitariërs op tegen het gelijk christus worden + Jezus van Nazareth #5 Zijn Unieke persoonlijkheid + Hij die zit aan de Rechterhand van Zijn Vader
  6. Doctrine van de Drievuldigheid
  7. Heidense invloeden op het trinitarisme
  8. Calvijn worstelde ook met de drie-eenheidsleer
  9. Christenen
  10. In elkaar zijn
  11. De Bijbel onze Gids #9God, Jezus Christus en de Heilige Geest
  12. De Bijbel onze Gids #13 Het Christelijk Leven
  13. Joodse interpretatie van Zoon van God
  14. Hij heeft de Pneuma, de Kracht van Hem gegeven
  15. Christus verwekt door de Kracht van de Heilige Geest
  16. De uitstraling van God en zijn pleitbezorger
  17. Verlichting door Gods Geest
  18. Bedenkingen Denominaties
  19. Doctrine, gedrag, oorzaak en gevolg
  20. Bedenkingen Leegloop der kerken
  21. Kerkgroei en samengaan
  22. Openbare Samenkomsten
  23. Volharden in het Avondmaal regelmatig vieren
  24. Breken van het brood
  25. Eucharistie
  26. Communie en dag des Heren
  27. On-Bijbelse instituut van de kerk
  28. Intenties van de ecclesia
  29. Een samenkomst of meeting
  30. Maken van een kerk
  31. Al of niet toegeven aan de wereld
  32. Wedergeboorte en lidmaatschap tot een kerk
  33. Parochie
  34. Keerpunt in de Kerk
  35. De voordelen van een kleine gemeenschap of een huiskerk
  36. Zichtbaar houden van oudste kerken
  37. Het niet goed gaan in de Kerk
  38. Kerk geen afhaal Chinees
  39. Een kerk verlaten om lid te worden van een ander
  40. Helft Amerikanen verandert wel van geloofstraditie
  41. Ontkerkten terug naar de Kerk brengen
  42. Tijdperk van het christendom voorbij volgens Mike Love
  43. Dementia in de Kerk
  44. Vlaamse kerk met uitsterven bedreigd
  45. Waarom kerken soms doodgaan
  46. Christenen in België
  47. Voorgangers Engeland debet aan secularisatie
  48. De Kerk als realiteitsspel
  49. Focussen op Christus
  50. Verenigen
  51. Kerk dak boven evangelie
  52. Waarom lopen kerken leeg?
  53. Verlangen naar vernieuwing in de kerk
  54. Christen worden iets anders dan lid worden van een kerk.
  55. 1Korinthiërs 3:6-7 God die Wasdom geeft #2 Paulus en andere dienaars.

+

Engelstalige artikelen: English realted articles:

Please do find more on Judaism and Christianity:

  1. Seeing the world through the lens of his own experience
  2. Judaism & Catholicism Universal ‘churches’

+

Please do find articles on Jesus as the Cornerstone of the community:

  1. Video: Who was Jesus?
  2. Who is Jesus #2 Jesus Christ, man who died
  3. Who is Jesus #4 Clear statements that our heavenly Father is his “God”
  4. Who is Jesus #6 Jesus prays to God
  5. Who is Jesus #8 Father greater than Jesus
  6. Who is Jesus #9 100% or not
  7. Who is Jesus #12 Conclusion
  8. Da Vinci Code: Was Jesus Human or Divine?
  9. Jesus son of God
  10. Christian thought: acknowledge that Jesus is the Son of God
  11. Jesus Christ the same yesterday, today and forever
  12. Christ begotten through the power of the Holy Spirit
  13. The Victor
  14. How is it that Christ pleased God so perfectly?
  15. The builder of the Kingdom
  16. Can we not do what Jesus did?
  17. The increasing rejection of the teaching of Christ
  18. For those who have not the rudiments of an historical sense

+

Other articles of interest:

  1. How did the Trinity Doctrine Develop
  2. Historical Development of Trinity
  3. How the Doctrine of the Trinity came to the Church
  4. Trinity function
  5. Trinity versus Tritheism
  6. Why the trinity was accepted in Europe
  7. The Pagan Influence of The catholic church ……The Pagan Trinity, and Saint B
  8. Summary on trinity
  9. Holy Sabbath
  10. A man with an outstanding personality
  11. Misleading Pictures
  12. A small company of Jesus’ footstep follower
  13. Quit griping about your church
  14. Rebirth and belonging to a church
  15. An ecclesia in your neighborhood
  16. Making church
  17. Parish, local church community – Parochie, plaatselijke kerkgemeenschap
  18. Intentions of an Ecclesia
  19. He has given us the Pneuma, the force, from Him
  20. The radiance of God’s glory and the counsellor
  21. Millions of Christians leaving conventional churches to meet in homes
  22. Working for God
  23. Efeziërs 2:21-22 Church no longer holds a central place in many Christian lives
  24. Prefering to be a Christian

Positie en macht

Geschiedenis van het Christendom 1. De vroege dagen van het Christendom

Voorgaand: 1.1. Eerste Eeuw van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.1.              Positie en macht

De stichter van het christendom, Jezus uit Nazareth[1], de Christus, bad dat er eenheid onder zijn volgelingen mocht bestaan (Johannes 17:21), en er was de apostelen zeer veel aan gelegen de eenheid van de christelijke gemeente te bewaren (1 Korinthiërs 1:10; Judas 17-19), maar al in de eerste eeuw kwam er vals onderwijs in het christendom.

Het feit, dat de Christenen een dicht verenigd lichaam waren, vers, krachtig, hoopvol, en dagelijks toenemend, terwijl heidenen grotendeels een losse samenvoeging waren, dagelijks verminderend, maakte dit de ware prospectieve sterkte van de kerk veel groter. Maar zij bleven sterk omringd door allerlei verscheiden heidense geloofsvormen en populaire activiteiten die soms zeer verleidelijk konden zijn.

Met het verstrijken der jaren kwamen de Christenen voor allerlei beproevingen en vervolging te staan. Net als die eerste discipelen putten zij vertroosting en aanmoediging uit hun samenkomsten. Bijgevolg schreef de apostel[2] Paulus in Hebreeën 10:24, 25: „Laten wij op elkaar letten ten einde tot liefde en voortreffelijke werken aan te sporen, het onderling vergaderen niet nalatend, zoals voor sommigen gebruikelijk is, maar laten wij elkaar aanmoedigen, en dat te meer naarmate gij de dag ziet naderen.” Die woorden zijn veel meer dan een gebod om bijeen te blijven komen. Ze verschaffen een door God geïnspireerde norm die voor alle christelijke vergaderingen geldt — en eigenlijk voor elke gelegenheid dat Christenen bijeenzijn.

De apostelen waren er bewust van dat onenigheid in het geloof tot heftig geredetwist, tweespalt en zelfs vijandschap kon leiden. (Vergelijk Handelingen van de Apostelen 23:7-10.) De apostels en de vroeggeïnspireerde mensen van de eerste eeuw verdedigden het Christelijke geloof op twee manieren: mondeling (Handelingen 22.1, Filippenzen 1.7, 16, 2 Timotheüs. 4.16) en door middel van literatuur (1 Korintiërs. 9.3). Al in hun tijd moesten de apostelen de aanhangers van Christus voor valse leraren en het verkeerde onderwijs waarschuwen welke reeds het geloof in de eerste eeuw langzaam binnendrongen.

De apostel Johannes weerlegde de misvattingen van hoe te goddelijk te leven in aanwezigheid van de docetic-gnostische leraren die de kerk infiltreerden (1 Johannes 2.1). „ Er zijn veel verleiders of dwaalleraars tot de wereld uitgegaan; die niet belijden dat Yahshua/Jezus de Messias in het vlees is gekomen. Dit is verleider en een antichrist.“ (2 Johannes 1:7) „omdat een aantal valse leraren in de wereld zijn uitgegaan, die geen getuigenis geven dat Jezus Christus in het vlees kwam. Zulk één is een valse leraar en een Antichrist.“ (2 Johannes 1:7)

Petrus schrijft: „Maar er waren ook valse profeten onder de mensen, zelfs aangezien er valse leraren onder u zullen zijn, die in het geheim in afgrijselijke ketterijen zullen brengen, zelfs ontkennend dat de heer hen kocht, en op zich vlugge vernietiging zullen brengen” (2 Petrus 2:1) „vooral hen die hun oude aard volgen in verlangen voor vuiligheid en wie gezag verachten. Vermetel en verwaand, zonder blikken of blozen, schromen zij niet de hemelse machten te beschimpen. En beven deze valse leraren niet bij het beledigen van engelachtige wezens; “ (2 Petrus 2:10)

Niemand van echt belang wil verkeerd zijn op wat de Bijbel onderwijst. Daarom moeten wij voorzichtig en bereid zijn om al het Bijbels bewijsmateriaal zo langzaam of zo snel te zien als het geanalyseerd kan worden. In principe, is het wat wij in de instructie van Paulus aan de bewoners van Thessaloniki vinden: „Doof niet de Geest. Veracht het profeteren niet. Bewijs alle dingen; houdt vast aan alles dat goed is. Onthoudt u of houdt u ver van al de verschijningen van kwaad.“ (1 Thessalonicenzen 5:19 – 22)

Verblijvend in de woorden van het Evangelie (Johannes 8.31-32) moeten wij geduldig zijn, hopend om de gift van de Heilige Geest te ontvangen, en de Bijbelse feiten zichzelf laten openbaren onder hun eigen voorwaarden. Aan dat geduld ontbrak het enkele vroege Christenen, alsook vonden zij het niet aangenaam om hun oude gewoonten zo maar op te geven. Zij werden toen aangetrokken door hen die vonden dat het niet zo belangrijk was om zo strikt aan alles te houden.

Het Romeinse Rijk

Zolang de apostelen nog leefden, beschermden zij de gemeente. De geschiedenis getuigt dat de vroege christenen niet betrokken waren bij de politieke aangelegenheden van het Romeinse Rijk en dat zij geen vooraanstaande klasse van geestelijken hadden. In plaats daarvan waren zij ijverige verkondigers van Gods koninkrijk. Tegen het einde van de eerste eeuw hadden zij getuigenis gegeven in alle delen van het Romeinse Rijk en discipelen gemaakt in Azië, Europa en Noord-Afrika. (Kolossenzen 1:23). Deze verrichtingen in de prediking betekenden echter niet dat het niet langer noodzakelijk was geestelijk waakzaam te blijven. Jezus’ voorzegde komst lag nog ver in de toekomst.

Sekten moesten dus vermeden worden, aangezien ze tot de werken van het vlees behoorden (Galaten 5:19-21). Christenen werden vermaand geen sekten te bevorderen noch zich door valse leraren op een dwaalspoor te laten brengen (Handelingen der Apostelen 20:28; 2 Timotheüs 2:17, 18; 2 Petrus 2:1). In zijn brief aan Titus gebood de apostel Paulus dat een mens die er na een eerste en een tweede ernstige vermaning mee bleef voortgaan een sekte te bevorderen, verworpen moest worden, wat blijkbaar betekende dat hij uit de gemeente gesloten moest worden (Titus 3:10). Degenen die weigerden betrokken te raken bij het veroorzaken van verdeeldheid binnen de gemeente of bij het ondersteunen van een bepaalde partij, zouden zich door hun trouwe wandel onderscheiden en er blijk van geven Gods goedkeuring te bezitten. Dit bedoelde Paulus blijkbaar toen hij tot de Korinthiërs zei: „Er moeten ook sekten onder u zijn, opdat de goedgekeurden onder u ook openbaar mogen worden.” (1 Korinthiërs 11:19).

De christenen hielden er hoge beginselen van moraliteit en rechtschapenheid op na, en met vurige ijver maakten zij een hoopgevende boodschap bekend. Duizenden verlieten het judaïsme en aanvaardden het christendom (Handelingen 2:41; 4:4; 6:7). In de ogen van de joodse religieuze leiders waren Jezus’ joodse discipelen louter afvalligen. (Vergelijk Handelingen 13:45.) Deze woedende leiders waren van mening dat het christendom hun tradities teniet deed. Ja, het loochende zelfs de kijk die zij op heidenen hadden! Vanaf 36 G.T. konden heidenen christenen worden en zich in hetzelfde geloof en dezelfde voorrechten verheugen als joodse christenen. (Handelingen 10:34, 35).

Christelijke martelaars

Christelijke martelaars

Wegens hun hoge moraliteitsbeginselen en het vasthouden aan hun geloofsovertuiging op meerdere gebieden werden de Christenen in de Romeinse wereld niet geliefd. Hun afgescheiden van de wereld (Johannes 15:19) riep aversie op. Zij bekleedden dus geen politiek ambt en weigerden militaire dienst. Als gevolg hiervan „werden [zij] voorgesteld als mensen die dood waren voor de wereld, en onbruikbaar voor alle aangelegenheden van het leven”, aldus de geschiedschrijver August Neander. Geen deel van de wereld zijn, betekende ook de goddeloze wegen van de verdorven Romeinse wereld mijden. „De kleine Christengemeenschappen stoorden de pleziermakende heidense wereld met hun vroomheid en fatsoen”, legt de geschiedschrijver Will Durant uit (1 Petrus 4:3, 4). Door christenen te vervolgen en terecht te stellen, hebben de Romeinen misschien wel geprobeerd de kwellende stem van het geweten tot zwijgen te brengen.

De eerste-eeuwse christenen predikten het goede nieuws van Gods koninkrijk met onwankelbare ijver (Mattheüs 24:14). Omstreeks 60 G.T. kon Paulus zeggen dat het goede nieuws ’in heel de schepping die onder de hemel is, gepredikt’ was (Kolossenzen 1:23). Tegen het einde van de eerste eeuw hadden Jezus’ volgelingen discipelen gemaakt in het hele Romeinse Rijk — in Azië, Europa en Afrika! Zelfs sommige leden van „het huis van caesar” werden christenen (Filippenzen 4:22). Deze ijverige prediking wekte wrevel. Neander zegt: ’Het christendom maakte gestadig vorderingen onder mensen uit alle lagen van de bevolking en dreigde de staatsreligie ten val te brengen.’ U kan zich voorstellen hoe belangrijk het wel kon zijn om toch mensen te laten infiltreren om hen op andere gedachten te laten brengen.

Jezus’ volgelingen (of aanhangers van Christus) schonken Jehovah exclusieve toewijding (Mattheüs 4:8-10). Misschien bracht dit aspect van hun aanbidding hen meer dan wat anders in conflict met Rome. De Romeinen waren tolerant ten aanzien van andere religies, zolang hun aanhangers ook deelnamen aan de keizeraanbidding. De vroege christenen konden gewoon niet aan een dergelijke aanbidding deelnemen. Zij bezagen zich als personen die rekenschap verschuldigd waren aan een autoriteit die hoger was dan die van de Romeinse staat, namelijk Jehovah God (Handelingen 5:29). Als gevolg hiervan werd een christen, ook al was hij verder in alle opzichten nog een zodanig voorbeeldige burger, als een staatsvijand beschouwd.

Keizer Nero

Er was nog een reden waarom getrouwe christenen in de Romeinse wereld „voorwerpen van haat” werden: Gemene laster over hen werd grif geloofd, beschuldigingen waarvoor de joodse religieuze leiders in niet geringe mate verantwoordelijk waren (Handelingen 17:5-8). Omstreeks 60 of 61 G.T., toen Paulus in Rome op zijn berechting door keizer Nero wachtte, zeiden vooraanstaande joden over christenen: „Werkelijk, wat deze sekte aangaat, het is ons bekend dat ze overal tegenspraak ondervindt” (Handelingen 28:22). Nero zal beslist lasterlijke verhalen over hen gehoord hebben. In 64 G.T. koos hij, toen men hem voor de brand die Rome teisterde verantwoordelijk hield, naar verluidt de reeds alom belasterde christenen als zondebokken uit. Dit schijnt een golf van gewelddadige vervolging teweeggebracht te hebben, die ten doel had de christenen uit te roeien.[3]

De valse beschuldigingen die tegen de christenen werden ingebracht, kwamen vaak neer op een mengsel van regelrechte leugens en een verdraaiing van hun geloofsopvattingen. Omdat zij monotheïstisch waren en niet de keizer aanbaden, werden zij als atheïstisch bestempeld. Omdat sommige niet-christelijke gezinsleden hun christelijke familieleden tegenstonden, werden christenen ervan beschuldigd gezinnen te ontwrichten (Mattheüs 10:21). Zij werden voor kannibalen uitgemaakt, een beschuldiging die volgens sommige bronnen was gebaseerd op een verdraaiing van de woorden die Jezus tijdens het Avondmaal des Heren had geuit. (Mattheüs 26:26-28).

Tegen het eind van Nero’s regeerperiode werden de Christenen, onder de zwaarste sancties, zelfs dat van dood, vereist om offers aan de keizer en aan heidense goden aan te bieden. Na de dood van Nero hield de vervolging op, en de aanhangers van Jezus genoten van een tamelijke vrede tot Domitiaan, een keizer van vergelijkbare verdorvenheid als Nero regeerde

Verwoesting Tempel Jeruzalem

De verspreiding van de Joden, en de totale vernietiging van hun stad en tempel in 70 G.T, zijn de volgende gebeurtenissen van overweging in de rest van de eerste eeuw. De aantallen die onder Vespasian in het land verdwenen, en onder Titus in de stad, van 67-70 G.T. omkwamen door hongersnood, de interne facties, en het Romeinse zwaard, liepen op tot één miljoen drie honderd vijftig duizend vier honderd zestig, naast honderd duizend verkocht in de slavernij.[4]

Eusebius, de vader van geestelijke geschiedenis schrijft dat nadat Domitianus tegen velen zijn wreedheid had uitgeoefend, en onterecht had gedood waaronder geen klein aantal edele en belangrijke mensen in Rome, en, zonder oorzaak, die enorme aantallen eerbare mensen met ballingschap en de inbeslagneming van hun bezit heeft gestraft, zich vestigde als uitvoerig opvolger van Nero in zijn haat en vijandigheid aan God.[5] Hij volgde ook Nero in het tarten van hen. Hij beval dat zijn eigen standbeeld zou worden aanbeden als een god, herzag de wet van verraad, en omringde zich met spionnen en informanten om een tweede vervolging van de Christenen teweeg te brengen.

NYC - Metropolitan Museum of Art - Roman statu...

Roman statue of Artemis - NYC Metropolitan Museum of Art

Niettegenstaande de Romeinse keizers, Romeinse gevangenissen en Romeinse executies slaagde het christendom er in om toch een stille opmars te maken. In weinig meer dan zeventig jaar na de dood van Christus, had het dergelijke snelle vooruitgang geboekt in sommige plaatsen om de val van heidendom te bedreigen. Christenen haalden zich meer en meer de haat van heidense aanbidders op de hals. Zo was in het oude Efeze het vervaardigen van zilveren tempeltjes van de godin Artemis een winstgevend bedrijf. Maar toen Paulus daar predikte, reageerde een aanzienlijk aantal Efeziërs hier gunstig op en keerden zij de aanbidding van Artemis de rug toe. Nu hun handel werd bedreigd, veroorzaakten de zilversmeden een volksoploop (Handelingen 19:24-41). Iets overeenkomstigs deed zich voor nadat het christendom zich tot in Bithynië (nu Noordwest-Turkije) had uitgebreid. Niet lang nadat de christelijke Griekse Geschriften waren voltooid, berichtte de bestuurder van Bithynië, Plinius de Jongere, dat heidense tempels werden verlaten en de verkoop van voer voor offerdieren drastisch terugliep. De christenen kregen de schuld — en werden vervolgd — omdat in hun aanbidding geen plaats was voor dierlijke slachtoffers en afgoden (Hebreeën 10:1-9; 1 Johannes 5:21). Het is duidelijk dat de verbreiding van het christendom invloed uitoefende op bepaalde gevestigde belangen die met heidense aanbidding verband hielden, en degenen die als gevolg hiervan zowel handel als inkomsten kwijtraakten, waren hier gebelgd over.

Door de vooruitgang van christendom werden de tijdelijke belangen van een groot aantal personen ernstig beïnvloed. Dit was een vruchtbare en bittere bron van vervolging. Heidense tempels werden meer en meer verlaten, de verering van de goden werd veronachtzaamd, en de slachtoffers voor offers werden zelden gekocht. Dit hief natuurlijk een populaire schreeuw tegen het christendom op, zoals er zich voor deed in Efeze: „ons ambacht is in gevaar tot niets teruggebracht te worden, en dat de tempel van de grote godin Diana zal worden veracht.“ Een talloze menigte van priesters, beeldhouwers, handelaars, waarzeggers, voorspellers, en vakmannen, vonden een goed leven met betrekking tot de verering van zo vele goden. Al dezen, zagen hun ambacht in gevaar, stegen in verenigde sterkte tegen de Christenen, en zochten op elke manier om de vooruitgang van christendom tegen te houden. De sluwe priesters en listige zieners en waarzeggers overreedden in het algemeen, gemakkelijk de gewone mensen, en overtuigden de openbare mening dat alle rampen, oorlogen, stormen, en ziekten die mensheid troffen, op hen door de boze goden werden verzonden, omdat de Christenen die hun gezag verachtten overal werden getolereerd.[6] Zij vonden en verspreidden de meest gemene lasterpraatjes tegen alles wat christelijk was en legden veel en erge klachten voor tegen de Christenen vóór de gouverneurs. Dit was vooral zo in de Aziatische provincies waar het christendom het meest overwegend was.

De eerste Christenen trokken zich natuurlijk van paganisme terug, hielden hun bijeenkomsten in het geheim en werden een afzonderlijke en verschillende groep van mensen. Zij konden zo het aanhangen van polytheïsme enkel maar veroordelen daar het volkomen tegengesteld was aan het ware leven en ware God, en aan het evangelie van Zijn Zoon Jezus Christus. Dit gaf de Romeinen de idee dat de Christenen aan het menselijke ras vijandig waren, doordat zij zagen dat zij alle godsdiensten, buiten de hunne, veroordeelden. Vandaar dat zij„Atheïsten“ werden genoemd omdat zij niet geloofden in heidense goden, en heidense verering verafschuwden.[7] Maar die afzondering van die heidense bevolking leek niet altijd even gemakkelijk.


[2] „apostel“ betekent vooruitgezondene.

[3] In de maand Juli 64 G.T. brak een grote brand uit in het Circus, welke zich bleef uitspreiden tot het al oude grandeur van de keizerstad in ruïnes legde. De vlammen breidden zich met grote snelheid uit door de kracht van de wind en door de lange smalle straten van Rome stad, over de heuvels en valleien. De algemene vuurzee. verpakte in een korte tijd de gehele stad in één blad verterende vlammen.

[4] Dean Milman’s History of the Jews, vol. 2, book 16, page 380

[5] Roman History, Encyclopedia Britannica, vol. 19, page 406

[6] Mosheim’s Ecclesiastical History, vol. 1, page 67. Cave’s Primitive Christianity; early chapters

[7] De christelijke verering, in ware eenvoud, zonder de hulp van tempels en priesters, riten en ceremonies, wordt nu niet veel beter begrepen door het Christendom tegenover toen door het heidense Rome. Vandaag willen vele naamchristenen ook priesters in gewaden zien en diensten met offergaven, wierook en symbolen in tempels of speciale kerkgebouwen. In plaats van te beseffen dat God een Geest is, “en zij dat Hem vereren moeten Hem in geest en in waarheid aanbidden.“ (Johannes 4:24)

+

Aanverwante lectuur

Lees ook Zichtbaar houden van oudste kerken

Christen worden iets anders dan lid worden van een kerk.

1Korinthiërs 3:6-7 God die Wasdom geeft #2 Paulus en andere dienaars.

Heidense tempels & Kompromis met kerkvaders

Eerste Eeuw van het Christendom

Geschiedenis van het Christendom

1. De vroege dagen van het Christendom

1.1. Eerste Eeuw van het Christendom

Toen Jezus (Yeshua) op deze Wereld rond liep sprak hij over het Woord van God dat gegeven werd  aan de mensen door het geschrift in de Heilige Boeken. Tijdens zijn gehele dodelijk leven ter wereld, met inbegrip van de twee of drie jaar van zijn actief ministerie, leefde Christus als godsvruchtige Jood, zelf waarnemend, en aandringend op zijn aanhangers om ook de bevelen van de Wet waar te nemen (Mattheüs 23:3). Het algemene van het zijn onderwijs, zoals dat van zijn voorloper, was de benadering van het „Koninkrijk van God“,niet alleen betekenende dat de regel van oprechtheid in het individuele hart ligt (het „koninkrijk van God is binnen u“ – Lukas 17:21), maar ook in de Kerk (zoals duidelijk uit vele van de gelijkenissen) welke hij zou oprichten.[1]

Jarenlang hadden vele mensen die boekrollen bestudeerd. Jezus zijn discipelen, de apostelen schreven een verslag over het leven van Jezus en over de dingen die zij deden om Jezus bekend te maken in de wereld. Hun brieven werden gelezen door velen en heel wat aanhangers van Christus, die als beweging als de Israëlitische sektede Weg” bekend stond, bestudeerden die geschriften van deze apostels. Voor hen was de gehele geschiedenis van de Joden zoals die in het Oude Testament gedetailleerd wordt iets dat zij met volgende generaties moesten delen. Wanneer dit gelezen werd in het licht van andere gebeurtenissen moest het voor hen duidelijk een geleidelijke voorbereiding voor het prediken van Christendom zijn. De nieuwe godsdienst die in bestaan kwam na de dood van Jezus en na de dag van Pinksteren, in 29 G.T., werd eerst geheel beperkt tot de synagoge, en hun leden hadden nog een groot aandeel van Joodse exclusiviteit; de Wet lezend, besnijdenis uitoefenend, en aanbidding in de Tempel, evenals in de Opperkamer in Jeruzalem.

Lange tijd beschouwde het Christendom zich als deel van het Judaïsme. Apostelen waren als Jezus Joden en beschouwden zich nog als Joden. De aanhangers van Christus en degenen die studenten van het onderwijs van Jezus de Nazareen werden en gedoopt werden overwogen om deelgenoten te worden van één of andere communiën, van het lichaam van Christus. Zij hadden hun centrum in Jeruzalem[2] de stad die God aan Zijn mensen had beloofd.

In de eerste eeuw waren de discipelen betrekkelijk gering in aantal. Hun Leider, Jezus, was als een vermeende oproerling terechtgesteld. Aanvankelijk werden die aanhangers van de Jood Jezus nog aanschouwd als deel van de joodse religie die vast in het zadel zat en in Jeruzalem haar luisterrijke tempel had waar zij ook terecht konden.

Rabbijn Jezus leest voor uit de Thora

De eerste christelijke gemeente in de wereldgeschiedenis bestond uit natuurlijke joden en proselieten en werd in 33 G.T. in Jeruzalem opgericht. Met Pinksteren 33 G.T. bevonden zich in Jeruzalem ook joden uit Kappadocië en uit Pontus (Handelingen van de Apostelen2:9). Het kan zijn dat enkele van deze joden uit Pontus die Petrus’ toespraak hoorden, christenen werden en naar hun eigen gebied terugkeerden. Waarschijnlijk verbreidde het christendom zich tengevolge van de aanwezige Kappadociërs al vroeg naar Kappadocië, en werd Petrus zijn eerste brief aan hen en aan „de tijdelijke inwoners die verstrooid zijn in Pontus” en in andere streken van Klein-Azië gericht.(1Petrus 1:1).

In de eerste eeuw bestonden er overal in de omliggende heidense natiën joodse gemeenschappen. Die gemeenschappen hadden synagogen waar mensen geregeld bijeenkwamen om de Schrift te horen voorlezen en bespreken. Aldus waren vroege christenen in staat om voort te bouwen op de religieuze kennis die mensen reeds bezaten (Handelingen 8:28-36; 17:1, 2).

Geleidelijk aan verspreide het Goede Nieuws van het Koninkrijk van God zich en kwamen de volgelingen van Jezus Christus onder goddelijke leiding als christenen bekend te staan. Deze term werd voor het eerst in Syrisch Antiochië gebezigd, van waaruit Barnabas en Paulus, vergezeld van Johannes Markus, aan hun eerste zendingsreis begonnen. (Handelingen 11:26).

Ware christenen deden hun uiterste best om dit goede nieuws, dat een begrip omtrent het heilige geheim bevatte, in „heel de schepping die onder de hemel is” te prediken (1Korinthiërs 2:1; Efeziërs 6:19; Kolossenzen 1:23; 4:3, 4). De apostelen en de andere eerste christenen hebben in dit opzicht een duidelijk voorbeeld gegeven. In Handelingen 5:42 lezen wij over hun activiteit: „Zij bleven zonder ophouden elke dag in de tempel en van huis tot huis onderwijzen en het goede nieuws bekendmaken.”

Het boek over de Handelingen van de Apostelen laat zien dat saamhorigheid voor de eerste christenen een belangrijk deel van hun aanbidding vormde. Wij lezen daar: „En dag aan dag waren zij eensgezind voortdurend in de tempel aanwezig en braken eensgezind het brood van huis tot huis, hun vlees etend met eenheid van hart. En zij loofden God en stonden bij het gehele volk in de gunst, diegenen die gered waren hun vlees etende met vreugde en eensgezindheid van hart” (Handelingen 2:46, 47).

Ook de apostel Paulus vroeg aan de gelovigen eensgezind vast te houden aan het geloof. „Laten wij zonder wankelen vasthouden aan de openbare bekendmaking van onze hoop, want hij die beloofd heeft, is getrouw” (Hebreeën 10:23). Voor hem en de andere apostelen was het duidelijk dat deze openbare bekendmaking zich niet beperkte tot uitingen tijdens bijeenkomsten van de gemeente (Psalm 40:9, 10). Een profetisch gebod om buiten de gemeente, tot de natiën, te prediken, kan gevonden worden in de woorden van Psalm 96:2, 3, 7, 10: „Vertelt van dag tot dag het goede nieuws van de redding door hem. Maakt onder de natiën zijn heerlijkheid bekend, onder alle volken zijn wonderwerken. Geef aan Jahweh/Jehovah glorie en sterkte. Gij geslachten der volken, families van gemeenschappen, brengt Jahweh/Jehovah, glorie en lof. Brengt Adonai Jehovah de glorie welke Zijn Naam toekomt, breng een offer en treed zijn voorhoven binnen. Verkondigt het onder de volken: ’Jehovah zelf is koning geworden.’” En inderdaad gaf Jezus in Mattheüs 28:19, 20 en Handelingen 1:8 Christenen het gebod tot alle natiën te prediken.

Op deze openbare prediking doelt Paulus in zijn verdere woorden tot de gezalfde Hebreeuwse Christenen: „Laten wij door bemiddeling van hem God altijd een slachtoffer van lof brengen, namelijk de vrucht der lippen die zijn naam in het openbaar bekendmaken” (Hebreeën 13:15). Het boek Openbaring laat ons zien dat ook de „grote schare” die uit alle natiën is bijeengebracht, uit personen bestaat die met een luide stem uitroepen: „Redding hebben wij te danken aan onze God, die op de troon is gezeten, en aan het Lam” (Openbaring 7:9, 10).

Christus had met zijn discipelen vaak vergaderd om hun geestelijk onderricht te geven, en na zijn dood zetten zijn leerlingen deze traditie voort. Zijn volgelingen kwamen bijeen, zoals op de pinksterdag in 33 G.T., toen de heilige geest werd uitgestort op degenen die aldus bijeenwaren. (Handelingen der Apostelen 2:1-4). De eerste Christenen hielden er aan zich, meestal in kleine groepen, te verzamelen en regelmatig ofwel in elkaars huis of in de synagoge samen te komen om het Woord van God te bestuderen. Het was voor de eerste joodse christenen niet moeilijk ordelijke, leerzame Bijbelstudiebijeenkomsten te houden, want het grondpatroon hadden zij in de synagogen waarmee zij vertrouwd waren. De fundamentele kenmerken van de in de synagoge geleide diensten werden door de christenen overgenomen voor hun samenkomsten, waar men de Schriften voorlas en uitlegde, elkaar aanmoedigde, bad en God loofde. (1 Korintiërs 14:26-33, 40; Kolossenzen 4:16). Soms was „een aanzienlijke schare” op hun bijeenkomsten aanwezig (Handelingen 11:26).

Zoals in de joodse synagoge was er in de christelijke gemeente ook geen afzonderlijk priesterschap noch een geestelijke die vrijwel alleen aan het woord was. In de synagoge stond het iedere vrome jood vrij een aandeel aan het voorlezen en uitleggen te hebben. Zo ook in de christelijke gemeente werd er verwacht van iedereen dat deze zijn steentje bijdroeg en moesten allen een openbare bekendmaking doen en elkaar tot liefde en voortreffelijke werken aansporen, maar dit moest op ordelijke wijze geschieden (Hebreeën 10:23-25). In de joodse synagoge onderwezen de vrouwen niet en oefenden zij geen autoriteit over mannen uit; op de christelijke vergadering deden zij dat evenmin. Eén Korintiërs hoofdstuk 14 bevat instructies voor de bijeenkomsten van de christelijke gemeente, en er blijkt duidelijk zeer veel overeenkomst te zijn met de gang van zaken in de synagoge. (1 Korintiërs 14:31-35; 1Timotheus 2:11, 12).

Evenals er in de vroege Kerk op het gebied van de verantwoordelijkheid om het evangelie op alle mogelijke manieren te verbreiden, geen onderscheid bestond tussen volle-tijdbedienaren en leken, was er in dit opzicht ook geen onderscheid tussen de seksen. Het stond onomstotelijk vast dat elke Christen was geroepen om een getuige van Christus te zijn, niet alleen door middel van zijn levenswijze, maar ook met zijn lippen. Iedereen moest een apologeet of verdediger van het geloof zijn, op zijn minst in die mate dat hij bereid was een goede uiteenzetting te geven van de hoop die hij bezat. En dit gold zeer nadrukkelijk ook voor vrouwen. Zij hadden een heel groot aandeel aan de bevordering van het christendom.

Verslagen van de vroege kerk vormen het bewijs dat zij de evangelieprediking niet alleen ernstig maar ook letterlijk opvatten. Zelfs de eenvoudigste leden waren boodschappers die de waarheid verbreidden.

De geschiedenis toont aan hoe de eerste christenen, ofschoon zij eerbiedige, ordelievende burgers waren, vastbesloten waren „geen deel van de wereld” te zijn maar toch door te zetten in hun predikingwerk, ook al bracht dit hevige vervolging over hen.

Het christendom groeide van binnenuit op een natuurlijke wijze door de sereniteit van toegewijde aanhangers van Jezus Christus. Het trok mensen aan door haar eigenlijke aanwezigheid en door de rust en vrede welke die Jezus’ volgelingen uitstraalden. Terwijl er geen professionele missionarissen waren die hun geheel leven wijden aan dit specifieke werk, was elke congregatie een missionaire maatschappij, en elke Christelijke gelovige missionaris, ontstoken door de liefde van Christus om zijn medemensen te bekeren. Het voorbeeld werd geplaatst door Jeruzalem en Antiochië, en door die broeders die, na het martelaarschap van Stefanus, „in het buitenland verspreid waren en over gingen tot het prediken van het Woord.“ (Handelingen 8:4; 11:19). Volders, en arbeiders in wol en leer, rustige en onwetende personen, waren de meest ijverige verbreiders van het Christendom, en brachten het eerst tot vrouwen en kinderen. [3] De vrouwen en de slaven introduceerden het in de huiskring. Het was de glorie van het evangelie dat aan de armen en door de armen werd gepredikt om hen rijk te maken. Origenus deelt ons mee dat de stadskerken hun missionarissen naar de dorpen stuurden. Elke Christen vertelde zijn buur, arbeider aan zijn medewerker, de slaaf aan zijn medeslaaf, de bediende aan zijn meester en bazin.

Het evangelie werd voornamelijk verspreid door de wijze van leven, het prediken en door persoonlijke betrekkingen; in belangrijke mate ook door Heilige Schrift, welke reeds vroeg werd verspreid en vertaald in diverse ‘tongen’, het Latijn (Noord Afrika en Italië), Syrisch (Curetoniaans en Peshito), en het Egyptisch (in drie dialecten, Memphitisch, Thebaisch, en Bashmurisch). De communicatie onder de verschillende delen van het Romeinse imperium van Damascus tot Groot-Brittannië was betrekkelijk gemakkelijk en veilig. De wegen die voor handel en voor de Romeinse legioenen gebouwd werden, dienden ook voor de boodschappers van vrede en de stille veroveringen van de Christenheid. De handel zelf op dat ogenblik, evenals nu, was een krachtig agentschap in het uitdragen van het evangelie en het verspreiden van de zaden van Christelijke beschaving tot in de verste delen van het Romeinse Rijk.

Hoewel verschillende caesars als tirannen regeerden, maakten de wetten in de eerste eeuw het gewoonlijk mogelijk ’het goede nieuws te verdedigen en wettelijk te bevestigen’. (Filippenzen 1:7).


[1] Origin of Christianity and its relation with other religions, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[2] Irenæus, “Adversus Hæreses, i. 26

[3] Celsus

+++

Gerelateerde artikels
  • In het begin van de geloofsgemeenschap gaven de volgelingen van Jezus zichzelf de naam van Nazarener-Netzerim-Natzraya. De talmoed verwijst enkele keren naar hen. dat zij als sekte aanschouwd werden valt op te maken aan het Twelth gebed dat door Gamiliel II was toegevoegd aan de Amidahn tegen de Sectairen, de Sekte van de Nazareners-Netzerim-Natzraya. In de talmoed zijn de vroege Messiaanse gelovigen Saduceeën genaamd en soms Essenen of zelfs Netzerim-Natzraya. Rashi maakte er werk van om de titel Netzerim-Natzraya te herstellen daar waar deze was verwijderd, volgens  What Were The Early Believers Called: HaDerech (The Way), The Natzari Sect, Netzerim-Natzraya, Jessaeans, Essene’s, Saducee’s, Christians or Nasaraeans? What Is There Place In Middle Judiasm? (paradoxparables.wordpress.com) waar men ook geschriften aanhaalt waar men meld dat de Nazareners essentieel niet verschilden van de Orthodoxe Joden, aangezien zij de gewoonten, gebruiken en doctrine beoefenden die door de Joodse Wet werden voorgeschreven; behalve dat zij in Christus geloofden. (Epiphanius, “Tegen Ketterijen,” Panarion 29 7 pp 41, 402)
    Zij geloofden in de herrijzenis van de doden en dat het heelal door God werd gecreëerd. Zij predikten dat God één is en dat Jezus Christus zijn zoon was. Zij waren geschoold in de Hebreeuws taal en lazen de Wet (die de Wet van Mozes of Mozaïsche Wet betekent). Vreemd genoeg wordt er dan een onderscheid gemaakt tussen ander Christus volgelingen of Christenen die zich niet hielden aan de Joodse riten, waarmee eigenlijk bedoeld werd op de nieuwe Christenen of gedoopte heidenen. “Daarom verschillen zij…van de ware christenen omdat zij tot nu [zo] Joodse riten als de besnijdenis volbrengen, sabbat en anderen”. (Epiphanius, “Tegen Ketterijen,” Panarion 29 7 pp 41, 402)
  • Ook Earliest (pre-Christian) Nazarenes: Pliny the Elder’s evidence en Earliest Nazarenes: Evidence of Epiphanius gaan in op de benaming van de volgelingen van de Jood Jezus Christus uit Nazareth welke daarom ook wel de Nazareners of Nazoreans (“Panarion 29″ by Epiphanius) werden genoemd. Maar zij werden voor een korte tijd eveneens aangeduid met de benaming “Jessaeans” voor zij in Antiochië als Christenen werden vernoemd. Ook vandaag vinden wij nog de niet-trinitarische Christelijke denominatie ‘Vrienden van de Nazareen’ of “Nazarene Friends”

    “While treating the name of the sect, we may deal here with a short notice by Pliny the Elder which has caused some confusion among scholars. In his Historia Naturalis, Book V, he says: We must now speak of the interior of Syria. Cœle Syria has the town of Apamea, divided by the river Marsyas from the Tetrarchy of the Nazerini; Bambyx, the other name of which is Hierapolis, but by the Syrians called Mabog. This was written before 77 A.D., when the work was dedicated to Titus. The similarity of the name with the Nazerini has led many to conclude, erroneously, that this is an early (perhaps the earliest) witness to Christians  (or Nazarenes) by a pagan writer. Other than this, be it noted, there is no pagan notice of Nazarenes.”
    “… Can Pliny’s Nazerini be early Christians? The answer depends very much on the identification of his sources, and on this basis the answer must be an unequivocal No. It is generally acknowledged that Pliny drew heavily on official records and most likely on those drawn up by Marcus Agrippa (d. 12 B.C.). Jones has shown that this survey was accomplished between 30 and 20 B.C. Any connection between the Nazerini and the Nazarini must, therefore, be ruled out, and we must not attempt to line this up with Epiphanius’ Nazoraioi. One may, however, be allowed to see the Nazerini as the ancestors of today’s Nusairi, the inhabitants of the ethnic region captured some seven centuries later by the Moslems. …” (Neil Godfrey)
    “… everyone called the Christians Nazoraeans, as they say in accusing the apostle Paul, “We have found this man a pestilent fellow and a perverter of the people, a ring-leader of the sect of the Nazoraeans.”  And the holy apostle did not disclaim the name – not to profess the Nazoraean sect, but he was glad to own the name his adversaries’ malice had applied to him for Christ’s sake. For he says in court, “They neither found me in the temple disputing with any man, neither raising up the people, nor have I done any of those things whereof they accuse me. But this I confess unto thee, that after the way which they call heresy, so worship I, believing all things in the Law and the prophets .””

Tag Cloud

The Eccentric Fundamentalist

Musings on theology, apologetics, practical Christianity and God's grace in salvation through Jesus Christ

John 20:21

"As the Father has sent me, so I am sending you."

The Biblical Review

Reviewing Publications, History, and Scripture

Words on the Word

Blog by Abram K-J

Bybelverskille

Hier bestudeer ons die redes vir die verskille in Bybelvertalings.

Michael Bradley - Time Traveler

The official website of Michael Bradley - Author of novels, short stories and poetry involving the past, future, and what may have been.

BIBLE Students DAILY

"Be faithful unto death, and I will give you the crown of life." Revelation 2:10

God's Simple Kindness

A place to share your daily blessings

takeaminutedotnet

All the Glory to God

Religieus Redeneren

Gedachten en berichten over hedendaags (on)geloof

Jesse A. Kelley

A topnotch WordPress.com site

JWUpdate

JW Current Apostate Status and Final Temple Judgment - Web Witnessing Record; The Bethel Apostasy is Prophecy

Sophia's Pockets

Wisdom Withouth Walls

ConquerorShots

Spiritual Shots to Fuel the Conqueror Lifestyle

Examining Watchtower Doctrine

Truth Behind the "Truth"

Theological NoteBook

Dabbling into Theology

sowers seed

be careful 'how you hear'

Next Comes Africa

If I take the wings of the morning, and dwell in the uttermost parts of the sea; Even there shall thy hand lead me, and thy right hand shall hold me - Psalm 139: 9,10

friarmusings

the musings of a Franciscan friar...

%d bloggers like this: