An other Christian WordPress.com site – Een andere Christelijke WordPress.com site

Posts tagged ‘3° Eeuw’

Verkiezing van Matthias

Betrayal, Great Shelford

Het veraad door Judas. – Betrayal, Great Shelford (Photo credit: TheRevSteve)

Judas Iskariot, de zoon van Simon en de beruchte apostel die Jezus verraden heeft. De bijbel verschaft weinig rechtstreekse inlichtingen over de familie en de achtergrond van Judas. Zowel hij als zijn vader werden Iskariot genoemd (Lu 6:16; Jo 6:71). Over het algemeen wordt aangenomen dat zij — gezien deze naam — uit de Judese stad Kerioth-Hezron afkomstig waren. Als dit zo is, dan was Judas onder de twaalf apostelen de enige Judeeër, terwijl alle anderen Galileeërs waren.

Judas wordt enige tijd na het Pascha in 31 G.T., ongeveer anderhalf jaar nadat Jezus met zijn bediening was begonnen, voor het eerst in de door de evangelieverslagen verschafte opsomming van de apostelen genoemd (Mr 3:19; Lu 6:16). Men mag logischerwijs aannemen dat Judas reeds enige tijd een discipel was voordat Jezus hem tot apostel aanstelde. Veel schrijvers schetsen een volledig negatief beeld van Judas, maar kennelijk was hij een tijdlang een discipel die in de ogen van God en van Jezus gunst had gevonden; alleen al zijn verkiezing als apostel getuigt hiervan. Bovendien werd hem het beheer van de gemeenschappelijke financiën van Jezus en de twaalf toevertrouwd. Hierdoor wordt te kennen gegeven dat hij destijds betrouwbaar en bekwaam was, want ofschoon Mattheüs ervaring op het gebied van geld en cijfers had, kreeg hij die toewijzing niet (Jo 12:6; Mt 10:3). Toch werd hij in- en inverdorven, waarvoor geen enkele verontschuldiging aan te voeren is. Ongetwijfeld om die reden wordt hij in de opsomming van de apostelen als laatste genoemd en als de Judas aangeduid „die hem later verraden heeft” en „die een verrader werd”. — Mt 10:4; Lu 6:16.

– it-1 blz. 1361-1365 – Inzicht, Deel 1

English: Saint Matthias, who replaced Judas Is...

Afbeelding van de Heilige Matthias, die ter vervanging van Judas Iskariot als apostel werd verkozen (Photo credit: Wikipedia)

***

Markus 3:16-19:

16 Tot de [groep van] twaalf nu die hij vormde, behoorden Si̱mon, die hij tevens de bijnaam Pe̱trus gaf,+ 17 en Jako̱bus, de [zoon] van Zebede̱üs, en Joha̱nnes, de broer van Jako̱bus+ (aan hen gaf hij ook de bijnaam Boane̱rges,* hetgeen Zonen van de donder betekent), 18 en Andre̱as en Fili̱ppus en Bartholome̱üs en Matthe̱üs en Tho̱mas en Jako̱bus, de [zoon] van Alfe̱üs, en Thadde̱üs en Si̱mon de Kananeeër 19 en Ju̱das Iska̱riot, die hem later verraden heeft.+

En hij ging een huis binnen.

Lukas 6:12-16: 12 In de loop van die dagen ging hij de berg op om te bidden,+ en hij bracht de gehele nacht door in gebed tot God.+ 13 Toen het echter dag werd, riep hij zijn discipelen bij zich en koos er twaalf van hen uit, aan wie hij tevens de naam „apostelen” gaf:+ 14 Si̱mon, aan wie hij ook de naam Pe̱trus gaf,+ en zijn broer Andre̱as, en Jako̱bus en Joha̱nnes,+ en Fili̱ppus+ en Bartholome̱üs, 15 en Matthe̱üs en Tho̱mas,+ en Jako̱bus, [de zoon] van Alfe̱üs, en Si̱mon, die „de ijveraar”* wordt genoemd,+ 16 en Ju̱das, [de zoon] van Jako̱bus, en Ju̱das Iska̱riot, die een verrader werd.+

Mattheüs 10:2-4:

  2 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen:+ Als eerste, Si̱mon, die Pe̱trus* wordt genoemd,+ en zijn broer Andre̱as;+ en Jako̱bus, de [zoon] van Zebede̱üs,+ en zijn broer Joha̱nnes; 3 Fili̱ppus en Bartholome̱üs;*+ Tho̱mas+ en Matthe̱üs*+ de belastinginner; Jako̱bus, de [zoon] van Alfe̱üs,+ en Thadde̱üs;* 4 Si̱mon de Kananeeër+ en Ju̱das Iska̱riot, die hem later verraden heeft.+

Johannes 12:6;

6 Dit zei hij echter niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was+ en de geldkist had+ en gewoon was het daarin gestorte geld weg te nemen.

Handelingen van de apostelen 1: 15- 26

15 In die dagen nu stond Pe̱trus te midden van de broeders op en zei (er was een schare van ongeveer honderd twintig personen bijeen*): 16 „Mannen, broeders, het schriftwoord moest vervuld worden+ dat de heilige geest+ bij monde van Da̱vid tevoren gesproken heeft over Ju̱das,+ die een gids is geworden van hen die Jezus gevangennamen,+ 17 want hij werd tot de onzen gerekend+ en kreeg een aandeel aan deze bediening.+ 18 (Deze nu heeft met het loon voor onrechtvaardigheid+ een veld gekocht,+ en met het hoofd voorover neergestort,*+ is hij met veel geluid midden opengebarsten, en al zijn ingewanden werden uitgestort. 19 Het werd ook bekend aan alle inwoners van Jeru̱zalem, zodat dat veld in hun taal Akeldama, dat wil zeggen Bloedveld, werd genoemd.) 20 Want er staat geschreven in het boek der Psalmen: ’Zijn verblijfplaats worde woest en er zij geen bewoner in’,+ en: ’Iemand anders neme zijn ambt van opzicht.’*+ 21 Daarom is het noodzakelijk dat van de mannen die met ons samenkwamen gedurende al de tijd dat de Heer Jezus onder ons in- en uitging,*+ 22 te beginnen bij zijn doop door Joha̱nnes+ en tot de dag waarop hij van ons werd opgenomen,+ een van deze mannen met ons een getuige wordt van zijn opstanding.”+

23 Derhalve stelden zij er twee voor zich: Jo̱zef, [ook] Ba̱rsabbas geheten, die de bijnaam Ju̱stus droeg, en Matthi̱as. 24 En zij baden en zeiden: „Gij, o Jehovah,* die het hart van allen kent,+ wijs degene aan die gij van deze twee hebt uitgekozen 25 om de plaats in te nemen van deze bediening en dit apostelschap,+ waarvan Ju̱das is afgeweken om naar zijn eigen plaats te gaan.” 26 Toen wierpen zij het lot+ over hen, en het lot viel op Matthi̱as; en hij werd met de elf+ apostelen gerekend.

(Nieuwe Wereld Vertaling)

***

*

 

Verzen 23-26

(Matthi̱as) [waarschijnlijk een verkorte vorm van het Hebr. Mattithjah, wat „Geschenk van Jehovah” betekent].

De discipel die door het lot werd aangewezen om Judas Iskariot als apostel te vervangen. Na Jezus’ hemelvaart vestigde Petrus er de aandacht op dat de psalmist David niet alleen Judas’ ontrouw had voorzegd (Ps 41:9), maar dat David ook geschreven had (Ps 109:8): „Iemand anders neme zijn ambt van opzicht”, en deed de ongeveer 120 bijeengekomen discipelen daarom het voorstel de opengevallen plaats door iemand anders te laten innemen. Jozef Barsabbas en Matthias werden ter verkiezing voorgedragen; na een gebed werd het lot geworpen, en Matthias werd gekozen. Aangezien dit slechts een paar dagen vóór de uitstorting van de heilige geest gebeurde, is dit het laatste in de bijbel opgetekende voorval waarbij men zich van het lot bediende om Jehovah’s beslissing in een aangelegenheid te weten te komen. — Han 1:15-26.

Volgens Petrus’ woorden (Han 1:21, 22) was Matthias gedurende de drie en een half jaar van Jezus’ bediening een volgeling van Christus geweest, was hij nauw verbonden geweest met de apostelen en behoorde hij zeer waarschijnlijk tot de zeventig discipelen of evangelisten die Jezus had uitgezonden om te prediken (Lu 10:1). Nadat hij was gekozen, werd hij door de gemeente „met de elf apostelen gerekend” (Han 1:26), en wanneer in het boek Handelingen onmiddellijk daarna sprake is van „de apostelen” of „de twaalf”, was Matthias daarbij inbegrepen. — Han 2:37, 43; 4:33, 36; 5:12, 29; 6:2, 6; 8:1, 14; 9:27; zie Paulus.

– it-2 blz. 274

+

Er bestaat geen reden eraan te twijfelen dat Matthias door God zelf werd uitgekozen. Het is waar dat Paulus na zijn bekering een zeer vooraanstaande plaats innam en veel meer arbeidde dan alle andere apostelen (1Kor 15:9, 10). Niets duidt er echter op dat Paulus persoonlijk voor het apostelschap voorbestemd was, zodat God het gebed van de bijeengekomen christenen in feite niet had verhoord, de onbezette post van Judas tot de bekering van Paulus had opengelaten en zo de aanstelling van Matthias tot louter een eigenmachtig optreden van de bijeengekomen christenen maakte. Integendeel, er zijn deugdelijke bewijzen dat Matthias door God als vervanger werd aangesteld.

Met Pinksteren kregen de apostelen door de uitstorting van de heilige geest unieke krachten; zij zijn de enigen van wie wordt gezegd dat zij pasgedoopte personen de handen konden opleggen en wonderbaarlijke gaven van de geest op hen konden overdragen. (Zie Apostel [De macht om wonderen te verrichten].) Als Matthias in werkelijkheid niet Gods keus was geweest, zou iedereen hebben gemerkt dat hij dat vermogen niet bezat. Het verslag laat echter het tegendeel zien. Lukas, de schrijver van Handelingen, was tijdens bepaalde etappen van Paulus’ zendingsactiviteit zijn reisgezel en medewerker, en het boek Handelingen weerspiegelt derhalve ongetwijfeld Paulus’ eigen kijk op de zaak en stemt daarmee overeen. Dat boek zegt dat „de twaalf” de zeven mannen aanstelden die het probleem in verband met de voedselverdeling moesten oplossen. Dit was na Pinksteren in 33 G.T., maar vóór Paulus’ bekering. Matthias wordt hier derhalve erkend als een van „de twaalf”, en samen met de andere apostelen legde hij de zeven uitgekozen mannen de handen op. — Han 6:1-6.

– it-2 blz. 577-583

+

Matthias was niet louter een apostel van de gemeente Jeruzalem, net zomin als de overige elf apostelen dat waren. Zijn geval ligt anders dan dat van de leviet Jozef Barnabas, die een apostel van de gemeente Antiochië (Syrië) werd (Han 13:1-4; 14:4, 14; 1Kor 9:4-6). Ook andere mannen worden „apostelen van gemeenten” genoemd in de zin dat zij als vertegenwoordigers van zulke gemeenten werden uitgezonden (2Kor 8:23). En in zijn brief aan de Filippenzen spreekt Paulus over Epafroditus als „uw afgezant [a·po′sto·lon] en persoonlijke dienaar om in mijn behoeften te voorzien” (Fil 2:25). Het is duidelijk dat deze mannen het apostelambt niet op grond van de een of andere apostolische successie bekleedden, en ook behoorden zij niet tot „de twaalf”, zoals Matthias.

– it-1 blz. 132-136

v 23: Jehovah: „Jehovah”; Hebr.: יהוה (JHWH of JHVH)

Er zijn bewijzen voor dat Jezus’ discipelen in hun geschriften het Tetragrammaton hebben gebruikt. Hiëronymus schreef in de 4de eeuw in zijn werk De viris inlustribus [Over beroemde mannen], hoofdstuk III, het volgende: „Mattheüs, die ook Levi is, en die van belastinginner apostel werd, stelde allereerst in Judea een Evangelie van Christus op in de Hebreeuwse taal en lettertekens ten behoeve van de besnedenen die gelovigen waren geworden. Wie het daarna in het Grieks heeft vertaald, staat niet voldoende vast. Bovendien is de Hebreeuwse [tekst] zelf tot op de huidige dag in de bibliotheek te Cesarea bewaard gebleven, die door de martelaar Pamphilus zo naarstig is bijeengebracht. Ook werd mij door de Nazarenen, die dit boekdeel in de Syrische stad Berea gebruiken, toestemming verleend om het over te schrijven.” (Vertaling uit de Latijnse tekst onder redactie van E. C. Richardson en uitgegeven in de serie „Texte und Untersuchungen zur Geschichte der altchristlichen Literatur”, Deel 14, Leipzig 1896, blz. 8, 9.)

Mattheüs deed meer dan honderd aanhalingen uit de geïnspireerde Hebreeuwse Geschriften. Op de plaatsen waar in deze aanhalingen de goddelijke naam stond, zal hij genoodzaakt zijn geweest getrouw het Tetragrammaton in zijn Hebreeuwse evangelieverslag op te nemen. Toen het Evangelie van Mattheüs in het Grieks werd vertaald, bleef het Tetragrammaton overeenkomstig het gebruik van die tijd onvertaald in de Griekse tekst staan.

Niet alleen Mattheüs maar alle schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften haalden verzen uit de Hebreeuwse tekst of uit de Septuaginta aan waarin de goddelijke naam voorkomt. In Petrus’ toespraak in Han 3:22 bijvoorbeeld wordt een aanhaling gedaan uit De 18:15, waar het Tetragrammaton in een papyrusfragment van de Septuaginta uit de 1ste eeuw v.G.T. voorkomt. (Zie App. 1C [1].) Als volgeling van Christus gebruikte Petrus Gods naam, Jehovah. Toen Petrus’ toespraak op schrift werd gesteld, werd zoals dat in de 1ste eeuw v.G.T. en de 1ste eeuw G.T. de gewoonte was, het Tetragrammaton op die plaats gebruikt.

Ergens tijdens de 2de of 3de eeuw G.T. verwijderden de afschrijvers het Tetragrammaton zowel uit de Septuaginta als uit de christelijke Griekse Geschriften en vervingen het door Ku′ri·os, „Heer”, of The′os, „God”.

v 24: die het hart van allen kent: (1 Samuël 16:7):7 Maar Jehovah zei tot Sa̱muël: „Kijk niet naar zijn uiterlijk en naar zijn rijzige gestalte,+ want ik heb hem verworpen. Want [God ziet*] niet zoals de mens ziet,+ want de méns ziet datgene wat zichtbaar is voor de ogen;*+ maar wat Jehovah aangaat, hij ziet hoe het hart+ is.”*

(1 Kronieken 28:9): 9 En gij, mijn zoon Sa̱lomo, ken+ de God van uw vader en dien+ hem met een onverdeeld hart+ en met een bereidwillige ziel;+ want Jehovah doorzoekt alle harten,+ en elke neiging van de gedachten onderscheidt hij.+ Indien gij hem zoekt, zal hij zich door u laten vinden;+ maar indien gij hem verlaat,+ zal hij u voor eeuwig verstoten.+

(Jeremia 11:20)20 Maar Jehovah der legerscharen oordeelt met rechtvaardigheid;+ hij onderzoekt de nieren* en het hart.+ O moge ik uw wraak op hen zien, want aan u heb ik mijn rechtsgeding onthuld.+
(Handelingen 15:8): 8 en God, die het hart kent,+ heeft getuigenis afgelegd door hun de heilige geest te geven,+ evenals hij die ook aan ons heeft gegeven.
v 25: apostelschap: (Johannes 6:70): 70 Jezus antwoordde hun: „Heb ik niet U twaalf uitgekozen?+ Toch is een van U een lasteraar.”*+

(Lukas 6:13): 13 Toen het echter dag werd, riep hij zijn discipelen bij zich en koos er twaalf van hen uit, aan wie hij tevens de naam „apostelen” gaf:+

(Johannes 15:16): 16 GIJ hebt mij niet uitgekozen, maar ik heb U uitgekozen, en ik heb U gesteld opdat GIJ zoudt heengaan en vrucht zoudt blijven dragen+ en dat UW vrucht zou blijven, opdat wat GIJ de Vader ook vraagt in mijn naam, hij het U zou geven.+

v 26: Toen wierpen zij het lot: (Spreuken 16:33) 33 In de schoot wordt het lot neergeworpen,+ maar elke beslissing daardoor is van Jehovah afkomstig.+

+

Vergelijk:

The Acts Of The Sent Ones Chapter 1

Hebraic Roots Bible Book of The Acts of the Apostles Chapter 1

Nazarene Acts of the Apostles Chapter 1 v23-26 Choice of Matthias

Afrikaans: Matti′as is gekies als een van “die twaalf”

Deutsch: Da warfen sie Lose und das Los fiel auf Matthias

English: Election of the Apostle Matthias

++

Lees ook:

  1. Aleph als beginletter voor titels van God
  2. God over zijn Naam יהוה
  3. Belangrijkheid van Gods Naam
  4. Een Naam voor een God #6 Hoeveel Lettergrepen: YaHuWah, Yahweh, Jahwe of Jehovah
  5. Een Naam voor een God #7 Jahwe(h) niet Hebreeuws: YaHuWah, Yahweh, Jahwe of Jehovah
  6. Een Naam voor een God #8 Vergeten of weigeren: YaHuWah, Yahweh, Jahwe of Jehovah
  7. Een Naam voor een God #9 Vals geloof gevoed door vrees: YaHuWah, Yahweh, Jahwe of Jehovah
  8. Positie en macht
  9. Zalving van Christus als profetische repetitie van de begrafenisrituelen
  10. apostel die Judas verving: bt 19; it-1 134-135; it-2 274, 582-583; w93 1/8 31; w90 1/6 11
  11. een van „de twaalf” (1Kor 15:5): it-1 134-135; w93 1/8 31; w88 15/1 30
  12. naam op fundamentsteen van Nieuwe Jeruzalem: it-1 135; it-2 583

+++

Related articles
  • The Holy Spirit-Empowered Apostles (yourgodmoments.wordpress.com)
    It is here that Jesus completes His gospels through the Holy Spirit by filling His disciples hearts with the remainder of the knowledge that He wants all of God’s children to know in order to pursue a path of righteousness and a life filled with God moments…
    +
    This ‘church’ gathered to pray, and then the apostle Peter addressed the gathering. He told them that Judas Iscariot’s betrayal of Jesus was a fulfilled prophecy, (Ps. 69:25), and that there was also written prophecy that mandated that the vacancy left by the death of Judas’ be filled by the appointment of a new apostle from the church. (Ps. 109:8)
  • Commemoration of the Apostle Matthias, Martyred in Colchis, and Apostolic Succession (georgianorthodoxchurch.wordpress.com)
    The elevation of Matthias from the Seventy to the Twelve Apostles is interesting, as it is one of the first written accounts of Apostolic Succession,.
    +
    Orthodox Christians believe in Apostolic Succession; tracing a direct line of apostolic ordination, Orthodox doctrine, and full communion of Orthodox jurisdictions from the Twelve Apostles to the current Episcopacy of the Orthodox Church. All three elements are integral to apostolic succession. It is through apostolic succession that the Church is the direct spiritual successor to the original body of believers in Christ as the Son of God, composed of the Apostles. This succession manifests itself through the unbroken succession of its bishops back to the Apostles.
  • Intro to the Book of Acts and the choosing of Judas’ replacement (sundayschoolbiblestudy.wordpress.com)
    Peter feels called to stand up and make the case that they now should allow God to choose a successor to Judas Iscariot. Notice that this is the first time in the Bible that we see Peter quote Scripture. He is now relying on the Word of God to steer him through ministry just like Jesus had demonstrated through His earthly ministry and had taught them to do.
  • Wait Upon The Lord (rootstothestream.net)
    21 Therefore it is necessary to choose one of the men who have been with us the whole time the Lord Jesus was living among us, 22 beginning from Johns baptism to the time when Jesus was taken up from us. For one of these must become a witness with us of his resurrection.
    +
    I need to remember that without the direction of the Lord my actions are simply that, my own actions, and not directed (or blessed) by Christ. It is when with grace given patience that I wait upon the direction of the Lord that His will is truly done. Consider if there are any aspects of your life that may be best served with simply waiting on the direction of the Lord.
  • Acts 1 (sisterspray4me.com)
    23 So they nominated two men: Joseph called Barsabbas (also known as Justus) and Matthias. 24 Then they all prayed, “O Lord, you know every heart. Show us which of these men you have chosen 25 as an apostle to replace Judas in this ministry, for he has deserted us and gone where he belongs.” 26 Then they cast lots, and Matthias was selected to become an apostle with the other eleven.
  • Lying to the Holy Spirit and the Apostles on Trial (Round 2) (sundayschoolbiblestudy.wordpress.com)
    God, who knows the heart, showed that he accepted them by giving the Holy Spirit to them, just as he did to us.
    Even better, God’s Holy Spirit intercedes for us.
  • The End of Judas Iscariot (defenderoftruthblog.wordpress.com)
    We see in the tragic end of Judas plain proof of our Lord’s innocence from every charge against Him. In verse 4, Judas declared that he had betrayed “innocent blood.” If there was any living witness who could give evidence against Jesus Christ, Judas was the one. A chosen apostle of Jesus, a constant companion of His followers, and a disciple of all His teachings, both in public and in private, Judas would have known if Christ had done any wrong, either in word or in deed. And as a deserter and betrayer, it would have been in Judas’s own interest to prove Jesus guilty because it would, to some extent, excuse his own conduct if he could show that his Master was an offender or an impostor.
    +
    We see in the unhappy end of Judas how little comfort ungodliness brings to a man at last. In verse 5, we are told that he cast down in the temple the thirty pieces of silver for which he had sold his Master and went away in remorse. That money was dearly earned, at the price of his soul, but it brought him no pleasure even when he had it, let alone when the end came. Moses had learned that the pleasures of sin are but “for a season” (Hebrews 11:25).
    +
    An apostle of Christ, a preacher of the gospel, and a companion of Peter and John, Judas committed suicide and rushed into God’s presence unprepared. Truly, “For everyone that hath shall be given, and he shall have in abundance; but from him that hath not shall be taken away even that which he hath” (Matthew 25:29-30).
  • Monday, August 12 (illustrationstoencourage.wordpress.com)
    Judas received 30 pieces of silver—the price of a slave! Judas never spent his ill-gotten sum, for he threw the money into the temple and went off and committed suicide.—Matt. 26:14-16; 27:3-10.
  • Day 76- don’t be such a Judas! (baldvicar.wordpress.com)
    when we use the word ‘Judas’ to describe someone betraying us, do we have a clue what it means? These are just some of the ideas I have in my head about Judas…
  • Judas: The Last Supper (utbobdylan.wordpress.com)
    Judas I guess was jealous so he betrayed Jesus for some silver.

Politiek en macht eerste prioriteit #2 Arianisme, Nestorianisme en Monofysitisme

De vroege dagen van het Christendom

2.2. Politiek en macht de eerste prioriteit

2.2.2. Politiek en macht de eerste prioriteit #2

“Beeld van God, de onzichtbare, is hij, eerstgeborene van heel de schepping:” (Colossenzen 1:15 NBV)

Tussen ‘eerstgeborene’  heeft men een eerstgeborene van het gehele wereldstelsel, de eerste mens of Adam en  de eerste geborene van de Nieuwe Verbond periode, de eerstgeborene van de nieuwe schepping, welke duidelijk bij uitstek de Messias was voor de volgelingen van  Jezus, de nieuwe Adam die de poorten opende voor het nieuwe volk van God.

Het Grieks voor eerstgeborene is proto met tikto: eerstgeborene. Het Griekse woord voor ‘het eerst gemaakt’ of ‘het eerst gecreëerd’ zou proto met ktizo zijn: voor het eerst gemaakt. Paulus maakte geen gebruik van de tweede, maar het eerste. Ten tweede, het Bijbelse gebruik van het woord “eerstgeborene” is interessant. Het kan het eerste geboren kind zijn in een gezin (Lukas 2:7), maar het kan ook betekenen “pre-eminentie.” In Psalm 89:20, 27 wordt gezegd: “Ik heb gevonden David, Mijn knecht, met Mijn heilige olie heb ik hem gezalfd … ik zal hem ook Mijn eerstgeborene maken”(NASB).

“(89:21) In David vond ik een dienaar, ik zalfde hem met heilige olie.” (Psalmen 89:20 NBV)

“(89:28) Ik maak hem tot mijn eerstgeborene, tot de hoogste van de koningen der aarde.” (Psalmen 89:27 NBV)

Zoals u kunt zien, is David, die wel de laatste geboren in de familie was, de eerstgeborene van God genoemd. Dit ‘eerstgeboren” zijn is een titel van superioriteit hier. De Grieks voor eerstgeborene is proto met tikto:. Eerstgeborene. Het Griekse woord voor het eerst gemaakt zou proto met ktizo zijn: voor het eerst gemaakt. Paulus maakte geen gebruik van de tweede, maar het eerste. Ten tweede, de bijbelse gebruik van het woord “eerstgeborene” is het meest interessant. Het kan het eerste geboren kind in een gezin (Lucas 2:7), maar het kan ook betekenen “pre-eminentie.” In Psalm 89:20, 27 zegt: “Ik heb gevonden David, Mijn knecht, met Mijn heilige olie ik heb hem gezalfd … ik heb ook zal hem Mijn eerstgeborene “(NASB). Zoals u kunt zien, is David, die was de laatste geboren in de familie noemde de eerstgeborene van God. Dit is een titel van superioriteit hier. {zie ook: CARM Christian Apologetics and Research Ministry}

De gedachte van het ‘eerstgeboren zijn’ en de natuur van Jezus Christus werd onder vuur genomen. Geleidelijk aan in de tijd begonnen bepaalde mensen te geloven dat Jezus de eerste persoon geboren was, zelfs vóór Adam, de eerste mens geschapen werd. Dit idee ingevoerd in de tweede periode van de 2e eeuw en verder ontwikkeld in de 3e eeuw met Clemens van Alexandrië [c. 150 – c. 214 GT] die de term “protoktistos” gebruikt in zijn Stromata [Boek 5, hoofdstuk 6, sectie 35, en boek 5, hoofdstuk 14, sectie 89], maar later Jezus  “protoktistos”, [eerste-geschapene] noemt [Stromata in ANF 2, hoofdstuk 6, pagina 452] Clemens gebruikt de term ‘eerst geschapen’, alsof het algemeen de eerstgeborene is in het hele wereld gebeuren. Voor Clemens en anderen, hebben de twee dezelfde betekenis gekregen en waren ze in feite uitwisselbaar. Als we kijken naar Clemens zijn zelfde werk [Stromata] vinden wij al een beetje later in hoofdstuk 14, pagina 465, de uitdrukking: “tes sophias tes protoktistou tw Thew “, wat betekent” Wijsheid, dat was het eerste van de schepping van God “; hier zien we duidelijk de [genitief]” protoktistou “[van de schepping]! Clemens identificeert herhaaldelijk het Woord met de wijsheid van God, en toch   verwijst hij naar Wijsheid als eerst geschapen door God, terwijl hij in een passage dat  epitheton hecht aan “Eerst-gemaakt,” en in een ander “Eerst-verwekt,” aan het Woord.

Voor de kerkvaders [pre-Nicea] waren de termen “prototokos” en “protoktistos” natuurlijk synoniem en verwisselbare termen, ze behandelen beide even gelijkaardig en met dezelfde betekenis!

Constantijn de Grote en het Concilie van Nicea verbranden ariaanse boeken, afbeelding uit ca. 825.

Er was een vennootschap gevormd (harmonia, syymphonia) dat één van de fundamenten van het Christelijke Imperium werd. [1] Omdat de godsdienstige vrede van het Oosten werd bedreigd riep de Romeinse Keizer Constantijn de eerste oecumenische raad (de Eerste Raad van Nicaea in 325) bijeen om de problemen op te lossen die door het Arianisme werden veroorzaakt.

Arianisme had als theologische mening dat Jezus goddelijk was, werd gecreëerd en minder is dan God de Vader. Sommigen beweren dat het een stroming is die pas in de 4° eeuw ontstond, maar zij vergeten dat de Leer van Arius in lijn was met de stroming van de 1° eeuw. De apostolische leer dat Jezus de zoon van God is en niet god de zoon.  Wel is er het bijkomende element dat wel anders was dan de apostolische leer van slechts één God, namelijk dat er ook werd gedacht dat de Heilige Geest ook een schepping van God de Vader was, die ondergeschikt zou zijn aan God. De Heilige Geest is echter de Kracht van God en was er dus reeds van bij het begin, en is er steeds geweest, mits God oneindig is en aldus geen begin en geen einde heeft. Zijn Adem of Zijn ‘Zijn’ is dus zijn ‘Eigenlijk wezen’ of Zijn eigenlijk bestaan’ (van het “Ik die ben”) alom tegenwoordig in de eeuwigheid.

Er werd onjuist gekeken naar het ‘god zijn’ of ‘goddelijk zijn’ en naar de goddelijkheid in de vierde eeuw. Er was zo veel verwarring ontstaan dat er een noodzaak ontstond om dit uit te kaarten en hiervoor een raad bijeen te roepen welke vergaderde te Nicaea in 325. De aanhangers van het trinitarisme wonnen daar het pleit en het Arianisme werd er veroordeeld.

De Griekse term consubstantiële homoousios [van de zelfde substantie] die door de raad wordt gebruikt om de verhouding van de Zoon aan de Vader te bepalen was niet universeel populair: het was gebruikt voordien door de afvallige Sabellius. Wat door de Galatian geestelijke Marcellus van Ancyra, de hevigste tegenstander van Arianisme in Klein-Azië, zich ontwikkelde tot de theorie dat de Drievuldigheid het resultaat van emanaties van God was die uiteindelijk tot God in de definitieve uitspraak, het laatste oordeel, zou terugkeren.

Icoon van de heilige Gregorius van Nazianze, met de heilige Basilius de Grote de grondlegger van het Oosterse kloosterleven.

Op het Concilie van Nicea (325) werd er besloten dat de Vader en de Zoon “van dezelfde substantie” moesten zijn en er werd een Catechismus opgesteld met de Niceense Geloofsleer.

De stemmen van orthodoxie, echter, waren niet stil. In het Westen had men de heilige Hilary van Poitiers en in het Oosten de heilige Basilicum de Grote (c.330-379), Griekse prelaat, bisschop van Caesarea in Cappadocia, Dokter van de Kerk en één van de Vier Vaders van de Griekse Kerk met Cappadosische theoloog Gregorius van Nazianze (c.330-390) en de jongere broer van Basilius de Grote,  Gregorius van Nyssa (d. 394?) bleven de formule van de orthodoxe leer van de Drievuldigheid (Drie-eenheid)verdedigen en interpreteerden de Niceense geloofsbeleidenis met God als één wezen in drie hypostasen als een te nemen voorwaarde om christen te zijn. Het niet-christelijk idealisme met zijn hoge morele en esthetische niveau boeide hem. en men kan zich indenken dat de beleving van de heidenen door hun verering van meerdere goden een grotere devotie bleek te verwezenlijken. De toelegging voor een verering van meerdere goden zou de kerk tengoede komen

Tegen 364 had het Westen een Katholieke keizer met de in Cibalis (het huidige Vinkovci) geboren Flavius Valentinianus bekend als Valentinianus I, en toen de Katholieke Theodosius I (346? – 395) (schoonzoon van  Valentinianus I), Romeinse keizer van het Oosten (379-95) en de keizer van het Westen (394-95),  werd Arianisme verbannen.

Valentinianus I die ook wel wordt beschouwd als de laatste grote West-Romeinse keizer was eerlijk en hardwerkend, stichtte scholen, hoewel hij zelf amper kon lezen, en gaf geen belastinggeld uit aan luxe zaken, maar aan forten en andere praktische dingen, zoals gratis medische zorg voor de armen in Rome. Valentinianus was zelf christen, maar er was voor iedereen geloofsvrijheid.

In 379 vroeg  de Antiochië synode en de aartsbisschop Meletios, Gregorius om naar Constantinopel te komen om een theologische campagne te winnen die de stad tot de Nicea orthodoxie zou over halen.

De tweede oecumenische raad werd bijeengeroepen om de Niceense geloofsleer opnieuw te bevestigen en de eenheid van de christenen te versterken. (Constantinopel, de Eerste Raad van 381, tweede oecumenische raad). Het werd bijeengeroepen door Theodosius I, dan keizer van het Oosten en een recente bekeerling, om de overwinning over Arianisme te bevestigen. Aangezien het arianisme door het eerste oecumenische concilie in 325 in Nicea al als ketterij was veroordeeld, hoefde dit onderwerp niet op de agenda van het tweede concilie te staan. Theodosius gebruikte gewoon zijn keizerlijke macht om de nog zeer grote invloedrijke groep aanhangers van het arianisme zoveel mogelijk uit te schakelen.

Ook al leek het Arianisme binnen het imperium meteen verlopen te zijn, kon het toch verder ontwikkelen.
De Gotische Ulfilas of Wulfila [= kleine wolf], (c.311-383) werd als Gotische bisschop (341) aangesteld en vertaalde de Bijbel in het Gotisch. De fragmenten die van deze vertaling zijn overgebleven vormen de oudst opgetekende bronnen in een Germaanse taal. Zijn bekering tot het Christendom in Constantinopel en consecratie tot bischop  door de Ariaanse bisschop Eusebius van Nicomedia droeg  er toe bij dat het Homoeaanse Arianisme tot de Gothen werd gebracht (c.340). Zo werden zij die leefden in wat nu Hongarije en het NW Balkan Schiereiland is met dergelijk succes bekeerd dat Visigothen en andere Germaanse stammen hevige Arianen werden. Arianisme werd zo verder overgedragen over Westelijk Europa en in Afrika.

De Visigotische emigratie

De vandalen bleven Arianen tot hun nederlaag van Belisarius (c.534). Onder de Lombarden waren de inspanningen van Paus St. Gregorius I en de Lombardse koningin succesvol, en Arianisme verdween daar definitief (c.650). In Bourgondië verdeelden de Katholieke Franken het Arianisme door verovering in de 6de eeuw.

Naarmate de Romeinse infrastructuur verder instortte en daarmee de invloed van Rome steeds kleiner werd, verspreidden de Visigoten zich over grotere delen van Gallië.

In Spanje, waar de veroverende Visigoten Arianen waren, werd het Katholicisme niet gevestigd tot midden zesde eeuw (toen Reccared I zich in 589 tot het katholicisme bekeerde), en overleefden de Ariaanse ideeën voor minstens een andere eeuw.
In 554 moesten de Visigoten de provincie Spania in het zuiden (weer) afstaan aan het Byzantijnse Rijk onder keizer Justinianus I, die het op zich genomen had het westen te heroveren.

Bij een poging de invasie van Amayyadische moslims in het zuiden tegen te houden,  kwam koning Roderik om en kwam het grootste deel van Spanje al snel onder islamitisch bestuur. De nog overgebleven Visigotische edelen trokken zich terug, eerst tot in Catalonië maar onder aanhoudende druk van de Moren uiteindelijk tot in Septimanië dat in 762 ook door de Moren bezet werd voor een korte tijd. In 768 werden de Moren door een Frankisch leger onder Pepijn de Korte verjaagd.

De tegenstand tegen het Arianisme bracht heel wat resultaten – de oecumenische raad, het Katholieke Christologische systeem, en zelfs Nestorianisme, en, door reactie, Monofysitisme.
Nestorianisme dat enerzijds zegt dat Jezus uit twee verschillende personen moest bestaan , en Monophystium anderzijds, dicht en onafscheidelijk verbonden met  uniteofysitisme [Gr., =geloof in één aard], of ‘ketterij‘ van de 5de en 6de eeuw, die uit een reactie tegen Nestorianisme voortkwam. Het werd geanticipeerd door het Apollinarianisme en was het eens met de principes van Eutyches, wiens doctrine in 451 in Chalcedon op de vierde oecumenische raad was verworpen.

File:Saint Nestor.jpg

Nestorius – Saint Nestorius of Kyiv Caves – Kiev klooster, Oukraïne

Ook al had Nestorius de eerste ariaanse kerk in Alexandrië  laten verwoesten en kondigde  de keizer een edict af tegen alle ketterijen op instigatie van Nestorius waarin negentien groeperingen bij naam werden genoemd, volgde hij de leer van het trinitarisme en van de incarnatie  van Jezus niet.

Volgens de leer van de Syrische monnik Nestor of Nestoriuspatriarch van Constantinopel, was er de Logos of Woord die de zoon van God was en de man Jezus. Hij trad op tegen gelovigen die Maria de mariologische eretitel Theotokos (moeder van God) gaven. Hij benadrukte de scheiding tussen Jezus’ goddelijke en menselijke kenmerken, zodat Maria enkel de moeder van de menselijke Jezus kon zijn. De tegenstanders van de Moeder Gods gedachte noemden Maria uit de stam van David (of Miriam), Maria Antropotokos. In de strijd tussen de Theotokos- en Antropotokos-aanhangers stelde Nestorius de term Christotokos als compromis voor, zolang maar duidelijk bleef, dat de twee naturen in Christus niet vermengd zijn en de menselijke natuur van Christus niet wordt opgelost in zijn goddelijke natuur. Cyrillus, de patriarch van Alexandrië, protesteerde hiertegen. Voor deze laatste was de menselijkheid van Jezus ondergeschikt aan zijn goddelijkheid. Cyrillus volgde hiermee de Alexandrijnse school. Eusebius van Doryleum timmerde een klaagschrift aan de deur van de kathedraal en stuurde preken van Nestorius naar Rome en Alexandrië. De kwestie werd voorgelegd aan paus Celestinus I (of Coelestinus I) in 430 die tijdens een synode in Rome met Cyrillus van Alexandrië als onderzoeksrechter, Nestorius vroeg zijn stellingen op te geven. In De incarnatione Domini contra Nestorium werd Nestorius veroordeeld, maar overtuigd van zijn gelijk vroeg deze de keizer een algemeen concilie bijeen te roepen in Efeze in 431. De uitspraken van dit  Concilie van Efeze waren dat in Christus de eenheid van twee naturen voorkomt, menselijk en goddelijk. Maria werd gedefinieerd als de moeder van God, ook al was God reeds eeuwig aanwezig en heeft die alles geschapen en kwam de schepping niet voor uit Maria. Cyrillus van Alexandrië heeft een zeer grote invloed gehad op deze concilaire beslissingen. Nogmaals had Cyrillus van Alexandrië als concilievoorzitter een zeer grote invloed op de beslissing om Nestorius te veroordelen.

Candidianus, die als keizerlijk vertegenwoordiger verantwoordelijk was voor de ordehandhaving en al eerder geprotesteerd had tegen de weigering tot uitstel van de zittingen, verklaarde de besluiten tegen Nestorius ongeldig. Theodosius II besloot op 29 juni dat de besluiten ongeldig waren en dat niemand mocht vertrekken.

Johannes van Antiochië en de Syrische bisschoppen kwamen uiteindelijk op 26 juni in Efeze aan en organiseerden in een plaatselijke kroeg een eigen concilie toen zij van het afzettingsbesluit tegen Nestorius hoorden. Zij excommuniceerden op hun beurt Cyrillus van Alexandrië.

Wegens de tweespalt had keizer Theodosius dan maar besloten om zowel Nestorius als Cyrillus af te zetten.

De veroordeling van Nestorius werd niet door iedereen binnen de Antiocheense kerkgemeenschap aanvaard. In de Nestoriaanse Kerk of de Kerk van het Oosten leefden zijn ideeën verder, zoals bij Theodoretus van Cyrrhus, die in de uiteenzettingen van Cyrillus een wederopleving van het apollinarisme zag.

Het Monofysitisme dat ontstond tijdens de christologische controverses van de 5e eeuw ging niet akkoord met het nestorianisme, met zijn duofysitische leer, noch met de twee-naturenleer, zoals vastgelegd in de uitspraken van het Concilie van Chalcedon waarbij men aan Christus zowel een menselijke als een goddelijke natuur gaf die onafscheidelijk van elkaar in Jezus verbonden zou zijn.


[1] Juni, 325. (First Council of Nicaea) plus veertien concilies, gehouden tussen 341 en 360

+

Voorgaand:

Simplified English version: Politics and power first priority #2

Lees ook:

  1. Niet goddelijkheid van Christus toch
  2. Doctrine van de Drievuldigheid
  3. Drie-eenheid of Heilige Drievuldigheid
  4. Is God Drie-eenheid
  5. Ware Geloof en Ware Geloofsgemeenschap
  6. Het begin van Jezus #8 Beloofde Gezalfde zoon van God
  7. Jezus, Heer maar niet God
  8. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #5 Apologeten
  9. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #6 Constantijn de Grote
  10. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #7 Afstandelijken, donatisten en arianisten
  11. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #8 Concilie van Constantinopel
  12. Groot Drie-eenheidsdebat
  13. God of een god
  14. Heidense invloeden op het trinitarisme

+++

Politiek en macht eerste prioriteit #1

De vroege dagen van het Christendom

2.2.1. Politiek en macht de eerste prioriteit

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.
Foto: RKK

Het was gewoon onmogelijk om mensen terug naar de oude eenvoud te brengen alsook om hen terug tot de oude heidense geloofsvormen te brengen en tot de nationale vorm van verering terug te komen. Derhalve moest het imperium zich zo ver mogelijk identificeren met de progressieve beweging, de bestaande middelen van het nationale leven aanwenden, tolerantie uitoefenen, concessies doen aan de nieuwe godsdienstige tendensen, en de Germaanse stammen ontvangen in het imperium. Deze overtuiging spreidde constant uit, vooral aangezien Constantijn zijn vader goede resultaten daar uit had verkregen. In Gallië, Groot-Brittannië, en Spanje, waar Constantius Chlorus heerste, steeg de vrede en de tevredenheid, en de welvaart van de provincies zichtbaar, terwijl in het Oosten de welvaart door de bestaande verwarring en instabiliteit werd ondermijnd. Maar het was vooral in het westelijke deel van het imperium dat verering van Mithras overheerste. Constantijn vroeg zich af of het niet mogelijk zou zijn om alle verschillende nationaliteiten rond zijn altaren te verzamelen. Kon Sol Deus Invictus, waaraan zelfs Constantijn zijn muntstukken lange tijd wijdde, of Sol Mithras Deus Invictus, door Diocletian en Galerius, niet opperste god van het imperium worden om zo vereerd te worden? Constantijn kan hier over lang nagedacht hebben. De officiële zonnereligie moest algemeen door iedereen in zijn rijk aangenomen worden en die het niet erkenden mochten een kopje kleiner gemaakt worden. Maar hij had de gedachte noch niet verworpen zelfs nadat een wonderbare gebeurtenis hem had beïnvloed ten gunste van de God van de Christenen. [1]

Om politieke redenen, na zijn overwinning tegen zijn rivaal Maxentius, verleende Constantijn tolerantie aan de Christenen en trof een verdere maatregel in hun gunst. Hij was de eerste Romeinse keizer die de weerstand van de kerk tegen een heidens Romeinse staat erkende die op de heerserscultus als politieke factor werd gevestigd.

In 313 gaven hij en Licinius in Milaan het beroemde gezamenlijke bevelschrift van tolerantie uit. Dit verklaarde dat de twee keizers in verband met wat voordelig voor de veiligheid en het welzijn van het imperium was en vooral zou zijn, hadden overlegd en de dienst in overweging hadden genomen die de mens aan „de goddelijkheid“ verschuldigd was. Daarom hadden zij beslist Christenen en al de anderen vrijheid in de oefening van godsdienst te verlenen. Iedereen zou die godsdienst kunnen volgen welke hij het beste beschouwde. Zij hoopten dat „de gekroonde goddelijkheid in hemel“gunst en bescherming zou verlenen aan de keizers en hun onderdanen. Dit was op zichzelf bijzonder genoeg om heidenen in de grootste verbazing te werpen. Wanneer de verwoording van het bevelschrift zorgvuldig wordt onderzocht is er duidelijk bewijsmateriaal van een inspanning om de nieuwe gedachte op een manier uit te drukken die onmiskenbaar om het even welke twijfel wil wegnemen. Het bevelschrift bevat meer dan het geloof, waaraan Galerius aan het eind stem had gegeven, dat de vervolgingen nutteloos waren, en dat vrijheid van verering aan Christenen verleende, terwijl het tezelfdertijd poogde geen belediging aan het adres van de heidenen te brengen. Zonder twijfel werd de term goddelijkheid (god-godin) doelbewust gekozen, voor een heidense interpretatie niet uit te sluiten. De voorzichtige uitdrukking kwam waarschijnlijk in de keizerkanselarij voort, waar heidense concepties en heidense uitdrukkingsvormen nog lange tijd duurden. Niettemin kan de verandering van de bloedige vervolging van het christendom tot de tolerantie er van, een stap zijn die erkenning impliceerde, vele heidenen opgeschrokken en in hen verbazing opwekte maar hun ook de kans gaven om hun godsdienst te laten samensmelten met de andere.

De gevangengenomen Christenen werden bevrijd uit de gevangenissen en de mijnen, en werden ontvangen door hun broeders in het Geloof met toejuichingen van vreugde. Opnieuw geraakten de kerken gevuld, en dezen die afvallig waren geweest zochten vergiffenis. Maar gelukkig bleven er godsdienstige lui die er aan hielden om het originele Christelijk geloof te blijven aanhangen en die zich bewust waren van de gevaren van deze politieke handdruk.

Constantijn was hoofd van de Romeinse wereld geworden en was vastberaden om de geestelijke orde in het Oosten te herstellen zoals hij reeds in het Westen ondernomen had om de Donatisten bij de Raad van Arles neer te leggen. Hij slaagde er in om tot een overeenkomst met de meeste kerkleiders te komen door hen ook macht te geven, dit om sommige leerstellingen te veranderen, ingaand op sommige gedachtegangen, en op vieringen.

In de toewijding van Constantinopel in 330 werd een plechtige halve heidense, halve Christelijke dienst gebracht. Er was een triomfwagen voor de zonnegod geplaatst op de markt, en over zijn hoofd werd het Kruis, teken van de god van het kwaad Tamuz, voor Christus geplaatst, terwijl Kyrie Eleison werd gezongen. Kort voor zijn dood bevestigde Constantijn de voorrechten van de priesters van de oude goden. Veel andere acties die hij ondernam hebben ook de verschijning van halve maatregelen, alsof hij zelf had gewankeld en altijd in werkelijkheid aan één of andere vorm van een versmolten godsdienst had gehouden.[2] Aldus beval hij heidense troepen om van een gebed gebruik te maken waarin om het even welke monotheïst zich kon bij aansluiten, en dat zo liep: „Wij erkennen alleen jij als god en koning, wij roepen op jou als onze helper. Van jouw hebben wij de overwinning ontvangen, door jou hebben wij de tegenstander overwonnen. Aan jou zijn wij dat goede dat wij tot nu toe ontvangen hebben verschuldigd geweest, van jou hopen wij voor het in de toekomst. Aan jou bieden wij onze smeekbeden aan en smeken jou dat jij onze keizer Constantijn en zijn godvrezende zonen voor vele jaren niet gewond zullen geraken en victorieus zullen zijn”.[3]

This argenteus was struck in Antioch mint, und...

This argenteus was struck in Antioch mint, under Constantius Chlorus. (Photo credit: Wikipedia)

De kerk tolereerde de cultus van de keizer onder vele vormen. Het werd toegelaten om van de goddelijkheid van de keizer, van zijn heilige paleis, de heilige kamer te spreken, en van het altaar van de keizer, zonder voor dit als heiligschenner te worden aanschouwd. Uit dit standpunt was Constantijn zijn godsdienstige verandering vrij onbelangrijk; het bestond uit weinig meer dan het afstand nemen van een formaliteit. Voor wat zijn voorgangers hadden getracht te bereiken door het gebruik van al hun gezag, en ten koste van onophoudelijk bloedvergieten, was in waarheid slechts de erkenning van hun eigen goddelijkheid. Constantijn bereikte dit eind, hoewel hij van het aanbieden van offers aan zich zelf afstand nam.


[1] The original Catholic Encyclopedia

[2] Syncretisme

[3] http://oce.catholic.com/index.php?title=Constantine_the_Great

Nota:

Neuenheimer Mithraeum

Mithras relief als stierendoder te Neuenheim in de buurt van Heidelberg, omlijst door scènes uit het leven Mithras

De eerste zonnegod consequent aangeduid als Invictus was de provinciale Syrische god Elagabalus. De godheid Elagabalus ook wel als Jupiter en Sol gekend (fuit autem Heliogabali vel Iovis vel Solis).
De naam van de Perzische god Mithra (“Μίθρας”) [Sanskriet Mitra (मित्रः), gevonden in de Rig Veda], werd aangepast in het Grieks als Mithras, in het Sanskriet betekend “Mitra” “vriend” of “vriendschap”en werd gekoppeld aan een nieuwe en onderscheidende beeldtaal. Het Iraanse “Mithra” en het Sanskriet “Mitra” worden verondersteld afkomstig te zijn van een Indo-Iraanse woord mitra betekenend: “contract, overeenkomst, convenant”. De Romeinen namen de religie mysteriën van Mithras of mysteriën van de Perzen over en moderne historici verwijzen naar die godsdienstvorm als Mithraisme, of soms Romeinse Mithraïsme.Vanaf de 2e eeuw werd Mithras gevierd als de belangrijkste zonnegod. Lucius Domitius Aurelianus Augustus, of Aurelian, die de titel van Germanicus Maximus verkreeg en de Romeinse keizer was van 270-275, was verantwoordelijk voor de bouw van de Aureliaanse Muren in Rome en maakte Mithras de officiële religie in 270.Het was Constantijn die verordende (7 maart, 321) dat er een Solis-dag of dag van de zon moest zijn. Die  “zondag” werd daarom aangenomen als de Romeinse rustdag [CJ3.12.2]. Hij beval: “Op de eerbiedwaardige dag van de zon laat de magistraten en mensen die woonachtig zijn in steden rusten, en laat alle workshops worden gesloten. Op het platteland echter kunnen personen die in de landbouw werken, vrij en legaal doorgaan met hun bezigheden, omdat het vaak voorkomt dat een andere dag niet geschikt is voor de inzaai van graan  of aanplant van wijnstokken, opdat door het verwaarlozen van het juiste moment voor deze operaties de overvloed van de hemel zou verloren gaan. “+

Voorgaand: De vroege dagen van het Christendom 2.1. Hellenistische invloeden

Vervolg: De vroege dagen van het Christendom 2.2.2.  Politiek en macht eerste prioriteit #2

Engelse versie / English version: The early days of Christianity 2.2.1. Politics and power first priority

++

Vindt ook:

  1. Een man die de geschiedenis van het mensdom veranderde
  2. Zondag, zonnegodsdag en zonnepartnersdag Van shabbat naar zondag; >‘Heilige’ samenkomst (mikra kodesh)
  3. Groei eerste christenen , “orthodoxie”
  4. Zeus een heerser van hemel en aarde
  5. Heil tot de gezondene van God of Zeus
  6. Doctrine van de Drievuldigheid
  7. Kerstmis, Saturnalia en de geboorte van Jezus
  8. Jezus’ heerschappij rekt verder dan wij vaak beseffen
    In het Romeinse Rijk was er maar één goddelijke redder, namelijk de keizer. In het begin van het geboorteverhaal van Jezus lijkt deze keizer de wereld te regeren. Hij voert bevel in heel zijn rijk.
  9. Paulus dienaar van het evangelie
  10. Vreemdelingschap
    Christenen in de tijd van de vroege kerk kregen al het verwijt dat ze te veel aan wereldmijding deden.
  11. Groei eerste christenen
  12. Vroege Kerk groeide slechts geleidelijk
  13. Zichtbaar houden van oudste kerken
  14. Scheiding van Kerk en staat
  15. Niet goddelijkheid van Christus toch
  16. Jezus van Nazareth #3 De Zoon van God
  17. Hashem השם, Hebreeuws voor “de Naam”
  18. Schoonheid van heiligheid

Hellenistische invloeden

De vroege dagen van het Christendom

2. Hellenistische invloeden

In de eerste eeuwen van de gewone tijdrekening was de invloed van de Griekse cultuur in het Romeinse Rijk nog steeds merkbaar en behoedde Griekenland zijn culturele erfgoed; een van de belangrijkste universiteiten van het Romeinse Rijk stond in Athene.

Bij de Atheense scholen konden onder haar leden ook Christenen, zoals Prohæresios, de sofist, gevonden worden. (σοφιστης; sophistés, kan het best vertaald worden als geleerde of deskundige. Sophos of sophia betekende “wijs”)

Vooral tijdens de periode van de 2e helft van de 5e eeuw v.G.T. kon men meestal rondreizende “beroepsdenkers” aantreffen die hun encyclopedische vakkennis inzake wiskunde, literatuur, filosofie en vooral ook welsprekendheid, praktische staatkunde en recht, tegen (hoge) betaling dienstbaar maakten aan de opleiding van de rijpere jeugd uit de gegoede middenklasse. Zo zorgden dezen dat hun leerlingen door middel van onderwijs op het vlak van kennisleer en welsprekendheid op geleid werden tot bekwame mensen die een leidende rol zouden kunnen spelen in de gedemocratiseerde maatschappij en in staat waren het woord te nemen in de volksvergadering (Grieks: ekklèsia).

De sofisten, aan wie de eer toe komt om als eersten de wetten van het denken te hebben gesystematiseerd (logica), kwamen uit vrijwel alle gebieden van de Griekse wereld en doceerden in bijna alle steden.

Zij waren ook de voorlopers van de socratische dialectiek en van aristotelische logica. Latere sofisten waren meer op materieel succes uit en benadrukten het belang van retoriek als de kunst van de overtuiging in de politiek, in de rechtszaal of in andere discussies. Tegen deze praktijk nam Socrates stelling, want waarheid kon volgens hem niet afhankelijk zijn van degene die het overtuigendst op gevoelens inpraatte en met alle mogelijke middelen zijn gelijk probeerde te halen. Op die manier werd een slechte zaak immers als goed voorgesteld. Vooral onder invloed van de dialogen van Plato en Xenophon, kregen de sofisten een kwalijke reputatie, en werd sofistiek verbonden met een manier van redeneren waarbij drogredenen werden gebruikt (sofismen). Zij werden door sommigen er van beschuldigt eerder uit te zijn op macht dat te zoeken naar waarheid en gerechtigheid.

The "obscene" medieval depiction of ...

Obscene middeleeuwse voorstelling van Socrates en Plato

Ook Sixtus II, of Xystos, die aan martelaarschap leed in Rome ongeveer rond 258 G.T., kan ook in Athene gestudeerd hebben en is de „zoon van een Atheense filosoof“. Maar de meest genoteerde mensen die deze scholen frequenteerden waren Basil van Kæsareia, en Gregorius van Nazianzos, rond het midden van de vierde eeuw. Deze scholen van filosofie hielden het heidendom voor vier eeuwen levend, maar tegen de vijfde eeuw was de oude godsdienst van Elevsis en Athene praktisch bezweken. In de Raad van Nikæa was er een bisschop van Athene aanwezig. In 529 waren de scholen van filosofie gesloten. Van die datum had het christendom geen rivaal meer in Athene.[1]

De Nazarener Jood Jezus kreeg bij de doop door zijn neef Johannes een wolk en duif boven hem, waarbij de stem van God te kennen gaf dat hij de “zoon van God” was.  God zij niet “dit ben ik hier in menselijke gedaante” of “ziehier God de zoon“. Tijdens zijn openbaar leven leerde Jezus de mensen ook dat er slechts één ware God was tussen de vele goden die werden aanbeden door de verschillende volkeren. Hij aanschouwde zijn vader in de hemel als de Allerhoogste God. Eveneens leerde hij de mensen dat de ziel, het eigenlijke levensbestaan van de mens beperkt in de tijd was. Elke mens was volgens Jezus sterfelijk. (Johannes 17:3; Mattheus 10:28) Bij de dood van de apostelen kwam er een verzwakking in de originele structuur van de geloofsvereniging en werden zulke leerstellingen vermengd met heidense leerstellingen. Het christendom raakte alom meer bezoedeld door die heidense en hellenistische gedachten.

Ook de Naam van God, Jehovah, die Jezus zeer belangrijk vond, werd meer opzij geschoven ten voordele van andere namen. De voorkeur om de godheid meerdere persoonlijkheden toe te kennen zoals in het hellenistische systeem bracht mee dat verscheidene christenen hun godheid ook gingen opsplitsen in drie persoonlijkheden, de geboorte van de zogenaamde Heilige Drie-eenheid. Het zou echter nog enkele decennia duren eer de drievuldigheid grote navolging kreeg.

Als gevolg van de vermenging van de verscheidene geloofsideeën werden heidense doctrines zoals de Drie-eenheidsleer en de onsterfelijkheid van de ziel al sijpelde opgenomen in de christelijke leer om deze te bederven. Deze leringen gaan echter veel verder terug dan de Griekse filosofen. De Grieken verworven ze daadwerkelijk van oudere culturen, want er is bewijs van een dergelijk onderricht in de oude Egyptische en Babylonische religies. Zoals andere heidense doctrine bleef zij het christendom infiltreren en werden andere Schriftuurlijke leerstellingen ook vervormd of verlaten.

Arabisch Diatessaron, Vertaald door Abul Faraj Al Tayyeb van Syrisch naar Arabisch, 11e eeuw

De vraag welke betrekking de Zoon had tegenover de Vader (zelf erkend bij allen om één Opperste Godheid te zijn), gaf een toename tussen de jaren. 60 en 200 G.T.,  aan een aantal Theosofische systemen, over het algemeen Gnosticisme genoemd, met als voorname auteurs Basilides, Valentinus, Tatianus de Syriër, ontwerper van het Diatessaron (‘Uit vier samengesteld’; geschreven tussen 170 en 180), een harmonie van de vier evangeliën, en andere Griekse speculanten.[2] Volgens sommigen was het door Gnosticisme dat heidense invloeden in de Christelijke verering zijn toegetreden. Gnosticisme, beweren zij, diende dan enigszins als brug tussen heidendom en christendom.[3] De Gnostische systemen openbaarden meer theosofie dan theologie. Zo ook in de Joodse kabbala, met de  Sefer Yetzirah, The Zohar, Pardes Rimonim, en Eitz Chaim, waarin de leer van een geheime, mystieke interpretatie van de Torah wordt gegeven, treft men de theosofie aan die een oplossing zoekt te vinden voor de natuurverschijnselen en de bedoeling van het bestaan De verscheidene ontologische vragen brachten een vermenging in de godsdienst met diverse vormen van magie en occultisme.

Flemish edition of the Corpus Hermeticum or the Hermetic Corpus

Corpus Hermeticum, Vlaamse uitgave uit 1643

De belangrijkste hellenistische bron is het Corpus Hermeticum, een verzameling teksten toegeschreven aan Hermes Trismegistus wiens leerstellingen weer erg relevant werden in de New Age. Daarin worden astrologie en andere occulte wetenschappen behandeld, alsook spirituele vernieuwing.

Alexandrië, vol Joden, was het literaire evenals commerciële centrum van het Oosten, en het verbindende verband tussen het Oosten en het Westen. Daar werden de grootste bibliotheken verzameld; daar kwam de Joodse geest dicht in contact met de Griekse, en de godsdienst van Mozes met de filosofie van Plato en Aristoteles. Daar schreef Philo, terwijl Christus in Jeruzalem en Galilea onderwees, en zijn werken waren bestemd om een grote invloed op Christelijke exegese door de Alexandrische vaders uit te oefenen.

Tijdens de vierde eeuw ging Egypte aan de kerk de Ariaanse, Athanasian orthodoxie, en kloosterpiëteit van St. Antonius en St. Pachomius geven, die met onweerstaanbare kracht over het christendom uitspreiden.

De theologische literatuur van Egypte was voornamelijk Grieks. De meeste vroege manuscripten van de Griekse Geschriften – inclusief de waarschijnlijk onschatbare Sinaitische en Vaticaanse Manuscripten omvattend. – werden geschreven in Alexandrië. Maar reeds in de tweede eeuw werd de Heilige Schrift vertaald in de lokale taal, in drie verschillende dialecten. Wat van deze versies overblijft is van aanzienlijk gewicht in het nagaan van de vroegste tekst van het Griekse Testament.

Tot de joden die het meest ontvankelijk waren voor hellenistische invloeden, behoorden de priesters. Voor velen van hen betekende het aanvaarden van het hellenisme een manier om het judaïsme met zijn tijd te laten meegaan.

Terwijl veel joden het hellenisme aanvaardden, moedigde een nieuwe groep die zich Hasidim of Chassidim noemde — vromen (letterlijk “liefhebbende vriendelijkheid”, afgeleid van het Hebreeuwse חסידות (chassidoet), dat “vroomheid” betekent) —, aan tot striktere gehoorzaamheid aan de wet van Mozes of Mozaïsche Wet.

De eerste groep Hasidim, ook genoemd Chasideeën of Assideeën (Hebreeuws: חסידים Hassidim, “Integeren” of “Vromen”; Koinè: Ἁσιδαίοι Asidaioi) of Hasideans (afgeleid van het Griekse asidaioi, of van het Hebreeuwse Hasidim, “het vrome”), waren een oude Joodse sekte die zich tussen 300 en 175 V.G.T. ontwikkelde. Zij waren de stijfste aanhangers van Judaïsme in tegenstelling tot die Joden die door Hellenistische invloeden waren beïnvloed. Hasidim leidde de weerstand tegen de hellenizerings campagne van Antiochus IV van Syrië, en zij kwamen grotendeels in de vroege fasen van de opstand voor van Maccabeeën of Machabees, Joodse families van de 2d en 1st eeuw voor Christus welke een restauratie van het Joodse politieke en godsdienstige leven bewerkstelligde. Zij worden ook Hasmoneans of Asmoneans genoemd naar hun voorvader, Hashmon. Hun rituele striktheid heeft sommigen veroorzaakt om hen als voorlopers van Farizeeërs te zien. Doorheen de Talmoedische periode werden talrijke als Hasidim omschreven.[4] Het gewone volk walgde nu van de gehelleniseerde priesters en koos meer en meer partij voor de Chassidim. Er brak een periode van martelaarschap aan toen joden in het hele land werden gedwongen zich in heidense gebruiken en offers te schikken of te sterven.[5]

De hellenisering van de Joden in de pre-Hasmoneaanse periode werd niet door iedereen weerstaan. In het algemeen, accepteerden de Joden vreemde overheersing wanneer ze enkel werden gevraagd om er erkenning aan te geven. Wanneer zij formeel alleen maar hulde hoefden te brengen te brengen, en zich verder zelf intern mochten besturen was er geen probleem . Toch geraakten de Joden verdeeld tussen dezen die  de hellenisering begunstigden  en diegenen die zich daar  tegenover verzetten. Zo groeide de verdeeldheid tussen hen die trouw aan de Ptolemaeën verkozen, en diegenen die de Seleuciden verkozen. Toen hogepriester Simon II stierf in 175 vGT, brak er een conflict uit tussen de aanhangers van zijn zoon Onias III (die tegen hellenisering was, en de Ptolemaeën verkoos) en zijn zoon Jason (die de voorkeur gaf aan hellenisering, en de Seleuciden verkoos). Een periode van politieke intriges volgde, met priesters zoals Menelaus die de koning omkocht voor het hoge priesterschap te verkrijgen, en beschuldigingen van moord van concurrerende kanshebbers voor de titel. Het resultaat was een korte burgeroorlog. De Tobiads, een filo-Hellenistische partij, slaagden er in om Jason in de machtige positie van de Hogepriester te plaatsen. Hij vestigde een arena voor openbare spelen dicht bij de tempel. (Ginzberg, Lewis. “The Tobiads and Oniads.”. Retrieved 2007-01-23. Jewish Encyclopedia.) Auteur Lee I. Levine merkt op: “De ‘pièce de resistance’ van Judese hellenisering, en de meest dramatische van al deze ontwikkelingen, kwam in 175 vGT toen de hogepriester Jason Jeruzalem bekeerde tot een Griekse polis vol met gymnasiums en ephebeion (2 Makkabeeën 4). Of deze stap het hoogtepunt van een 150-jaar durend proces van hellenisering werd binnen Jeruzalem in het algemeen, of dat het slechts het initiatief was van een kleine kliek van Jeruzalemse priesters zonder wijdere vertakkingen, is voor decennia besproken geworden. “(Levine, Lee I. jodendom en hellenisme in de oudheid: conflict of samenvloeiing Hendrickson Publishers, 1998 pp 38 tot 45 Via.. “De impact van de Griekse cultuur op normatieve jodendom.”)

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.
Foto: RKK

Constantijn (C., Flavius Valerius Constantinus) trachtte het christendom met bepaalde heidense gebruiken en leerstellingen te versmelten, en hij ondernam de eerste stappen om deze fusiereligie tot de officiële staatsreligie te maken. Aldus werd Griekenland een deel van de christenheid.

Constantijn was tijdens de vervalperiode van het Romeinse Rijk de Grote keizer (306–337 G.T.) en verplaatste de hoofdstad van het Romeinse rijk van Rome naar Byzantium, welk hij ter ere van zichzelf Constantinopel noemde.

In 321 G.T. verordende Constantijn dat de zondag (Lat.: dies Solis, een oude titel die verband hield met astrologie en zonaanbidding, niet Sabbatum [sabbat] of dies Domini [dag des Heren]) een rustdag voor iedereen, behalve voor de boeren, zou zijn. Constantijn bovendien plaatste de zondag onder de bescherming van de Staat. Constantijn spreekt niet van de dag van de Heer, maar van de eeuwige dag van de zon zoals de gelovigen in Mithras ook zondag evenals Kerstmis waarnamen.

Mesopotamische kalksteen rolzegel en afdruk: verering van Šamaš de zonnegod (Louvre)

Geloof in het oude polytheïsme was door elkaar geschud; in flegmatieker naturen, als de Romeinse keizer Diocletianus, en toonde haar kracht enkel in de vorm van bijgeloof, magie en waarzegging. Waarschijnlijk erkenden veel van de meer edelmoedigen de waarheid in Judaïsme en christendom, maar geloofden dat zij er deel van konden gaan uitmaken zonder verplicht te worden te verzaken aan hun heidense praktijken en verering van o.a. hemellichamen. Zulk iemand was Keizer Alexander Severus; een andere gelijkdenkende was Aurelian, wiens opinies bevestigd werden door Christenen zoals Paulus van Samosata. Niet alleen Gnostici en andere ketters, maar ook Christenen die zich als gelovige beschouwden, namen de maatregelen aan om de zon te vereren. Ook Constantijn koesterde dit verkeerde geloof.[6]


[1] Christian Athens, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[2] Arianism., Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[3] Notion and characteristics, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[4] In de 18de Eeuw zou deze beweging opnieuw, voor de derde keer, opgenomen worden, maar nu in Oost Europa, door rabbijn Yisroel ben Eliezer (1698-1760) ook gekend als Rabijn Israël Baal Shem Tov (Hebreeuws voor Meester van de Goede Naam)als reactie tegen overdreven legalistische Judaïsme.

[5] S. Lieberman, Hellenism in Jewish Palestine (1962); S. G. Kramer, God and Man in the Sefer Hasidim (1966); A. L. Lowenkopf, The Hasidim (1973).

[6] The original Catholic Encyclopedia

Verhoging Afdwaling

De vroege dagen van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.3.              Verhoging Afdwaling

Het christendom bereikte proconsulair Afrika in de tweede, misschien reeds bij het sluiten van de eerste eeuw. Er waren constante betrekkingen met Italië. Het spreidde zeer snel over de vruchtbare gebieden en het brandende zand van Mauritanië en Numidië uit. In 258 kon er een synode van zevenentachtig bisschoppen samen komen, en in 308 hielden de afgescheurde Donatisten een raad van twee honderd zeventig bisschoppen in Carthago. De bisdommen, natuurlijk, waren klein in die dagen.

Jerome

Codex Balliolensis van Terullianus

De oudste Latijnse vertaling van de Bijbel, verkeerd genoemd „Itala“ (de basis van Jerome zijn “Vulgata“) werd waarschijnlijk in Afrika en voor Afrika gemaakt, niet in Rome en voor Rome, waar op dat ogenblik de Griekse taal onder Christenen heerste. De Latijnse theologie, ook, was niet geboren in Rome, maar in Carthago. Tertullius of Tertullianus, is er de vader van. Minutius Felix, Arnobius, en de Cyprioot bewijzen de activiteit en de welvaart van het Afrikaanse christendom en theologie in de derde eeuw. Het bereikte zijn hoogtepunt tijdens het eerste trimester van de vijfde eeuw in het intellect en het brandende hart van St. Augustinus, maar spoedig na zijn dood (430) werd het begraven eerst onder barbarisme van de Vandalen, en in de zevende eeuw door de Moslimverovering. (Volgens de overlevering moedigde hij de bewoners van Hippo aan om zich te verzetten tegen de Vandalen, vooral omdat de Vandalen een Ariaanse variant van het christendom aanhingen, die Augustinus als ketters beschouwde.)  Maar toch leidde zijn geschriften Christelijke gedachten in de Latijnse kerk door de middeleeuwen, bevorderde de Hervormers, en werd het een essentiële kracht voor velen vandaag.

Vanaf de tweede helft van de eerste eeuw G.T. verhoogde het afdwalen en sloop afval de gemeenten binnen, en werden velen erdoor beïnvloed. Zogenaamde christenen raakten geïntegreerd met de natiën van de wereld en konden niet van de wereld om hen heen worden onderscheiden.

Na de zogenaamde bekering van Constantijn in de vierde eeuw stroomden de heidenen in grote aantallen naar de vorm van christendom die toen de boventoon voerde. Met welk gevolg? Het boek Early Christianity and Paganism verklaart: „De betrekkelijk kleine groep echt serieuze gelovigen ging verloren in de grote massa zogenaamde christenen.”

Hoe waar bleken Paulus’ woorden te zijn! Het was alsof het ware christendom werd opgeslokt door heidens bederf. En nergens was deze bezoedeling duidelijker merkbaar dan in de viering van feestdagen.

De eerste vijftien bisschoppen van christendom waren besneden Joden, zij hielden zich aan de Wet en waren eerder onvriendelijk naar het heidendom toe, terwijl zij vriendelijke betrekkingen met de leiders van de synagoge vasthielden. Vele halakic en haggadic bespreking zijn in de Talmoed geregistreerd zoals deze plaats hebben genomen tussen de Christenen en de Rabbi’s. Vermoedelijk heeft de Christelijke Gemeenschap of Kerk van de Heiligen, zichzelf niet onderscheiden van de uiterlijke vorm van de “Ḳehala Ḳaddisha”[1] te Jeruzalem, onder welke naam de Essenen gemeenschap, waartoe Johannes de Doper oorspronkelijk toe behoorde, de ondergang van de Tempel overleefde.[2] (De vroegste vermelding van de Essenen is in Josephus‘ verhaal over ene Judas de Essener, over wie wordt gezegd dat hij de moord van Antigonus door Aristobulus I in 104 v.Chr.had voorspeld.)

The romanticized woodcut engraving of Flavius ...

The romanticized woodcut engraving of Flavius Josephus appearing in William Whiston’s translation of his works. (Photo credit: Wikipedia)

Tussen het ethische en apocalyptische onderwijs van de Evangelies en Epistels en het onderwijs van Essenen van die tijd, zoals aangegeven in Philo, in Hippolytus, en in de Ethiopische en Slavische Boeken van Enoch, evenals die in de rabbijnse literatuur wordt gegeven, is de gelijkenis dusdanig dat de invloed van de laatstgenoemden op de eerstgenoemden nauwelijks kan worden ontkend. Niettemin, is de houding van Jezus en zijn discipelen totaal anti-Esseen, een beschuldiging en loochening van Essene gestrengheid en ascetisme; maar vreemd, terwijl de Romeinse oorlog een beroep deed op mensen van actie zoals de Zeloten, werden de mensen van een vreedzamere en onrealistische aard, die eerder genoeg Essenen waren geworden, meer en meer aangetrokken door het christendom, en gaven de Kerk haar andere wereld karakter; terwijl het Judaïsme een praktischer en meer wereldse kijk op de dingen had, en Essenisme toe stond om slechts in traditie en geheime overlevering te leven.[3] De Essenen braken met het officiële priesterschap, namen niet deel aan religieuze diensten en offers in de tempel, maar hielden zich aan de andere kant strikt aan de Wet. Net als de Farizeeën, met wie zij in menig opzicht overeenkomst vertoonden, vielen zij ten prooi aan hellenistische invloeden en gingen zij geloven in een onsterfelijke ziel.

De Apostelen waren zich ervan bewust dat het Evangelie aan alle naties moest worden gepredikt, en pas dan de voltooiing zal komen, en daarom drukten zij hun hoop opdat mensen het Woord van God zouden blijven bestuderen en aan evangelisatie zouden blijven doen.


[1] Meshullam vormde een maatschappij genoemd “Ḳehala Ḳaddisha”  (de Heilige Gemeenschap), omdat zijn leden één derde van de dag aan de studie van de Thora, één derde aan gebed en het overblijvende derde wijdden aan werken (Yer. . Sheni 53d; Eccl. R. ix. 9).
Read more: http://www.jewishencyclopedia.com/view.jsp?artid=758&letter=S#ixzz15AWdlkt6

[2] Ber. 9b; vergelijk Eccl. R. ix. 9: ‘Edah Ḳedoshah

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. #9 Controverse betreft doop

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

Afstandelijken, donatisten en arianen.

Doopsel.

In de periode van de joodse diaspora na de Babylonische ballingschap (586-538 v. Chr.) kwam het meer voor dat heidenen over wensten te gaan naar het jodendom. Om Jodengenoot of proseliet te worden was een reinigingsbad noodzakelijk: de zogenaamde proselietendoop. Heidenen die naar de synagoge kwamen werden in geval van bekering door de rabbi’s nauwkeurig onderzocht op hun motieven, waarna men door besnijdenis én doop (en zo mogelijk een offer) tot het joodse geloofoverging.

Johannes de Doper

Voor Jezus’ tijd doopte zijn neef Johannes de Doper volwassen mensen in de rivier de Jordaan in de provincie Judea in Palestina. De profeet zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth riep de Joden op deugdzaam te leven. De mensen moesten tegenover elkaar gerechtigheid betrachten, en eerbied tegenover God. Pas als zij die dingen konden doen konden zij klaar zijn om gedoopt te worden. Het volledig onderdompelen in het water moest dan een teken van witwassing zijn tegenover God en de mensheid. Enkel en alleen als men voldeed aan die vooropgestelde voorwaarden en men zich volledig aan God wilde geven kon men over gaan tot een doop die welgevallig zou zijn in de ogen van God. De doop diende niet tot vrijstelling van zonden, maar was een manier om het lichaam ritueel te reinigen nadat ze daaraan voorafgaande hun ziel al gereinigd hadden door te leven in gerechtigheid.Duidelijk ging het hier niet om kinderen of om mensen die niet goed bij hun zinnen waren. Volledig besef was nodig om een keuze te maken. Trouwens werd ook het zondigen aanschouwd als een tegen God verkeerd gaan of handelen tegen de Wil van God. Een kind zonder voldoende besef en zonder kennis van de Wil van God of de Mozaïsche Wetten kon hier dan ook niet tegen zondigen.

Ook Jezus, die zichzelf op dertigjarige leeftijd liet dopen, gaf opdracht aan zijn apostelen om de wijde wereld in te gaan, Gods Naam  en het Goede Nieuws van het Koninkrijk van God te verkondigen, en dan over te gaan tot het dopen van diegenen die het evangelie wilden geloven. Zo gingen de apostelen over tot de voortzetting van het dopen van volwassen mensen waarbij meestal gebruik werd gemaakt van de voorhanden zijnde wateren, de rivieren en meren of binnenzeeën.

Toen de eerste eeuw van onze Gewone Tijdrekening naar zijn einde ging waren er al afwijkingen van de leer van Christus.  Het verlangen en neiging om christendom naar Judaïsme te enten vanwege de bekeerde Joden en het onvermogen van de Niet-joden om de fundamentele principes van christendom helemaal te begrijpen leidde tot corruptie in de kerk. Gewoon aan de idee dat buitenwaartse ceremonies en offers de vereisten van hun Opperste Heerser moesten voldoen, probeerden de Joden de leerstellingen van Christus en de apostels met de ideeën van hun voormalige eredienst te harmoniseren. Men had verscheidene Joodse leerstellingen die ook reeds afgedwaald waren van het geloof van Abraham en waar men een substitutie van formalisme voor geestelijkheid had, toewijding naar de uiterlijke vorm van godsdienst die de plaats van levend geloof had ingenomen. Daarnaast was er de vermenging met de heidenen die ook hun eigen riten bleven liefhebben. Het is gemakkelijk begrepen hoe deze neigingen tot een corruptie van doctrine en gemeenschap leidden; hoe die de eenvoud van de Nieuwe Testamentkerkorganisatie, met zijn absoluut tekort van riten en ceremonies, de vraag van ritualisten en formalisten in de kerken niet tegemoet kon komen.

Verscheidene heidense volkeren voerden bij de geboorte van een kind rituelen uit om de boze geesten op afstand te houden of om het kind een gezonde toekomst te bezorgen. Zo werden kinderen met kruidenwater besprenkelt in de gedachte dat de boze geesten hen dan niet mee zouden voeren naar het slechte godenrijk of de onderwereld. Andere heidense groepen wasten de babies in kruidenwater met de bedoeling dat de kinderen de sappen en krachten van de kruiden in zich zouden opnemen en om hun lichaam te sterken en voor te bereiden op het zware dagelijkse leven.

Na de eerste eeuw waren er zogenaamde ‘christelijke priesters’ die de onderdompeling van volwassenen niet zo spectaculair vonden als de rituele handelingen van hun heidense collegae die meer aanhang hadden. In plaats van het kruidenwater creëerden zij het ‘heilig water’. In de beginjaren was het eerst enkel heilig water om te dopen maar dan werd het wijwater ook gebruikt om allerlei riten uitte voeren, zoals kruistekens maken, bezweringen en genezingen te doen. Het wijwater werd aanschouwd als één van de sacramentalia welke verder in de canones 1166 tot en met 1172 van het Wetboek van Canoniek Recht van 1983 en artikels 1667 tot en met 1679 van de Catechismus van de Katholieke Kerk werden behandeld.

Mars, Mars pater, Marspiter, Maspiter, Mavors, Mamers, Marmar of Mamerd, zoon van Juno (de koningin der Goden) en een magische bloem (of Jupiter (vader der Goden) ws de meest vereerde god van het Romeinse Rijk. Waarschijnlijk omdat zijn zonen (Romulus en Remus) gezien worden als de stichters van Rome. Oorspronkelijk was hij de Romeinse god van de vruchtbaarheid en beschermer van het vee, maar smolt later samen met de Griekse god Ares en werd toen vooral geassocieerd met de strijd en werd ook de god van de dood en oorlog. Ter ere van hem werden tempels en badplaatsen opgericht.  Doorheen de geschiedenis ontstonden er driegoden systemen zoals bij de de Grieken, Kelten, Indo-Iraniërs, Baltische volkeren, Germanen en Slavische volkeren. Zo had men in het Romeinse Rijk de oud-Romeinse trias Jupiter-Mars-Quirinus en de Umbrische trias Jupiter-Mars-Vofionus. De Indo-Europese trias vertegenwoordigde de drie maatschappelijke lagen van de Indo-Europese maatschappij: heersende klasse (hemelgod, hier Jupiter), krijgersklasse (oorlogsgod die zich meestal op aarde manifesteert, hier Mars) en boerenklasse (vruchtbaarheidsgod die zich meestal onder de grond manifesteert, hier Quirinus). Deze indeling in een trias treft men aan in vele Indo-Europese culturen. De oude trias zou in de Etruskisch periode (eind 6e eeuw v.Chr. vervangen worden de Capitolijns-Etruskische trias Jupiter-Juno-Minerva (naar analogie met de Etruskische trias Tinia-Uni-Menrva).

Romeinse krijgers voor dat zij ten strijde gingen, wilden hun lichaam ook hiervoor eerst reinigen en de gunsten van de drie goden afsmeken. Zij gingen daarvoor dan ook naar die tempel om te baden en te bidden om zo hun god van oorlog met hen te hebben en vol kracht te zijn. Het besprenkelen van kinderen met heilig water zou de krachten van de goden van vruchtbaarheid, kracht en oorlog over hen brengen.
Ook bij de Joden en andere volkeren kon men in de oudheid reeds verscheidene vormen van ritueel wassen vinden, dus voor de volken in het Midden Oosten was het niets nieuws. In het Oude Testament waren bepaalde rituele wassingen voorgeschreven. Ze speelden vooral een rol in het kader van de dienst in de tabernakel en in de tempel. Als Jood kende Jezus deze handelingen zeer goed en wist hij de betekenis er van. Toen hij de apostelen uitzond om nu ook doopsels uit te voeren ging het niet over een ander ritueel dan bij het Joodse gebruik.

Onder de valse leermeesters in het Christendom was het een dankbaar element om over te nemen en zo toch populair te zijn omdat zij de kinderen van hun volgelingen ook die zekerheden van het leven konden aanbieden. Zij verkochten hun waar onder het mom dat als de kinderen niet door hen gedoopt zouden worden zij zouden branden in de hel, een doemplaats waar er voor eeuwig foltering zou zijn. Ongedoopte kinderen zouden nooit een kans krijgen om later met hun ouders verenigd te worden in het eeuwig leven. Mits een eeuwig leven hier op aarde te simpel leek en niet op kon tornen tegen de vele rijken van de afgoden, vond het beeld van zeven hemelen meer gading.

Firenze Battistero San Giovanni 1059-1128

De plaatsen waar de kinderen moesten gedoopt worden gaf men graag de vorm van de Mars tempels. Zo  dachten in de 15e eeuw de Florentijnen dat hun Baptisterium, dat vergelijkingen oproept met dat van het Pantheon in Rome, ooit een Romeinse tempel, gewijd aan de god Mars was geweest.

Achtvormige doopvont

De doopvont of kort Vont (Latijn fons voor bron) is een waterbekken, vaak achtkantig, verwijzend naar de achtste dag, duidend naar de nieuwe schepping, als de achtste dag waarop de besnijdenis van Jezus Christus plaatsvond, gemaakt van hout, (natuur)steen of (edel) metaal, ontworpen om de baby’s te dopen.

In de 3° & 4° eeuw kwam de controverse rond het doopsel meer op de voorgrond. Het neoplatonisme won meer veld en filosofische gedachten infiltreerden het christelijk geloof. De Ierse (of Britse) monnik Pelagius die nog aan nam dat de zondige mens in staat is de eerste en fundamentele stappen op de weg naar de verlossing te zetten, zonder de hulp van de goddelijke genade kwam in conflict met Augustinus. Volgens Pelagius heeft een mens, althans in theorie, nog steeds de mogelijkheid om zondeloos te blijven. Pasgeboren kinderen dragen de zonde niet in zich en zouden volgens Pelagius nog steeds de Adamitische toestand kunnen behouden indien tijdens hun opgroei zich voldoende zouden kunnen bewapenen of verzetten tegen inkomende verkeerde gedachten. Zoals Jezus als klein kind zuiver was, maar toch de mogelijkheid had om verkeerd te gaan, heeft deze wel getoond en bewezen dat wij mensen vrij zouden kunnen blijven van zonde indien onze geest sterk genoeg was.

Catharijneconvent - Doopvont

Image by Pachango via Flickr

In de 11° en 12° eeuw uitten de Petrobrusians, volgelingen van Peter van Bruys,  zich tegen de meer gangbaar geworden kinderdoop.

Peter van Bruys liet de leerstellige autoriteit van de Gospels in hun letterlijke interpretatie toe; de andere Nieuwe Testament geschriften beschouwde hij vermoedelijk waardeloos, zo van twijfelachtige apostolische oorsprong. Naar de Nieuwe Testamentepistels wees hij enkel een ondergeschikte plaats toe omdat zij niet van Jezus Christus zelf kwamen. Hij keurde de autoriteit van de Kerkvaders af. Zijn verachting voor de Kerk werd overgebracht naar de leken tot wie hij ook tot lichamelijk geweld tegen priesters en monniken opriep. In zijn lering werd doop beschouwd als een noodzakelijke voorwaarde voor redding, maar het was doop die door persoonlijk geloof werd voorafgegaan, zodat zijn toepassing naar zuigelingen, dat meer en meer in voege was gekomen, als  waardeloos werd beschouwd.

De doopvonten die in de speciale opgerichte gebouwen werden gevonden werden als verwerpelijk aanschouwd.
Zoals de Kerk niet in muren bestaat, maar in de gemeenschap van het trouwe volk, zouden kerkgebouwen moeten vernietigd worden, want Peter van Bruys liet de mensen weten dat zij naar God kunnen bidden in een schuur evenals in een kerk. Een gewone tafel kon overal dienst doen als de tafel waar rond de gelovigen vergaderden. Er moest niet een speciaal altaar voorzien zijn. Geen goede werken van de levenden kunnen tot het profijt van de doden komen. Kruisen, als het instrument van de dood van Christus, kunnen zeker geen verering verdienen; daarom waren zij voor de Petrobrusians voorwerpen van schending en werden zij in vreugdevuren vernietigd.

Bernardus van Clairvaux bekeert Willem van Aquitanië

Bernard van Clairvaux of Bernardus zou er verder voor zorgen dat er een omvorming van het sacramenteel rituele christendom van de Vroege Middeleeuwen naar een nieuw, meer persoonlijk beleefd geloof zou komen, met het leven van Christus als een rolmodel en met een nieuw accent op de Maagd Maria. In tegenstelling tot de rationele benadering om het goddelijke te begrijpen dat de scholastici voorstonden, predikte Bernard een onmiddellijk geloof, waarin de bemiddelaar de maagd Maria was. Volgelingen van hem en zijn leerling Henri van Lausanne werden bekend als de Henricianen zouden zich ook heftig tegen de kinderdoop verzetten zoals de Waldensen, Albigezen en Bohemiaanse Broeders.

Pierre Abelard

Later zou Pierre Abélard, gelatiniseerd Petrus Abaelardus (10791142) de middeleeuwse Franse theoloog en filosoof, die ook gerekend wordt tot de scholastici en een grote reputatie te Parijs had, de Drie-eenheidsleer en de doopgedachte nog verder ter discussie brengen. Zijn ideeën van niet-trinitarisme, riteloosheid en een geloof, waar begrip op de voorgrond trad, waren natuurlijk in tegenspraak met de oplegging van allerlei dogma‘s in de Kerk. Doordat er nog geen universiteiten waren en de opleidingsscholen onafhankelijk waren kon Abaelardus vrij zijn gedachten uitten. Maar het was  Bernard van Clairvaux die zich hevig tegen Abaelardus zou verzetten. Volgens Bernard zou de onafhankelijke lering leiden tot de verheerlijking van de menselijke rede en het rationalisme, vooral als men aannam dat een zonde alleen een zonde zou zijn als die uit vrije wil werd gepleegd en dus tegen het eigen geweten inging. Abaelardus wees daarmee als eerste op het belang van de intentie van een daad, een aspect dat een grote rol is gaan spelen in de latere middeleeuwse theologie over schuld en boete. De leer van Abaelardus was in strijd met de heersende kerkelijke ideeën. Pierre Abélard diens verhandeling over de Drie-eenheid werd in 1121 veroordeeld, omdat het teveel met behulp van de ratio de basisbeginselen van het christelijk geloof probeerde te benaderen. Abélard werd gedwongen zijn eigen boek tijdens een boekverbranding in het vuur te gooien. In 1139 bepleitte hij opnieuw denkbeelden die in tegenspraak waren met die van Rome. Bernard van Clairvaux, hiervan op de hoogte gesteld door William van St.-Thierry, sprak Abélard hier streng op aan. Toen deze hem vervolgens op beledigende wijze van repliek diende, kaartte Bernard deze zaak bij de paus aan, die vervolgens in 1141 in Sens een concilie belegde om deze zaak uit de wereld te helpen. Tijdens dit concilie vroeg Abélard om een openbaar debat met zijn tegenstander. Bernard bepleitte de zaak van Rome echter met een zo uitmuntende helderheid en met zulk een logische kracht, dat zijn opposant ervan afzag hem van repliek te dienen. Abélard werd veroordeeld en werd gedwongen zich uit het openbare leven terug te trekken. De paus bevestigde deze uitspraak van het concilie van Sens. Abélard legde zich hier zonder verzet bij neer. Hij vestigde zich onder abt Petrus Venerabilis als monnik in Cluny, waar hij twee jaar later stierf.
Diezelfde Bernard zou ook achter  Henri van Lausanne gaan, een voormalige Cluniacenzer monnik die de leer van de petrobrusianen ook had aangenomen en deze leer in een gewijzigde vorm na de dood van Peter van Bruys verder verspreid. Henri van Lausanne’s volgelingen werden bekend als de henricianen. In juni 1145 reisde Bernard op uitnodiging van kardinaal Alberic van Ostia door Zuid-Frankrijk waar hij met zijn preken, geholpen door zijn ascetische uiterlijk en eenvoudige kledij, deze  nieuwe geloofsgroeperingen tot de ondergang veroordeelde . Zowel de Henriciaanse als Petrobrusiaanse geloofsrichtingen begonnen reeds aan het einde van het jaar 1145 uit te sterven. Kort daarna werd Henri van Lausanne gearresteerd. Zijn zaak werd voor de bisschop van Toulouse gebracht en zeer waarschijnlijk werd Henri tot levenslang veroordeeld. In een brief aan de inwoners van Toulouse uit het einde van 1146, roept Bernard hen op de laatste overblijfselen van de ketterij van Henri te verdelgen. Hij predikte ook tegen de Katharen.

Ook bleven vele Christelijke broeders het goed en kwaad in de mens bekijken als iets van uit hem zelf. Het overgieten van water over het hoofd ging niets aan een zaligmaking of verdoemenis verhelpen. Volgens diegenen die het Woord van God goed bestudeerden kon men er duidelijk in vinden dat er geen geesten of goden waren die aanspraak konden maken op het leven van een kind of van een mens. Boze geesten konden het kind niet toeeigenen en God, die een God van liefde is, zou Zijn pasgeborenen geen onrecht laten aandoen door vreemde wezens die in de fantasieën van de mens bestonden.

De Albigensen verkregen hun naam aan de Zuid Franse stad Albi maar was hoofdzakelijk gebruikt voor de Katharen en navolgers van het Neo-Machineïsme.

***

Lees meer over Petrobrusians in de Katholieke Encyclopedie: The Catholic Encyclopedia. Vol. 11. New York: Robert Appleton Company, 1911. 31 May 2011.

Tag Cloud

The Eccentric Fundamentalist

Musings on theology, apologetics, practical Christianity and God's grace in salvation through Jesus Christ

John 20:21

"As the Father has sent me, so I am sending you."

The Biblical Review

Reviewing Publications, History, and Scripture

Words on the Word

Blog by Abram K-J

Bybelverskille

Hier bestudeer ons die redes vir die verskille in Bybelvertalings.

Michael Bradley - Time Traveler

The official website of Michael Bradley - Author of novels, short stories and poetry involving the past, future, and what may have been.

BIBLE Students DAILY

Be faithful unto death, and I will give you the crown of life. – Revelation 2:10

God's Simple Kindness

A place to share your daily blessings

takeaminutedotnet

All the Glory to God

Religieus Redeneren

Gedachten en berichten over hedendaags (on)geloof

Jesse A. Kelley

A topnotch WordPress.com site

JWUpdate

JW Current Apostate Status and Final Temple Judgment - Web Witnessing Record; The Bethel Apostasy is Prophecy

Sophia's Pockets

Wisdom Beyond Walls

ConquerorShots

Spiritual Shots to Fuel the Conqueror Lifestyle

Examining Watchtower Doctrine

Truth Behind the "Truth"

Theological NoteBook

Dabbling into Theology

sowers seed

be careful 'how you hear'

Next Comes Africa

If I take the wings of the morning, and dwell in the uttermost parts of the sea; Even there shall thy hand lead me, and thy right hand shall hold me - Psalm 139: 9,10

friarmusings

the musings of a Franciscan friar...

%d bloggers like this: