An other Christian WordPress.com site – Een andere Christelijke WordPress.com site

Posts tagged ‘Constantijn de Grote’

Politiek en macht eerste prioriteit # 3 Verhoging van Maria en de Heilige Geest

In de vorige artikelen hebben we gezien dat geestelijken van de late derde en vroege vierde eeuw, zoals Athanasius, hun politieke invloed gebruikten om hun geformuleerde ideeën over de Drie-eenheid door te drukken zodat  op het Concilie van Nicea (325) werd besloten dat de Vader en de Zoon “van dezelfde substantie” moesten zijn. 
In het Westen had men Hilarius van Poitiers ( ca. 315367), en in het Oosten Basilius van Caesarea, ook Basilius de Grote[1] (c.330-379), Griekse prelaat, bischop van Caesarea in Cappadocia, en één van de Vier Vaders van de Griekse Kerk met zijn broer Gregorius van Nyssa en zijn beste vriend Gregorius van Nazianze (c.330-390) die de Nicene formule van de orthodoxe leer van de Drievuldigheid (Drie-eenheid) bleven verdedigen en de Niceense geloofsbeleidenis interpreteerden met God als één wezen in drie hypostasen als een te nemen voorwaarde om christen te zijn. Het niet-christelijk idealisme met zijn hoge morele en esthetische niveau boeide hen en men kan zich indenken dat de beleving van de heidenen door hun verering van meerdere goden een grotere devotie bleek te verwezenlijken. De kerkvaders van die tijd waren er van overtuigd dat de toelegging voor een verering van meerdere goden de kerk tengoede zou komen en daarom opteerden zij voor de gratie van de machtshebbers met instemming voor hun godendom te transplanteren naar hun christelijke figuren, zodat de Maagd Maria en andere heiligen ook vereerd konden worden.

De wijding van Hilarius van Poitiers ook gekend als de ‘Athanasius van het Westen’ – Prent uit een 14e eeuws manuscript.

Het arianisme was een belangrijke levensbeschouwelijke stroming. Ook de keizer van het West-Romeinse Rijk, Constantius II, was het arianisme vriendelijk gezind. Hilarius verzette zich tegen de door de keizer geëiste veroordeling van kerkvader Athanasius en daarmee van de geloofsbelijdenis van Nicea, waaraan andere Gallische bisschoppen meededen, en werd daarom naar Klein-Azië verbannen (356359). In deze periode schreef hij zijn hoofdwerk, De Trinitate (‘Over de Drievuldigheid‘). In zijn De synodis seu de fide orientalium (‘Over de synoden of de geloofstrouw van de Oosterse bisschoppen’) gaf hij daar een historische toelichting bij.
In het Griekse Oosten geraakte hij nog veel beter thuis in de christologische strijd en deze zette hij, in 360 teruggekeerd, in Gallië voort, in de eerste plaats tegen Saturninus van Arles op een synode te Parijs (361) en enige jaren later – met weinig onmiddellijk succes – tegen Auxentius van Milaan.

Voorafgaand: Politiek en macht eerste prioriteit #2 Arianisme, Nestorianisme en Monofysitisme

De vroege dagen van het Christendom

2.2.3 Politiek en macht de eerste prioriteit: Verhoging van Maria en de Heilige Geest

De keizer Constantinus voltooide wat Paulus was begonnen –  een wereld vijandig aan het geloof  waarin Jezus had geleefd en wasgestorven. De Raad van Nicea of Oecumenische Concilie in Nicea in 325 bepaalde dat de Kerk en de Synagoge niets gemeenschappelijk zouden moeten hebben, en dat wat er ook van de eenheid van God en van de vrijheid van de mens sloeg of een Joods aspect van verering aanbood, van het Katholiek Christendom moest worden geëlimineerd. Alles wat er maar op zou kunnen wijzen dat Jezus zijn leer op de Joodse leer  zou geschoeid zijn wenste men te verwijderen. Mits vele Joden de volgers van Jezus toch als een Joodse sekte beschouwden, zou het niet moeilijk zijn om  door zich te ontdoen van de Joodse verbondenheid zich als een nieuwe godsdienst te laten opmerken.

De overdracht van de zetel van macht van Rome tot Constantinopel, en het oprichten van het Oost Romeinse Rijk onder Constantinus I gaf aan Klein-Azië, en vooral aan Constantinopel, een belangrijk belang in de geschiedenis van de Kerk voor verscheidene eeuwen. De zeven oecumenische Raden van 325 tot 787 waren allen gehouden in die stad of in haar buurt, en de doctrinaire controversen op de Drievuldigheid en de persoon van Christus werden voornamelijk gedragen in Klein-Azië, Syrië, en Egypte.

Het geërodeerde rots-standbeeld van de godin Cybele op de berg Sipylus, op een vroeg 20ste-eeuwse Franse postkaart

Niet ver van Frygië (ook vaak als Phrygië gespeld) in het midwesten van de Anatolische hoogvlakte in Klein-Azië werd Montan of Montanus geboren in Ardaban (Misië) (?- 195), die zich ontdeed van zijn priesterschap van de godin Cybele en zich geroepen vond om als de profeet uit te geven als de trooster, de Parakleet, van wie Jezus beloofd had dat hij hem in de laatste dagen zou sturen.

De Romeinse Staat keurde en ontwikkelde een bepaalde vorm de cultus van de goddelijkheid van de Staat van Frygië goed. Alsook werd deze door Griekse kolonisten van Klein-Azië aangepast, en werd ze verder verspreid van daar naar het  vasteland Griekenland en zijn verdere westelijke kolonies rond de 6de eeuw vGT. In Rome, werd Cybele Magna Mater („Grote Moeder“) genoemd.  Om priester of priesteres te zijn moest men zich castreren en werden Gallos of Galli genoemd. Deze barbaarse verminking werd gerechtvaardigd door de mythe over Attis, de god van de vruchtbaarheid en minnaar van de Grote Moeder, die zichzelf ontmande onder een dennenboom. Cybeles ‘priesteressen’ gingen de uitgelaten festiviteiten voor in ceremonies met veel drank en wilde muziek, waarbij zij, en veel van haar fanatieke volgelingen, zichzelf met messen sneden. De feesten werden in grote processies gevierd nog tot 268 n.Chr. Ook de Nijldelta godin Isis (Grieks) of Aset (Egyptisch Au Set), dochter van Geb en Nut, de god van de aarde en de godin van de hemel geraakten meer verweven met de christelijke gedachten. De Egyptische Moedergodin Isis stond bekend als vruchtbaarheidsgodin zoals Cybele die in de verering werd opgenomen als evenbeeld van Maria, de moeder van Jezus, zodat deze als de ‘moeder van God’  in de cultus kon worden vereerd.[1]

De Romeinen schreven hun succes tegen Carthago tijdens de Punische Oorlogen toe aan de verheerlijking van Cybele en meerdere volgelingen en gelovigen na Montanus dachten dat hun verzoeken aan de Magna Mater of ‘Moeder Gods’ in vervulling gingen door hun toewijding aan haar.

Toen Montanus zich had bekeerd tot het Christendom nam hij de cultus van zijn godin mee over en nadat hij in een trance was gevallen begon hij aan „het profeteren onder de invloed van de Geest.“ Hij werd spoedig vergezeld door twee jonge vrouwen, Prisca, of Priscilla, en Maxirnilla, die ook aan voorspellingen begonnen. Hij kreeg het bericht dat Christus spoedig zou terugkeren en dat de Heilige Geest nu zou regeren.

Als profeet van God, overtuigd dat de Parakleet door hem sprak, kondigde Montanus de steden van Pepuza en Tymion in west-centraal Frygië aan als plaats van het Nieuw Jeruzalem. Hiervoor maakte hij het grotere Pepuza tot zijn hoofdkwartier. Zijn aanhangers, de Montanisten wachtten op de komst van de Heilige Geest om de plaats van de zoon in te nemen en een meer perfect Evangelie aan te kondigen. De Heilige Geest werd gemaakt tot het voorwerp van een exclusieve verering.

De Kerk moest die verering onderdrukken, maar zowel deze verering van de Heilige Geest als van Maria paste netjes in het raamwerk om de Heilige Drievuldigheid aanvaardbaar te maken. Door  de Anatoolse godin naar Maria te transponeren kon de moeder van Jeshua (Jezus) als de Magna Mater, de Grote Moeder, genomen worden en moest zij wel de moeder van God zijn en haar zoon Jeshua (Jezus) kon dan niet anders dan de reïncarnatie van God zijn. Nu kon zij ook tot de andere figuren  behoren als  „heilig“ of ‘apart geplaatste’ .[2]

Deze Maria verering en het maken van de Heilige Geest tot een godheid,  kwam de machthebbers ten goede en stimuleerde de handel van nog meer beeldjes en gekapte stenen.

Meer en meer werden allerlei figuren uit de heidense traditie overgenomen om als beeltenis plaats te nemen voor ‘heiligen’ uit de stroming van Jezus volgers. De anathema’s of artefacten dat in de oudheid door een bezoeker van een heiligdom aan een godheid werden geschonken geraakten alsmaar meer ingeburgerd in het christelijk geloof. Nu kon de Heilige Geest ook voorgesteld worden en kreeg deze ook een plaats op de offeraltaren en in gebedshuizen naast de vele andere artefacten die hun weg vonden in de gebedshuizen.

De Allerhoogste God, Elohim Jehovah, verafschuwt standbeelden of artefacten die vorm wordt gegeven door de mens voor verering. In het Oude Testament, werd reeds vermeld dat geen beeltenis van God hoorde gemaakt te worden. Voorwerpen die werden gebruikt voor votieve dienstenaanbod, mochten niet hergebruikt worden voor een profaan gebruik . Dergelijke voorwerpen moesten vernietigd worden. Deze voor vernietiging bestemde voorwerpen werden „vervloekt“ evenals gewijd of geconsacreerd. De gewijde beelden of anathema werden populair maar de  Apostel Paulus beschouwde ze ook als verwerpelijke standbeelden of steengravures die zouden moeten worden uitgesloten. Hij sprak over het aan de kaak stellen“ [anathema] of vervloeken „maar ook over het  „ aanbieden aan God“.Voor de eerste Christenen gold het bidden tot standbeelden als een misdaad.

De Apostel Paulus gebruikt de naam van die beeltenissen ook als de verwijzing van wat christenen zich niet mogen welgevallen. Aanbidding van beeltenissen is namelijk iets verwerpelijk voor God. Voor de Allerhoogste is het een vervloeking om met een menselijk ontwerp te worden vergeleken of uitgebeeld. Daarom gebruikt Paulus ‘anathema sit’ om uit te drukken dat “hij zij vervloekt” worde. Afbeeldaanbidders hoorden niet thuis bij de eerste christenen en werden ‘vervloekt’ of uit gesloten.  Eigenlijk zijn het afgodenaanbidders. In de betekenis van uitsluiting (excommunicatie, kerkelijke ban) is de formulering sinds de 4e eeuw tegen verschillende ketterijen gebruikt op particuliere en oecumenische concilies in de geijkte vorm “indien iemand dit of dat zegt (dat in strijd is met de besluiten van het concilie), hij zij in de ban is (anathema sit)”.[3]

Zij die hun liefde aan beelden of standbeelden toonden deden iets tegen de bevelen van God en toonden aan dat zij niet zo zeer hielden van Elohim de Hoogste God maar voorwerpen waren van afschuw en execratie aan alle heilige wezens. Voor de eerste Christenen waren zij zonder schuldgevoelens voor een misdaad die de strengste veroordeling verdient en konden zij als dusdanig niet meer deel uitmaken van de ecclesia. Bij zulke ‘verschrikkelijke daden’ moest overwogen worden hen uit de gemeenschap te verwijderen. Zij werden blootgesteld aan de zin van „eeuwige vernietiging van de aanwezigheid van de Heer“ want zij omhelsden geen blijvend geloof, zoals de zin was van geheel de mensheid vóór het zoenoffer, de rechtvaardiging en heiliging van het bloed van Christus dat de afkoop van zonden toestond.[4]

{{{název}}}

Cyrillus I van Alexandrië (Grieks: Κύριλλος Α΄ Αλεξανδρείας) (Alexandrië, 375-380 – Alexandrië, 27 juni 444) monnik en patriarch van Alexandrië van 412 tot 444. Fel bestrijder van het arianisme.

Het gebruik van het woord „anathema“werd verder gebruikt om een vloek en een gedwongen uitwijzing van de gemeenschap van Christenen te betekenen. Het werd overgenomen en werd de standaardtermijn in de kerk na de heilige Cyrillus van Alexandrië, die zijn 12 anathema’s tegen de afvallige Nestorius (in 413 GT) uitsprak. In de 6de eeuw, kwam het anathema als de strengste vorm van excommunicatie te betekenen dat een afvallige van de Christelijke Kerk formeel gescheiden werd en zijn doctrines veroordeeld; maar ook werd het gebruikt voor minder belangrijke excommunicaties, terwijl het vrije ontvangst van de sacramenten belemmerde, de zondaar verplichtend om zijn zondige staat door het sacrament van vergiffenis (Sacrament van verzoening) te rectificeren.

In de eeuw 4° hield men van de idee van de bewondering van de Heilige Geest en Magna Mater of Theotokos, de Griekse titel van Maria, de moeder van Jezus, vooral gebruikt in de Oostelijke Orthodoxe, Oosterse Orthodoxe, en Oostelijke Katholieke Kerken (het Oosters christendom). Haar letterlijke Nederlandse vertalingen omvatten `god-Drager ` ‘God baarster’ en `wie geboorte aan God’ geeft. De Raad van Ephesus die, in oppositie tegen hen werd verordend ontzegden Maria die de titel Theotokos („wie geboorte aan God“geeft) maar noemden haar Christotokos („wie geboorte aan Christus“ geeft).
In de theologische discussie over de natuur van Christus kwam het tot verschillend woordgebruik, dat voor verwarring zorgde. De mens Jezus maakte van Maria een antropotokos (Moeder van de mens Jezus), maar ook een theotokos (moeder van God). Volgens Nestorius (Nestorius van Constantinopel) kon het “eeuwig voortkomen van de Zoon uit de Vader” niet eeuwig via Maria voltrokken worden, en hij koos daarom voor de alternatieve term “christotokos” (moeder van Christus). Het leverde Nestorius een aanval van Cyrillus van Alexandrië op, die in de nestoriaanse Jezus een eenheid, die pas door de ontmoeting tussen de eeuwige Logos en de tijdelijke mens op grond van genade (van God) en vrije wil (van de mens Jezus) tot stand kwam. Hierin zou Jezus Christus niet pre-existent zijn en bovendien meenden sommigen (m.n. Dioscurus, opvolger van Cyrillus) dat de benadrukte twee naturen in een persoon zou kunnen worden geïnterpreteerd als twee personen (Jezus en Christus) in een verschijning.
Athanasius van Alexandrië in 330, Gregorius de Theoloog in 370, Johannes Chrysostomos in 400, en Augustinus gebruikte allen theotokos.[5] (De formulering Theotokos werd op het anti-nestoriaanse Concilie van Efeze in 431 bevestigd.)

Een 18e-eeuwse Russische pictogram dat verschillende soorten van de Theotokos iconen voorstelt

Naast de incarnatie van God kon nu ook de Geest op de aarde komen en kon hij bemind of aanbeden worden. In 380 zouden anathema’s die door de overspelige Paus Damasus uitgesproken werden, in de Vierde Raad van Rome, de veroordeling uitspreken over hen die zouden ontkennen dat de Heilige Geest moest bemind worden  als de Vader en de Zoon door elk schepsel [6]. Deze anathema’s werden vernieuwd door Celestinus I en Virgilius, en de oecumenische raad van 381 in zijn symbool, dat zijn plaats in de liturgie nam, formuleerde haar geloof in de Heilige Geest, „Wie te samen met de Vader en de Zoon is bemind  en verheerlijkt.“ Deze uitdrukkingen wijzen op de eenheid van de bewondering van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest; namelijk dat de één of andere Persoon van de Drievuldigheid kan bemind worden afzonderlijk maar niet met de uitsluiting van de andere twee.

De idee van een Drievuldigheid, die, aangezien de Raad van Nicea in370, en vooral door Basilicum de Grote of Basilius van Caesarea, ook Basilius de Grote en Vader van het Oosterse Monastieke Leven genoemd, (ca. 330 – 379) , het Katholieke dogma was geworden, werd natuurlijk niet alleen door Joden tegenstrijdig aan hun monotheïstisch geloof beschouwd. De echte studenten van de Bijbel vonden geen reden om in zulk een onderwijs te gaan. Voor hen was de Bijbel duidelijk met woorden zoals “de zoon van God”. Het werd nog slechter wanneer bepaalde Christenen ook deze drie-Ene God, `God de zoon‘ `God de Vader‘ samen met de God „de Heilige Geest [“ Ruaḥ Ha-Ḳodesh“]opvatten als een vrouwelijk wezen dat, haar parallellen had in al de heidense mythologieën.[7]

De respons op de Nieuwe Profetie bracht nog een splitsing onder de christelijke gemeenschappen, en vooral de meer orthodoxe geestelijkheid vocht hard om deze stroming te onderdrukken. Men geloofde dat de Frygische profeten werden bezeten door boze geesten, en dat zijn twee profetessen Maximilla en Priscilla, vrouwelijke presbyters, voorbeelden waren van mislukt exorcisme.

Montanisten, die in de tweede eeuw predikten, en uitkeken naar de komst van de Heilige Geest om  de plaats van de Zoon in te nemen en een meer perfect Evangelie aan te kondigen, gaven zeer veel aandacht aan droomduidingen en extase-ervaringen. Bij hen valt het eindtijd denken vooral op. Hun eindtijdverwachting legde hen een sobere levensstijl op met een strikte publieke en individuele moraal , vol vasten, seksuele onthouding, boetedoening, loslaten van het huwelijk en bereidheid tot het martelaarschap.

Montanus zag zich als de laatste definitieve openbaring en Priscilla bezag zichzelf als allerlaatste  profetes waarna  slechts het einde zou komen.

Hun exclusieve verering van de Heilige Geest werd wel hoog geschat en als een aan te nemen element in de godsdienst verering. Zo kon Gods Kracht als derde persoonlijkheid gestaafd worden.

Na het overlijden van Priscilla in 179 zagen de mensen dat Jezus niet terug kwam en liet het nieuwe Jeruzalem op zich wachten waardoor  aan de eindtijdprofetieën een einde kwam, toch bleef het verder bestaan tot het meer te lijden kwam onder de strenge legislatie tegen het Montanisme door keizer Justinianus I die heerste van 527 tot 565. Enkele overgebleven groepen zetten de beweging echter voort tot in de 9° eeuw.

In 380 werd zo een vervloeking of banspreuk uitgesproken door Paus Damasus, op de Vierde Raad of Concilie van Rome. Er werd  uitgesproken dat wie ook maar zou ontkennen dat de Heilige Geest moet worden bemind worden als de Vader en de Zoon door elk schepsel, deze zou verbannen worden uit de Katholische Kerkgemeenschap.  Deze anathema’s werden vernieuwd door Celestinus I en Virgilius, en de oecumenische raad van 381. De anathemata als versierselen in de gebedshuizen werden nu als een vorm van devotie aangekondigd en de liturgische gewaden en symbolen als tekenen van macht.

De Oost-Romeinse / Byzantijnse keizer Theodosius I zag dat er iets moest gedaan worden om de verscheurde christelijke kerk tot een eenheidskerk te brengen. Alsook wenste hij zijn keizerlijke macht te gebruiken  om de nog zeer grote invloedrijke groep aanhangers van het arianisme, dat door het eerste oecumenische concilie in 325 in Nicea al als ketterij was veroordeeld, zoveel mogelijk uit te schakelen.

De Heilige Geest werd nu door nog meer mensen hoog geschat en als een te vereren persoonlijkheid aanschouwd. Het geloof in de Heilige Geest als gelijkwaardige goddelijke derde persoon van de in essentie éne God werd in de – in 325 in Nicea vastgestelde – geloofsbelijdenis opgenomen.

De heilige drie-eenheid, icoon van Andrej Roebljov (ca. 1400)


[1] Jezus werd aanschouwd als de verwerkeling van God op aarde en werd als  Horus de zoon van Isis  de symbolisering van  het jaarlijks verdwijnen en opkomen van het leven, zoals dat in de landbouw zichtbaar wordt (zie ook: Geboorte van Horus). Het gebruik om poppen van de korengeest te maken bestaat nu nog altijd bij de Kopten. Tijdens de goede week wordt een voorstelling van Christus in de vorm van een mummie op het altaar gelegd van vrijdag tot zondag, omgeven door bloemblaadjes e.d. Vrouwen (mannen niet) vullen ook nog altijd potjes met aarde en zaaien daarin. Dit doet denken aan de tuin van Adonis.

[2] In deze betekenis werd de vorm van het woord anathema ooit (in meervoud) gebruikt in het Griekse Nieuwe Testament, in Lukas 21:5, waar het als „giften“ of “geschenken” wordt weergegeven.

[3] De uitdrukking werd ook gebruikt tijdens het Concilie van Trente (15451563) over de aanhangers van de (vanuit de katholieke leer gezien) dwaling van de Reformatie 126 keer het anathema heeft uitgesproken.

[4] Alternatief, zou de apostel Paulus kunnen voorstellen dat zij die niet van de Heer houden zouden moeten tot God aangeboden worden.

[6] Denzinger, Enchiridion, n. 80

[7] Zoals door vele Christelijke geleerden, zoals Zimmern, in zijn „Vater, Sohn, und Fürsprecher“  is aangetoond, 1896, en in Schrader’s „K.A.T.„1902, p. 377; Ebers, in zijn „Sinnbildliches: die Koptische Kunst „1892, p. 10; en anderen.


[1] Enkele van zijn vermeende ruggenwervels worden bewaard als relikwie in Brugge, namelijk drie in de Sint-Salvatorskathedraal en één in de Sint-Basiliuskapel op de Burg (de Heilig Bloedbasiliek).

+

Voorgaand artikel: Politiek en macht eerste prioriteit #2 Arianisme, Nestorianisme en Monofysitisme

Vervolg: Politiek en macht eerste prioriteit #3 Samengaan van Joodse, Oosterse en Helleense gedachtegoed

English version: Politics and power first priority #3 Elevation of Mary and the Holy Spirit

Mozaïek van Maria als theotokos in de Chora-kerk in Istanboel

Vindt ook:

De belangrijkste concilies

  1. Nicaea I
  2. Constantinopel I
  3. Efeze
  4. Chalcedon
  5. Constantinopel II
  6. Constantinopel III
  7. Nicaea II

Lees meer over:

  1. Doctrine van de Drievuldigheid

  2. Drievuldigheid of Heilige Drie-Eeenheid
  3. Is God Drie-één
  4. De Allerhoogste is het Opperwezen
  5. Drie Heilige Hiërarchen: Basilius de Grote, Gregorius van Nazianze en Johannes Chrysostomus worden in de Byzantijnse Kerken de Drie Heilige Hiërarchen genoemd.
  6. Niet goddelijkheid van Christus toch
  7. God, Jezus Christus en de Heilige Geest
  8. Jezus van Nazareth #2 De zoon van Maria
  9. Jezus van Nazareth #3 De zoon van God
  10. Voorbestaan van Christus
  11. Al of niet verenigen
  12. De ecclesia als lichaam van Christus
  13. Verzamelen of Bijeenkomen
  14. Maken van een kerk
  15. Congregation – Congregatie
  16. Parish, local church community – Parochie, plaatselijke kerkgemeenschap
  17. Kerst en wenslampions
  18. Waarom gaf Jezus Maria aan Johannes
  19. Slechts één ding is nodig
  20. Groei eerste christenen
  21. Is er een komende Eindtijd
  22. Visie op Jezus’ wederkomst van invloed op vraag hoe met deze aarde omgaan
  23. Laatste dagen omroepers

***

Politiek en macht eerste prioriteit #2 Arianisme, Nestorianisme en Monofysitisme

De vroege dagen van het Christendom

2.2. Politiek en macht de eerste prioriteit

2.2.2. Politiek en macht de eerste prioriteit #2

“Beeld van God, de onzichtbare, is hij, eerstgeborene van heel de schepping:” (Colossenzen 1:15 NBV)

Tussen ‘eerstgeborene’  heeft men een eerstgeborene van het gehele wereldstelsel, de eerste mens of Adam en  de eerste geborene van de Nieuwe Verbond periode, de eerstgeborene van de nieuwe schepping, welke duidelijk bij uitstek de Messias was voor de volgelingen van  Jezus, de nieuwe Adam die de poorten opende voor het nieuwe volk van God.

Het Grieks voor eerstgeborene is proto met tikto: eerstgeborene. Het Griekse woord voor ‘het eerst gemaakt’ of ‘het eerst gecreëerd’ zou proto met ktizo zijn: voor het eerst gemaakt. Paulus maakte geen gebruik van de tweede, maar het eerste. Ten tweede, het Bijbelse gebruik van het woord “eerstgeborene” is interessant. Het kan het eerste geboren kind zijn in een gezin (Lukas 2:7), maar het kan ook betekenen “pre-eminentie.” In Psalm 89:20, 27 wordt gezegd: “Ik heb gevonden David, Mijn knecht, met Mijn heilige olie heb ik hem gezalfd … ik zal hem ook Mijn eerstgeborene maken”(NASB).

“(89:21) In David vond ik een dienaar, ik zalfde hem met heilige olie.” (Psalmen 89:20 NBV)

“(89:28) Ik maak hem tot mijn eerstgeborene, tot de hoogste van de koningen der aarde.” (Psalmen 89:27 NBV)

Zoals u kunt zien, is David, die wel de laatste geboren in de familie was, de eerstgeborene van God genoemd. Dit ‘eerstgeboren” zijn is een titel van superioriteit hier. De Grieks voor eerstgeborene is proto met tikto:. Eerstgeborene. Het Griekse woord voor het eerst gemaakt zou proto met ktizo zijn: voor het eerst gemaakt. Paulus maakte geen gebruik van de tweede, maar het eerste. Ten tweede, de bijbelse gebruik van het woord “eerstgeborene” is het meest interessant. Het kan het eerste geboren kind in een gezin (Lucas 2:7), maar het kan ook betekenen “pre-eminentie.” In Psalm 89:20, 27 zegt: “Ik heb gevonden David, Mijn knecht, met Mijn heilige olie ik heb hem gezalfd … ik heb ook zal hem Mijn eerstgeborene “(NASB). Zoals u kunt zien, is David, die was de laatste geboren in de familie noemde de eerstgeborene van God. Dit is een titel van superioriteit hier. {zie ook: CARM Christian Apologetics and Research Ministry}

De gedachte van het ‘eerstgeboren zijn’ en de natuur van Jezus Christus werd onder vuur genomen. Geleidelijk aan in de tijd begonnen bepaalde mensen te geloven dat Jezus de eerste persoon geboren was, zelfs vóór Adam, de eerste mens geschapen werd. Dit idee ingevoerd in de tweede periode van de 2e eeuw en verder ontwikkeld in de 3e eeuw met Clemens van Alexandrië [c. 150 – c. 214 GT] die de term “protoktistos” gebruikt in zijn Stromata [Boek 5, hoofdstuk 6, sectie 35, en boek 5, hoofdstuk 14, sectie 89], maar later Jezus  “protoktistos”, [eerste-geschapene] noemt [Stromata in ANF 2, hoofdstuk 6, pagina 452] Clemens gebruikt de term ‘eerst geschapen’, alsof het algemeen de eerstgeborene is in het hele wereld gebeuren. Voor Clemens en anderen, hebben de twee dezelfde betekenis gekregen en waren ze in feite uitwisselbaar. Als we kijken naar Clemens zijn zelfde werk [Stromata] vinden wij al een beetje later in hoofdstuk 14, pagina 465, de uitdrukking: “tes sophias tes protoktistou tw Thew “, wat betekent” Wijsheid, dat was het eerste van de schepping van God “; hier zien we duidelijk de [genitief]” protoktistou “[van de schepping]! Clemens identificeert herhaaldelijk het Woord met de wijsheid van God, en toch   verwijst hij naar Wijsheid als eerst geschapen door God, terwijl hij in een passage dat  epitheton hecht aan “Eerst-gemaakt,” en in een ander “Eerst-verwekt,” aan het Woord.

Voor de kerkvaders [pre-Nicea] waren de termen “prototokos” en “protoktistos” natuurlijk synoniem en verwisselbare termen, ze behandelen beide even gelijkaardig en met dezelfde betekenis!

Constantijn de Grote en het Concilie van Nicea verbranden ariaanse boeken, afbeelding uit ca. 825.

Er was een vennootschap gevormd (harmonia, syymphonia) dat één van de fundamenten van het Christelijke Imperium werd. [1] Omdat de godsdienstige vrede van het Oosten werd bedreigd riep de Romeinse Keizer Constantijn de eerste oecumenische raad (de Eerste Raad van Nicaea in 325) bijeen om de problemen op te lossen die door het Arianisme werden veroorzaakt.

Arianisme had als theologische mening dat Jezus goddelijk was, werd gecreëerd en minder is dan God de Vader. Sommigen beweren dat het een stroming is die pas in de 4° eeuw ontstond, maar zij vergeten dat de Leer van Arius in lijn was met de stroming van de 1° eeuw. De apostolische leer dat Jezus de zoon van God is en niet god de zoon.  Wel is er het bijkomende element dat wel anders was dan de apostolische leer van slechts één God, namelijk dat er ook werd gedacht dat de Heilige Geest ook een schepping van God de Vader was, die ondergeschikt zou zijn aan God. De Heilige Geest is echter de Kracht van God en was er dus reeds van bij het begin, en is er steeds geweest, mits God oneindig is en aldus geen begin en geen einde heeft. Zijn Adem of Zijn ‘Zijn’ is dus zijn ‘Eigenlijk wezen’ of Zijn eigenlijk bestaan’ (van het “Ik die ben”) alom tegenwoordig in de eeuwigheid.

Er werd onjuist gekeken naar het ‘god zijn’ of ‘goddelijk zijn’ en naar de goddelijkheid in de vierde eeuw. Er was zo veel verwarring ontstaan dat er een noodzaak ontstond om dit uit te kaarten en hiervoor een raad bijeen te roepen welke vergaderde te Nicaea in 325. De aanhangers van het trinitarisme wonnen daar het pleit en het Arianisme werd er veroordeeld.

De Griekse term consubstantiële homoousios [van de zelfde substantie] die door de raad wordt gebruikt om de verhouding van de Zoon aan de Vader te bepalen was niet universeel populair: het was gebruikt voordien door de afvallige Sabellius. Wat door de Galatian geestelijke Marcellus van Ancyra, de hevigste tegenstander van Arianisme in Klein-Azië, zich ontwikkelde tot de theorie dat de Drievuldigheid het resultaat van emanaties van God was die uiteindelijk tot God in de definitieve uitspraak, het laatste oordeel, zou terugkeren.

Icoon van de heilige Gregorius van Nazianze, met de heilige Basilius de Grote de grondlegger van het Oosterse kloosterleven.

Op het Concilie van Nicea (325) werd er besloten dat de Vader en de Zoon “van dezelfde substantie” moesten zijn en er werd een Catechismus opgesteld met de Niceense Geloofsleer.

De stemmen van orthodoxie, echter, waren niet stil. In het Westen had men de heilige Hilary van Poitiers en in het Oosten de heilige Basilicum de Grote (c.330-379), Griekse prelaat, bisschop van Caesarea in Cappadocia, Dokter van de Kerk en één van de Vier Vaders van de Griekse Kerk met Cappadosische theoloog Gregorius van Nazianze (c.330-390) en de jongere broer van Basilius de Grote,  Gregorius van Nyssa (d. 394?) bleven de formule van de orthodoxe leer van de Drievuldigheid (Drie-eenheid)verdedigen en interpreteerden de Niceense geloofsbeleidenis met God als één wezen in drie hypostasen als een te nemen voorwaarde om christen te zijn. Het niet-christelijk idealisme met zijn hoge morele en esthetische niveau boeide hem. en men kan zich indenken dat de beleving van de heidenen door hun verering van meerdere goden een grotere devotie bleek te verwezenlijken. De toelegging voor een verering van meerdere goden zou de kerk tengoede komen

Tegen 364 had het Westen een Katholieke keizer met de in Cibalis (het huidige Vinkovci) geboren Flavius Valentinianus bekend als Valentinianus I, en toen de Katholieke Theodosius I (346? – 395) (schoonzoon van  Valentinianus I), Romeinse keizer van het Oosten (379-95) en de keizer van het Westen (394-95),  werd Arianisme verbannen.

Valentinianus I die ook wel wordt beschouwd als de laatste grote West-Romeinse keizer was eerlijk en hardwerkend, stichtte scholen, hoewel hij zelf amper kon lezen, en gaf geen belastinggeld uit aan luxe zaken, maar aan forten en andere praktische dingen, zoals gratis medische zorg voor de armen in Rome. Valentinianus was zelf christen, maar er was voor iedereen geloofsvrijheid.

In 379 vroeg  de Antiochië synode en de aartsbisschop Meletios, Gregorius om naar Constantinopel te komen om een theologische campagne te winnen die de stad tot de Nicea orthodoxie zou over halen.

De tweede oecumenische raad werd bijeengeroepen om de Niceense geloofsleer opnieuw te bevestigen en de eenheid van de christenen te versterken. (Constantinopel, de Eerste Raad van 381, tweede oecumenische raad). Het werd bijeengeroepen door Theodosius I, dan keizer van het Oosten en een recente bekeerling, om de overwinning over Arianisme te bevestigen. Aangezien het arianisme door het eerste oecumenische concilie in 325 in Nicea al als ketterij was veroordeeld, hoefde dit onderwerp niet op de agenda van het tweede concilie te staan. Theodosius gebruikte gewoon zijn keizerlijke macht om de nog zeer grote invloedrijke groep aanhangers van het arianisme zoveel mogelijk uit te schakelen.

Ook al leek het Arianisme binnen het imperium meteen verlopen te zijn, kon het toch verder ontwikkelen.
De Gotische Ulfilas of Wulfila [= kleine wolf], (c.311-383) werd als Gotische bisschop (341) aangesteld en vertaalde de Bijbel in het Gotisch. De fragmenten die van deze vertaling zijn overgebleven vormen de oudst opgetekende bronnen in een Germaanse taal. Zijn bekering tot het Christendom in Constantinopel en consecratie tot bischop  door de Ariaanse bisschop Eusebius van Nicomedia droeg  er toe bij dat het Homoeaanse Arianisme tot de Gothen werd gebracht (c.340). Zo werden zij die leefden in wat nu Hongarije en het NW Balkan Schiereiland is met dergelijk succes bekeerd dat Visigothen en andere Germaanse stammen hevige Arianen werden. Arianisme werd zo verder overgedragen over Westelijk Europa en in Afrika.

De Visigotische emigratie

De vandalen bleven Arianen tot hun nederlaag van Belisarius (c.534). Onder de Lombarden waren de inspanningen van Paus St. Gregorius I en de Lombardse koningin succesvol, en Arianisme verdween daar definitief (c.650). In Bourgondië verdeelden de Katholieke Franken het Arianisme door verovering in de 6de eeuw.

Naarmate de Romeinse infrastructuur verder instortte en daarmee de invloed van Rome steeds kleiner werd, verspreidden de Visigoten zich over grotere delen van Gallië.

In Spanje, waar de veroverende Visigoten Arianen waren, werd het Katholicisme niet gevestigd tot midden zesde eeuw (toen Reccared I zich in 589 tot het katholicisme bekeerde), en overleefden de Ariaanse ideeën voor minstens een andere eeuw.
In 554 moesten de Visigoten de provincie Spania in het zuiden (weer) afstaan aan het Byzantijnse Rijk onder keizer Justinianus I, die het op zich genomen had het westen te heroveren.

Bij een poging de invasie van Amayyadische moslims in het zuiden tegen te houden,  kwam koning Roderik om en kwam het grootste deel van Spanje al snel onder islamitisch bestuur. De nog overgebleven Visigotische edelen trokken zich terug, eerst tot in Catalonië maar onder aanhoudende druk van de Moren uiteindelijk tot in Septimanië dat in 762 ook door de Moren bezet werd voor een korte tijd. In 768 werden de Moren door een Frankisch leger onder Pepijn de Korte verjaagd.

De tegenstand tegen het Arianisme bracht heel wat resultaten – de oecumenische raad, het Katholieke Christologische systeem, en zelfs Nestorianisme, en, door reactie, Monofysitisme.
Nestorianisme dat enerzijds zegt dat Jezus uit twee verschillende personen moest bestaan , en Monophystium anderzijds, dicht en onafscheidelijk verbonden met  uniteofysitisme [Gr., =geloof in één aard], of ‘ketterij‘ van de 5de en 6de eeuw, die uit een reactie tegen Nestorianisme voortkwam. Het werd geanticipeerd door het Apollinarianisme en was het eens met de principes van Eutyches, wiens doctrine in 451 in Chalcedon op de vierde oecumenische raad was verworpen.

File:Saint Nestor.jpg

Nestorius – Saint Nestorius of Kyiv Caves – Kiev klooster, Oukraïne

Ook al had Nestorius de eerste ariaanse kerk in Alexandrië  laten verwoesten en kondigde  de keizer een edict af tegen alle ketterijen op instigatie van Nestorius waarin negentien groeperingen bij naam werden genoemd, volgde hij de leer van het trinitarisme en van de incarnatie  van Jezus niet.

Volgens de leer van de Syrische monnik Nestor of Nestoriuspatriarch van Constantinopel, was er de Logos of Woord die de zoon van God was en de man Jezus. Hij trad op tegen gelovigen die Maria de mariologische eretitel Theotokos (moeder van God) gaven. Hij benadrukte de scheiding tussen Jezus’ goddelijke en menselijke kenmerken, zodat Maria enkel de moeder van de menselijke Jezus kon zijn. De tegenstanders van de Moeder Gods gedachte noemden Maria uit de stam van David (of Miriam), Maria Antropotokos. In de strijd tussen de Theotokos- en Antropotokos-aanhangers stelde Nestorius de term Christotokos als compromis voor, zolang maar duidelijk bleef, dat de twee naturen in Christus niet vermengd zijn en de menselijke natuur van Christus niet wordt opgelost in zijn goddelijke natuur. Cyrillus, de patriarch van Alexandrië, protesteerde hiertegen. Voor deze laatste was de menselijkheid van Jezus ondergeschikt aan zijn goddelijkheid. Cyrillus volgde hiermee de Alexandrijnse school. Eusebius van Doryleum timmerde een klaagschrift aan de deur van de kathedraal en stuurde preken van Nestorius naar Rome en Alexandrië. De kwestie werd voorgelegd aan paus Celestinus I (of Coelestinus I) in 430 die tijdens een synode in Rome met Cyrillus van Alexandrië als onderzoeksrechter, Nestorius vroeg zijn stellingen op te geven. In De incarnatione Domini contra Nestorium werd Nestorius veroordeeld, maar overtuigd van zijn gelijk vroeg deze de keizer een algemeen concilie bijeen te roepen in Efeze in 431. De uitspraken van dit  Concilie van Efeze waren dat in Christus de eenheid van twee naturen voorkomt, menselijk en goddelijk. Maria werd gedefinieerd als de moeder van God, ook al was God reeds eeuwig aanwezig en heeft die alles geschapen en kwam de schepping niet voor uit Maria. Cyrillus van Alexandrië heeft een zeer grote invloed gehad op deze concilaire beslissingen. Nogmaals had Cyrillus van Alexandrië als concilievoorzitter een zeer grote invloed op de beslissing om Nestorius te veroordelen.

Candidianus, die als keizerlijk vertegenwoordiger verantwoordelijk was voor de ordehandhaving en al eerder geprotesteerd had tegen de weigering tot uitstel van de zittingen, verklaarde de besluiten tegen Nestorius ongeldig. Theodosius II besloot op 29 juni dat de besluiten ongeldig waren en dat niemand mocht vertrekken.

Johannes van Antiochië en de Syrische bisschoppen kwamen uiteindelijk op 26 juni in Efeze aan en organiseerden in een plaatselijke kroeg een eigen concilie toen zij van het afzettingsbesluit tegen Nestorius hoorden. Zij excommuniceerden op hun beurt Cyrillus van Alexandrië.

Wegens de tweespalt had keizer Theodosius dan maar besloten om zowel Nestorius als Cyrillus af te zetten.

De veroordeling van Nestorius werd niet door iedereen binnen de Antiocheense kerkgemeenschap aanvaard. In de Nestoriaanse Kerk of de Kerk van het Oosten leefden zijn ideeën verder, zoals bij Theodoretus van Cyrrhus, die in de uiteenzettingen van Cyrillus een wederopleving van het apollinarisme zag.

Het Monofysitisme dat ontstond tijdens de christologische controverses van de 5e eeuw ging niet akkoord met het nestorianisme, met zijn duofysitische leer, noch met de twee-naturenleer, zoals vastgelegd in de uitspraken van het Concilie van Chalcedon waarbij men aan Christus zowel een menselijke als een goddelijke natuur gaf die onafscheidelijk van elkaar in Jezus verbonden zou zijn.


[1] Juni, 325. (First Council of Nicaea) plus veertien concilies, gehouden tussen 341 en 360

+

Voorgaand:

Simplified English version: Politics and power first priority #2

Lees ook:

  1. Niet goddelijkheid van Christus toch
  2. Doctrine van de Drievuldigheid
  3. Drie-eenheid of Heilige Drievuldigheid
  4. Is God Drie-eenheid
  5. Ware Geloof en Ware Geloofsgemeenschap
  6. Het begin van Jezus #8 Beloofde Gezalfde zoon van God
  7. Jezus, Heer maar niet God
  8. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #5 Apologeten
  9. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #6 Constantijn de Grote
  10. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #7 Afstandelijken, donatisten en arianisten
  11. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #8 Concilie van Constantinopel
  12. Groot Drie-eenheidsdebat
  13. God of een god
  14. Heidense invloeden op het trinitarisme

+++

Hellenistische invloeden

De vroege dagen van het Christendom

2. Hellenistische invloeden

In de eerste eeuwen van de gewone tijdrekening was de invloed van de Griekse cultuur in het Romeinse Rijk nog steeds merkbaar en behoedde Griekenland zijn culturele erfgoed; een van de belangrijkste universiteiten van het Romeinse Rijk stond in Athene.

Bij de Atheense scholen konden onder haar leden ook Christenen, zoals Prohæresios, de sofist, gevonden worden. (σοφιστης; sophistés, kan het best vertaald worden als geleerde of deskundige. Sophos of sophia betekende “wijs”)

Vooral tijdens de periode van de 2e helft van de 5e eeuw v.G.T. kon men meestal rondreizende “beroepsdenkers” aantreffen die hun encyclopedische vakkennis inzake wiskunde, literatuur, filosofie en vooral ook welsprekendheid, praktische staatkunde en recht, tegen (hoge) betaling dienstbaar maakten aan de opleiding van de rijpere jeugd uit de gegoede middenklasse. Zo zorgden dezen dat hun leerlingen door middel van onderwijs op het vlak van kennisleer en welsprekendheid op geleid werden tot bekwame mensen die een leidende rol zouden kunnen spelen in de gedemocratiseerde maatschappij en in staat waren het woord te nemen in de volksvergadering (Grieks: ekklèsia).

De sofisten, aan wie de eer toe komt om als eersten de wetten van het denken te hebben gesystematiseerd (logica), kwamen uit vrijwel alle gebieden van de Griekse wereld en doceerden in bijna alle steden.

Zij waren ook de voorlopers van de socratische dialectiek en van aristotelische logica. Latere sofisten waren meer op materieel succes uit en benadrukten het belang van retoriek als de kunst van de overtuiging in de politiek, in de rechtszaal of in andere discussies. Tegen deze praktijk nam Socrates stelling, want waarheid kon volgens hem niet afhankelijk zijn van degene die het overtuigendst op gevoelens inpraatte en met alle mogelijke middelen zijn gelijk probeerde te halen. Op die manier werd een slechte zaak immers als goed voorgesteld. Vooral onder invloed van de dialogen van Plato en Xenophon, kregen de sofisten een kwalijke reputatie, en werd sofistiek verbonden met een manier van redeneren waarbij drogredenen werden gebruikt (sofismen). Zij werden door sommigen er van beschuldigt eerder uit te zijn op macht dat te zoeken naar waarheid en gerechtigheid.

The "obscene" medieval depiction of ...

Obscene middeleeuwse voorstelling van Socrates en Plato

Ook Sixtus II, of Xystos, die aan martelaarschap leed in Rome ongeveer rond 258 G.T., kan ook in Athene gestudeerd hebben en is de „zoon van een Atheense filosoof“. Maar de meest genoteerde mensen die deze scholen frequenteerden waren Basil van Kæsareia, en Gregorius van Nazianzos, rond het midden van de vierde eeuw. Deze scholen van filosofie hielden het heidendom voor vier eeuwen levend, maar tegen de vijfde eeuw was de oude godsdienst van Elevsis en Athene praktisch bezweken. In de Raad van Nikæa was er een bisschop van Athene aanwezig. In 529 waren de scholen van filosofie gesloten. Van die datum had het christendom geen rivaal meer in Athene.[1]

De Nazarener Jood Jezus kreeg bij de doop door zijn neef Johannes een wolk en duif boven hem, waarbij de stem van God te kennen gaf dat hij de “zoon van God” was.  God zij niet “dit ben ik hier in menselijke gedaante” of “ziehier God de zoon“. Tijdens zijn openbaar leven leerde Jezus de mensen ook dat er slechts één ware God was tussen de vele goden die werden aanbeden door de verschillende volkeren. Hij aanschouwde zijn vader in de hemel als de Allerhoogste God. Eveneens leerde hij de mensen dat de ziel, het eigenlijke levensbestaan van de mens beperkt in de tijd was. Elke mens was volgens Jezus sterfelijk. (Johannes 17:3; Mattheus 10:28) Bij de dood van de apostelen kwam er een verzwakking in de originele structuur van de geloofsvereniging en werden zulke leerstellingen vermengd met heidense leerstellingen. Het christendom raakte alom meer bezoedeld door die heidense en hellenistische gedachten.

Ook de Naam van God, Jehovah, die Jezus zeer belangrijk vond, werd meer opzij geschoven ten voordele van andere namen. De voorkeur om de godheid meerdere persoonlijkheden toe te kennen zoals in het hellenistische systeem bracht mee dat verscheidene christenen hun godheid ook gingen opsplitsen in drie persoonlijkheden, de geboorte van de zogenaamde Heilige Drie-eenheid. Het zou echter nog enkele decennia duren eer de drievuldigheid grote navolging kreeg.

Als gevolg van de vermenging van de verscheidene geloofsideeën werden heidense doctrines zoals de Drie-eenheidsleer en de onsterfelijkheid van de ziel al sijpelde opgenomen in de christelijke leer om deze te bederven. Deze leringen gaan echter veel verder terug dan de Griekse filosofen. De Grieken verworven ze daadwerkelijk van oudere culturen, want er is bewijs van een dergelijk onderricht in de oude Egyptische en Babylonische religies. Zoals andere heidense doctrine bleef zij het christendom infiltreren en werden andere Schriftuurlijke leerstellingen ook vervormd of verlaten.

Arabisch Diatessaron, Vertaald door Abul Faraj Al Tayyeb van Syrisch naar Arabisch, 11e eeuw

De vraag welke betrekking de Zoon had tegenover de Vader (zelf erkend bij allen om één Opperste Godheid te zijn), gaf een toename tussen de jaren. 60 en 200 G.T.,  aan een aantal Theosofische systemen, over het algemeen Gnosticisme genoemd, met als voorname auteurs Basilides, Valentinus, Tatianus de Syriër, ontwerper van het Diatessaron (‘Uit vier samengesteld’; geschreven tussen 170 en 180), een harmonie van de vier evangeliën, en andere Griekse speculanten.[2] Volgens sommigen was het door Gnosticisme dat heidense invloeden in de Christelijke verering zijn toegetreden. Gnosticisme, beweren zij, diende dan enigszins als brug tussen heidendom en christendom.[3] De Gnostische systemen openbaarden meer theosofie dan theologie. Zo ook in de Joodse kabbala, met de  Sefer Yetzirah, The Zohar, Pardes Rimonim, en Eitz Chaim, waarin de leer van een geheime, mystieke interpretatie van de Torah wordt gegeven, treft men de theosofie aan die een oplossing zoekt te vinden voor de natuurverschijnselen en de bedoeling van het bestaan De verscheidene ontologische vragen brachten een vermenging in de godsdienst met diverse vormen van magie en occultisme.

Flemish edition of the Corpus Hermeticum or the Hermetic Corpus

Corpus Hermeticum, Vlaamse uitgave uit 1643

De belangrijkste hellenistische bron is het Corpus Hermeticum, een verzameling teksten toegeschreven aan Hermes Trismegistus wiens leerstellingen weer erg relevant werden in de New Age. Daarin worden astrologie en andere occulte wetenschappen behandeld, alsook spirituele vernieuwing.

Alexandrië, vol Joden, was het literaire evenals commerciële centrum van het Oosten, en het verbindende verband tussen het Oosten en het Westen. Daar werden de grootste bibliotheken verzameld; daar kwam de Joodse geest dicht in contact met de Griekse, en de godsdienst van Mozes met de filosofie van Plato en Aristoteles. Daar schreef Philo, terwijl Christus in Jeruzalem en Galilea onderwees, en zijn werken waren bestemd om een grote invloed op Christelijke exegese door de Alexandrische vaders uit te oefenen.

Tijdens de vierde eeuw ging Egypte aan de kerk de Ariaanse, Athanasian orthodoxie, en kloosterpiëteit van St. Antonius en St. Pachomius geven, die met onweerstaanbare kracht over het christendom uitspreiden.

De theologische literatuur van Egypte was voornamelijk Grieks. De meeste vroege manuscripten van de Griekse Geschriften – inclusief de waarschijnlijk onschatbare Sinaitische en Vaticaanse Manuscripten omvattend. – werden geschreven in Alexandrië. Maar reeds in de tweede eeuw werd de Heilige Schrift vertaald in de lokale taal, in drie verschillende dialecten. Wat van deze versies overblijft is van aanzienlijk gewicht in het nagaan van de vroegste tekst van het Griekse Testament.

Tot de joden die het meest ontvankelijk waren voor hellenistische invloeden, behoorden de priesters. Voor velen van hen betekende het aanvaarden van het hellenisme een manier om het judaïsme met zijn tijd te laten meegaan.

Terwijl veel joden het hellenisme aanvaardden, moedigde een nieuwe groep die zich Hasidim of Chassidim noemde — vromen (letterlijk “liefhebbende vriendelijkheid”, afgeleid van het Hebreeuwse חסידות (chassidoet), dat “vroomheid” betekent) —, aan tot striktere gehoorzaamheid aan de wet van Mozes of Mozaïsche Wet.

De eerste groep Hasidim, ook genoemd Chasideeën of Assideeën (Hebreeuws: חסידים Hassidim, “Integeren” of “Vromen”; Koinè: Ἁσιδαίοι Asidaioi) of Hasideans (afgeleid van het Griekse asidaioi, of van het Hebreeuwse Hasidim, “het vrome”), waren een oude Joodse sekte die zich tussen 300 en 175 V.G.T. ontwikkelde. Zij waren de stijfste aanhangers van Judaïsme in tegenstelling tot die Joden die door Hellenistische invloeden waren beïnvloed. Hasidim leidde de weerstand tegen de hellenizerings campagne van Antiochus IV van Syrië, en zij kwamen grotendeels in de vroege fasen van de opstand voor van Maccabeeën of Machabees, Joodse families van de 2d en 1st eeuw voor Christus welke een restauratie van het Joodse politieke en godsdienstige leven bewerkstelligde. Zij worden ook Hasmoneans of Asmoneans genoemd naar hun voorvader, Hashmon. Hun rituele striktheid heeft sommigen veroorzaakt om hen als voorlopers van Farizeeërs te zien. Doorheen de Talmoedische periode werden talrijke als Hasidim omschreven.[4] Het gewone volk walgde nu van de gehelleniseerde priesters en koos meer en meer partij voor de Chassidim. Er brak een periode van martelaarschap aan toen joden in het hele land werden gedwongen zich in heidense gebruiken en offers te schikken of te sterven.[5]

De hellenisering van de Joden in de pre-Hasmoneaanse periode werd niet door iedereen weerstaan. In het algemeen, accepteerden de Joden vreemde overheersing wanneer ze enkel werden gevraagd om er erkenning aan te geven. Wanneer zij formeel alleen maar hulde hoefden te brengen te brengen, en zich verder zelf intern mochten besturen was er geen probleem . Toch geraakten de Joden verdeeld tussen dezen die  de hellenisering begunstigden  en diegenen die zich daar  tegenover verzetten. Zo groeide de verdeeldheid tussen hen die trouw aan de Ptolemaeën verkozen, en diegenen die de Seleuciden verkozen. Toen hogepriester Simon II stierf in 175 vGT, brak er een conflict uit tussen de aanhangers van zijn zoon Onias III (die tegen hellenisering was, en de Ptolemaeën verkoos) en zijn zoon Jason (die de voorkeur gaf aan hellenisering, en de Seleuciden verkoos). Een periode van politieke intriges volgde, met priesters zoals Menelaus die de koning omkocht voor het hoge priesterschap te verkrijgen, en beschuldigingen van moord van concurrerende kanshebbers voor de titel. Het resultaat was een korte burgeroorlog. De Tobiads, een filo-Hellenistische partij, slaagden er in om Jason in de machtige positie van de Hogepriester te plaatsen. Hij vestigde een arena voor openbare spelen dicht bij de tempel. (Ginzberg, Lewis. “The Tobiads and Oniads.”. Retrieved 2007-01-23. Jewish Encyclopedia.) Auteur Lee I. Levine merkt op: “De ‘pièce de resistance’ van Judese hellenisering, en de meest dramatische van al deze ontwikkelingen, kwam in 175 vGT toen de hogepriester Jason Jeruzalem bekeerde tot een Griekse polis vol met gymnasiums en ephebeion (2 Makkabeeën 4). Of deze stap het hoogtepunt van een 150-jaar durend proces van hellenisering werd binnen Jeruzalem in het algemeen, of dat het slechts het initiatief was van een kleine kliek van Jeruzalemse priesters zonder wijdere vertakkingen, is voor decennia besproken geworden. “(Levine, Lee I. jodendom en hellenisme in de oudheid: conflict of samenvloeiing Hendrickson Publishers, 1998 pp 38 tot 45 Via.. “De impact van de Griekse cultuur op normatieve jodendom.”)

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.
Foto: RKK

Constantijn (C., Flavius Valerius Constantinus) trachtte het christendom met bepaalde heidense gebruiken en leerstellingen te versmelten, en hij ondernam de eerste stappen om deze fusiereligie tot de officiële staatsreligie te maken. Aldus werd Griekenland een deel van de christenheid.

Constantijn was tijdens de vervalperiode van het Romeinse Rijk de Grote keizer (306–337 G.T.) en verplaatste de hoofdstad van het Romeinse rijk van Rome naar Byzantium, welk hij ter ere van zichzelf Constantinopel noemde.

In 321 G.T. verordende Constantijn dat de zondag (Lat.: dies Solis, een oude titel die verband hield met astrologie en zonaanbidding, niet Sabbatum [sabbat] of dies Domini [dag des Heren]) een rustdag voor iedereen, behalve voor de boeren, zou zijn. Constantijn bovendien plaatste de zondag onder de bescherming van de Staat. Constantijn spreekt niet van de dag van de Heer, maar van de eeuwige dag van de zon zoals de gelovigen in Mithras ook zondag evenals Kerstmis waarnamen.

Mesopotamische kalksteen rolzegel en afdruk: verering van Šamaš de zonnegod (Louvre)

Geloof in het oude polytheïsme was door elkaar geschud; in flegmatieker naturen, als de Romeinse keizer Diocletianus, en toonde haar kracht enkel in de vorm van bijgeloof, magie en waarzegging. Waarschijnlijk erkenden veel van de meer edelmoedigen de waarheid in Judaïsme en christendom, maar geloofden dat zij er deel van konden gaan uitmaken zonder verplicht te worden te verzaken aan hun heidense praktijken en verering van o.a. hemellichamen. Zulk iemand was Keizer Alexander Severus; een andere gelijkdenkende was Aurelian, wiens opinies bevestigd werden door Christenen zoals Paulus van Samosata. Niet alleen Gnostici en andere ketters, maar ook Christenen die zich als gelovige beschouwden, namen de maatregelen aan om de zon te vereren. Ook Constantijn koesterde dit verkeerde geloof.[6]


[1] Christian Athens, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[2] Arianism., Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[3] Notion and characteristics, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[4] In de 18de Eeuw zou deze beweging opnieuw, voor de derde keer, opgenomen worden, maar nu in Oost Europa, door rabbijn Yisroel ben Eliezer (1698-1760) ook gekend als Rabijn Israël Baal Shem Tov (Hebreeuws voor Meester van de Goede Naam)als reactie tegen overdreven legalistische Judaïsme.

[5] S. Lieberman, Hellenism in Jewish Palestine (1962); S. G. Kramer, God and Man in the Sefer Hasidim (1966); A. L. Lowenkopf, The Hasidim (1973).

[6] The original Catholic Encyclopedia

Verhoging Afdwaling

De vroege dagen van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.3.              Verhoging Afdwaling

Het christendom bereikte proconsulair Afrika in de tweede, misschien reeds bij het sluiten van de eerste eeuw. Er waren constante betrekkingen met Italië. Het spreidde zeer snel over de vruchtbare gebieden en het brandende zand van Mauritanië en Numidië uit. In 258 kon er een synode van zevenentachtig bisschoppen samen komen, en in 308 hielden de afgescheurde Donatisten een raad van twee honderd zeventig bisschoppen in Carthago. De bisdommen, natuurlijk, waren klein in die dagen.

Jerome

Codex Balliolensis van Terullianus

De oudste Latijnse vertaling van de Bijbel, verkeerd genoemd „Itala“ (de basis van Jerome zijn “Vulgata“) werd waarschijnlijk in Afrika en voor Afrika gemaakt, niet in Rome en voor Rome, waar op dat ogenblik de Griekse taal onder Christenen heerste. De Latijnse theologie, ook, was niet geboren in Rome, maar in Carthago. Tertullius of Tertullianus, is er de vader van. Minutius Felix, Arnobius, en de Cyprioot bewijzen de activiteit en de welvaart van het Afrikaanse christendom en theologie in de derde eeuw. Het bereikte zijn hoogtepunt tijdens het eerste trimester van de vijfde eeuw in het intellect en het brandende hart van St. Augustinus, maar spoedig na zijn dood (430) werd het begraven eerst onder barbarisme van de Vandalen, en in de zevende eeuw door de Moslimverovering. (Volgens de overlevering moedigde hij de bewoners van Hippo aan om zich te verzetten tegen de Vandalen, vooral omdat de Vandalen een Ariaanse variant van het christendom aanhingen, die Augustinus als ketters beschouwde.)  Maar toch leidde zijn geschriften Christelijke gedachten in de Latijnse kerk door de middeleeuwen, bevorderde de Hervormers, en werd het een essentiële kracht voor velen vandaag.

Vanaf de tweede helft van de eerste eeuw G.T. verhoogde het afdwalen en sloop afval de gemeenten binnen, en werden velen erdoor beïnvloed. Zogenaamde christenen raakten geïntegreerd met de natiën van de wereld en konden niet van de wereld om hen heen worden onderscheiden.

Na de zogenaamde bekering van Constantijn in de vierde eeuw stroomden de heidenen in grote aantallen naar de vorm van christendom die toen de boventoon voerde. Met welk gevolg? Het boek Early Christianity and Paganism verklaart: „De betrekkelijk kleine groep echt serieuze gelovigen ging verloren in de grote massa zogenaamde christenen.”

Hoe waar bleken Paulus’ woorden te zijn! Het was alsof het ware christendom werd opgeslokt door heidens bederf. En nergens was deze bezoedeling duidelijker merkbaar dan in de viering van feestdagen.

De eerste vijftien bisschoppen van christendom waren besneden Joden, zij hielden zich aan de Wet en waren eerder onvriendelijk naar het heidendom toe, terwijl zij vriendelijke betrekkingen met de leiders van de synagoge vasthielden. Vele halakic en haggadic bespreking zijn in de Talmoed geregistreerd zoals deze plaats hebben genomen tussen de Christenen en de Rabbi’s. Vermoedelijk heeft de Christelijke Gemeenschap of Kerk van de Heiligen, zichzelf niet onderscheiden van de uiterlijke vorm van de “Ḳehala Ḳaddisha”[1] te Jeruzalem, onder welke naam de Essenen gemeenschap, waartoe Johannes de Doper oorspronkelijk toe behoorde, de ondergang van de Tempel overleefde.[2] (De vroegste vermelding van de Essenen is in Josephus‘ verhaal over ene Judas de Essener, over wie wordt gezegd dat hij de moord van Antigonus door Aristobulus I in 104 v.Chr.had voorspeld.)

The romanticized woodcut engraving of Flavius ...

The romanticized woodcut engraving of Flavius Josephus appearing in William Whiston’s translation of his works. (Photo credit: Wikipedia)

Tussen het ethische en apocalyptische onderwijs van de Evangelies en Epistels en het onderwijs van Essenen van die tijd, zoals aangegeven in Philo, in Hippolytus, en in de Ethiopische en Slavische Boeken van Enoch, evenals die in de rabbijnse literatuur wordt gegeven, is de gelijkenis dusdanig dat de invloed van de laatstgenoemden op de eerstgenoemden nauwelijks kan worden ontkend. Niettemin, is de houding van Jezus en zijn discipelen totaal anti-Esseen, een beschuldiging en loochening van Essene gestrengheid en ascetisme; maar vreemd, terwijl de Romeinse oorlog een beroep deed op mensen van actie zoals de Zeloten, werden de mensen van een vreedzamere en onrealistische aard, die eerder genoeg Essenen waren geworden, meer en meer aangetrokken door het christendom, en gaven de Kerk haar andere wereld karakter; terwijl het Judaïsme een praktischer en meer wereldse kijk op de dingen had, en Essenisme toe stond om slechts in traditie en geheime overlevering te leven.[3] De Essenen braken met het officiële priesterschap, namen niet deel aan religieuze diensten en offers in de tempel, maar hielden zich aan de andere kant strikt aan de Wet. Net als de Farizeeën, met wie zij in menig opzicht overeenkomst vertoonden, vielen zij ten prooi aan hellenistische invloeden en gingen zij geloven in een onsterfelijke ziel.

De Apostelen waren zich ervan bewust dat het Evangelie aan alle naties moest worden gepredikt, en pas dan de voltooiing zal komen, en daarom drukten zij hun hoop opdat mensen het Woord van God zouden blijven bestuderen en aan evangelisatie zouden blijven doen.


[1] Meshullam vormde een maatschappij genoemd “Ḳehala Ḳaddisha”  (de Heilige Gemeenschap), omdat zijn leden één derde van de dag aan de studie van de Thora, één derde aan gebed en het overblijvende derde wijdden aan werken (Yer. . Sheni 53d; Eccl. R. ix. 9).
Read more: http://www.jewishencyclopedia.com/view.jsp?artid=758&letter=S#ixzz15AWdlkt6

[2] Ber. 9b; vergelijk Eccl. R. ix. 9: ‘Edah Ḳedoshah

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #10 De Inquisitie

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

 

De Inquisitie.

Gedurende de drie eerste eeuwen werden tegestanders van het door het staatsaparaat erkende geloof uitlsuiten gestraft op geestelijk vlak. Maar met Constantijn en zijn opvolgers kwam hierin verandering. Sedert Valentianus I (364-378) werden vele wetten tegen zogenaamde ketters uitgevaardigd. De straffen werden confiscatie der goederen, verbanning, het verlies van het recht om een testament te maken, enz.. Eerst stond alleen op het Manicheïsme en het Donatisme de doodstraf, maar in de 11° en 12° eeuw is er al herhaaldelijk sprake van anders gelovigen die aanschouwd worden als maatschappelijk gevarlijk en beter ter dood worden gebracht. De vervolging gaat bijna altijd uit van de spontane verontwaardiging van het volk.[1]

Sedert het midden van de 12° eeuw wordt de toestand anders.
De Katharen verspreiden zich meer en meer, verbonden met de Waldenzen worden zij aanzien als een gevaar voor Kerk en maatschappij. In 1157 werd tijdens het Concilie van Reims voor het eerst opgeroepen tot de vervolging van ketters. Op de synode van Verona (1184) vaardigde Lucius III in tegenwoordigheid van en in samenwerking met koning Frederik Barbarossa een constitutie uit, waarin hij de excommunicatie hernieuwde tegen alle ketters en hun begunstigers. Deze bul Ad Abolendam (Nederlands: Met het doel af te schaffen) betekende een begin van de werkzaamheden van de Inquisitie.

Spanish Inquisition

Spaanse Inquisitie met martelpraktijken

 

Wie zich niet wilde bekeren en behoorlijk boete doen of in de ketterij was hervallen, moest aan de wereldlijke macht ter (billijke) afstraffing overgeleverd worden. Een rijksban werd door de keizer uitgesproken en er werd opgeroepen om de ketters op te sporen. De inquisitie werd een feit.

Met de Regels van Pamiers van 1211 werd de Inquisitie voor het eerst formeel geïnstitutionaliseerd op diocesaan niveau en werd de samenwerking tussen kerk en staat vastgelegd. Vanaf dat moment kon de inquisitie regionaal de vorm aannemen van een systematische vervolging van de katharen en andere andersdenkenden. In verschillende pauselijke decretalen werden telkens aspecten van de toepassing van de inquisitoriale methode verder uitgewerkt. Pas na de verschijning in 1234 van de decretalenverzameling van paus Gregorius IX beschikte men over een min of meer uniforme en consistente regels op dit gebied, in plaats van los overgeleverde relatief toevallig bekende relevante decretalen.

Een aantal religieuze groepen werden door aanscherping van de Regels van Pamiers op aandringen van paus Innocentius III  op het Vierde Lateraans Concilie van 1215 en namens de hele kerk goedgekeurd.

Joden (welke hun riten mochten onderhouden) moesten een geel insigne gaan dragen zoals ook de Mohammedanen een onderscheidingsteken moesten gaan dragen. Heidenen vielen niet onder de inquisitie wetten, tenzij in bepaalde gevallen, als zij b.v. de Christenen (lees Katholieken) tot afval verleiden. Men richtte zich vooral tegen de Katharen, Waldenzen, verdachte Begijnen, Apostelbroeders enz.[2]

In 1243 besloot paus Innocentius IV dat bij de verhoren van verdachten ook marteling was toegestaan. De inquisitie vormde van toen af aan, onder rechtstreeks toezicht van de paus, een ontzagwekkende, nagenoeg onaantastbare macht, niet alleen van de Kerk over het volk, maar ook binnen de Kerk zelf.

Op het einde der middeleeuwen openbarden zich verschillende religieuze stromingen die zonder direct ketters te zijn, toch de voorbereiding van het later opkomende protestantisme bevorderden.


[1] Handboek der Kerkgeschiedenis #1 p. 539.

[2] Handboek der Kerkgeschiedenis #1 p. 541.

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. #6 Constantijn de Grote

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

Constantijn de Grote .

In 325 G.T. riep de Romeinse keizer Flavius Valerius Aurelius Constantinus of  Constantijn de Grote (272/280-337)  in de stad Nicea in Klein-Azië een concilie van bisschoppen bijeen. Zijn opzet was, de voortdurende religieuze geschillen over de verhouding tussen de Zoon van God en de Almachtige God te beslechten.

Concilie van Nicea 325

De historicus Philip Schaff merkte op dat „het meest opvallende punt” in de periode vóór het concilie van Nicea in 325 G.T. „het geloof [was] in een aan de algemene opstanding en het algemene oordeel voorafgaande en door de verheerlijkte Christus op aarde uitgeoefende zichtbare regering die duizend jaar zou duren en waarin de opgestane heiligen zouden delen”. In A Dictionary of the Bible, onder redactie van James Hastings, staat: „Tertullianus, Irenaeus en Hippolytus zien nog steeds uit naar een ophanden zijnde Advent [van Jezus Christus]; maar met de Alexandrijnse Vaders komt er een verandering in het gedachtengoed. . . . Toen Augustinus het Millennium met de periode van de strijdende Kerk vereenzelvigde, werd de Tweede Advent naar een verre toekomst geschoven.”

In 314 G.T. trachtte het concilie van Arles (Frankrijk) de Romeinse regeling door te drukken en alle alternatieven af te schaffen. De overgebleven Quartodecimanen hielden stand. In 325 G.T. riep de heidense keizer Constantijn een oecumenische synode bijeen, het concilie van Nicea, om deze en andere kwesties waardoor de belijdende christenen in zijn rijk werden verdeeld, op te lossen. Het concilie vaardigde een decreet uit waarin allen in Klein-Azië werd opgedragen zich aan het Romeinse gebruik aan te passen.[1]
Constantijn I, de Grote, was beslist een man van zijn tijd en zwichtte voor de tijdgeest en achtte het noodzakelijk religie een belangrijke plaats toe te kennen binnen het raamwerk van zijn politieke plannen. Aan het begin van zijn loopbaan had hij enige „goddelijke” steun nodig, en die konden de kwijnende Romeinse goden niet bieden. Het rijk, met inbegrip van de godsdienst en andere instellingen, verkeerde in verval, en er was iets nieuws en bezielends nodig om het weer te consolideren. De encyclopedie Hidria zegt: „Constantijn was vooral in het christendom geïnteresseerd omdat het niet alleen zijn overwinning maar ook de reorganisatie van zijn rijk ondersteunde. De christelijke kerken, die overal bestonden, werden zijn politieke steun. . . . Hij omringde zich met de grote prelaten van die tijd, en hij verlangde dat zij hun eenheid intact hielden.”

Constantijn begreep dat de „christelijkereligie — al was ze inmiddels afvallig en door en door verdorven — doeltreffend kon worden gebruikt als een vernieuwende en verenigende kracht ter verwezenlijking van zijn grootse plan om een absoluut heerser te worden. Hij nam de grondslagen van het afvallige christendom over om steun te winnen ter bevordering van zijn eigen politieke doeleinden en besloot de mensen te verenigen onder één „katholieke” of universele religie. Heidense gewoonten en vieringen kregen een „christelijke” naam. En „christelijke” geestelijken ontvingen de status, het salaris en het invloedrijke gezag van heidense priesters.

Constantinus

Constantinus

Om politieke redenen naar religieuze harmonie zoekend, bracht Constantijn iedereen die een afwijkende mening had, snel tot zwijgen, niet op basis van leerstellige waarheid maar op grond van aanvaarding door de meerderheid. De diepgaande dogmatische geschillen binnen de uiterst verdeelde „christelijke” kerk boden hem de gelegenheid als een „door God gezonden” middelaar tussenbeide te komen. Uit zijn bemoeienissen met de donatisten in Noord-Afrika en de volgelingen van Arius in het oostelijk deel van het rijk begreep hij al gauw dat overredingskracht niet voldoende was om een sterke, verenigde religie te smeden. In een poging de Ariaanse controverse op te lossen, riep hij het eerste oecumenische concilie in de geschiedenis van de kerk bijeen.

De historicus Paul Johnson zegt over Constantijn: „Een van de voornaamste redenen waarom hij het christendom tolereerde, was wellicht dat het hemzelf en de Staat in de gelegenheid stelde zeggenschap uit te oefenen over het beleid van de Kerk inzake orthodoxie en de behandeling van ketterij.”

Als de heidense Pontifex Maximus — en bijgevolg het religieuze hoofd van het Romeinse Rijk — trachtte Constantijn de bisschoppen van de afvallige kerk voor zich te winnen. Hij bood hun posities van macht, aanzien en rijkdom aan als functionarissen van de Romeinse staatsreligie. De Catholic Encyclopedia geeft toe: „Sommige bisschoppen, verblind door de pracht en praal aan het hof, gingen zelfs zo ver dat zij de keizer als een engel van God, als een heilig wezen, loofden en profeteerden dat hij, net als de Zoon van God, in de hemel zou regeren.”

Concilie van Nicaea 325 Verbranding Ariaanse boeken

Naarmate het afvallige christendom bij het politieke bestuur in de gunst kwam, werd het meer en meer een deel van deze wereld, van dit seculiere samenstel, en dreef het af van de leringen van Jezus Christus (Johannes 15:19; 17:14, 16; Openbaring 17:1, 2). Als gevolg daarvan vond er een versmelting plaats van het „christendom” met valse leerstellingen en praktijken — de Drie-eenheid, de onsterfelijkheid van de ziel, het hellevuur, het vagevuur, gebeden voor de doden, het gebruik van rozenkransen, iconen, beelden en dergelijke. — Vergelijk 2 Korinthiërs 6:14-18.

Van Constantijn heeft de kerk ook de neiging tot eigenmachtig optreden geërfd. De bijbelgeleerden Henderson en Buck zeggen: „De eenvoud van het Evangelie werd verdorven, er werden pompeuze riten en ceremoniën ingevoerd, aan de leraren van het christendom werden wereldse eerbewijzen en salarissen geschonken en het Koninkrijk van Christus werd grotendeels in een koninkrijk van deze wereld veranderd.”

De Catholische Kerk werd als de Romeinse Kerk gepromoveerd tot de Koninkrijkskerk. In de Encyclopædia Britannica wordt uiteengezet dat, volgens de theologie van Aurelius Augustinus van Hippo (354–430 G.T.), „het Koninkrijk van God al in deze wereld begonnen is bij de oprichting van de kerk” en „reeds aanwezig [is] in de sacramenten van de kerk”.

De historische feiten onthullen de waarheid achter de „grootheid” van Constantijn. In plaats van gegrondvest te zijn door Jezus Christus, het Hoofd van de ware christelijke gemeente, is de christenheid voor een deel het resultaat van het politieke opportunisme en de slinkse manoeuvres van een heidense keizer. Heel passend vraagt de historicus Paul Johnson: „Is het rijk voor het christendom gezwicht, of heeft het christendom zich met het rijk geprostitueerd?”

Vanaf het concilie van Nicea in 325 G.T. fuseerde keizer Constantijn de heidense Romeinse staatscultus met het afvallige christendom en werd hij het hoofd van de nieuwe Katholieke Kerk. De Rooms-Katholieke Kerk kan haar bestaan derhalve terugvoeren tot de vierde eeuw van onze gewone tijdrekening.

Ondertussen bleven Christelijke broeders en zusters elkaar steunen en het geloof onderhouden, niettegenstaande verhoogde tegenstand.


[1]A Short History of Christian Doctrine; A History of Christianity; Istoria tou Ellinikou Ethnous (Geschiedenis van de Griekse natie); Encyclopedie Hidria; WT 1998; Catholic Encyclopedia

De tegenpaus Hippolytus van Rome ( omstreeks 170 – omstreeks 235) leerling van Irenaeus een van de belangrijkste kerkleraren van zijn tijd. Hij verzette zich openlijk tegen de pausen van zijn tijd die hadden geopteerd om over te gaan naar een Drie-eenheidsleer, opeenvolgend Zephyrinus, Calixtus I en Pontianus, met name wat betreft de heilige drie-eenheid. Hij beschuldigde Paus Zephyrinus van modalism, de ketterij die inhield dat de namen Vader en Zoon eenvoudig verschillende namen waren voor hetzelfde onderwerp zijn. Hippolytus verdedigde de Logo’s doctrine van de Griekse Apologeten, die de Vader van de Logo’s (“Woord”) onderscheidden.

zie ook: “Saint Hippolytus of Rome.” Encyclopædia Britannica. 2010. Encyclopædia Britannica Online. 15 Aug. 2010 > Saint Hippolytus of Rome + Saint Hippolytus of Rome

Constantijns hoofddoel was stabiliteit. De religieuze en theologische geschillenwaren voor hem een doorn in het oog en een gevaar ovor de stabiliteit in zijn rijk. Daarom leek het voor hem ook zeer belangrijk dat er in de uitvoering van het geloof ook een consensus kon gevonden worden en een vrede tussen de heidenen en navolgers van Jezus Christus kon verkregen worden. Voor hem moest de zonnegod  Sol Invictus het symbool zijn van de algemene goddelijkheid.  Het labarum dat als symbool werd aangebracht op de soldaten hun schildenen en het ermee geassocieerde motto in hoc signo vinces (in dit teken zal je overwinnen) zou volgens de overlevering aan Constantijn zijn verschenen in een visioen toen hij in Saxa Rubra was, tot welk Constantijn zijn overwinning toeschreef aan de god van de christenen.

De eenheid of katholiciteit der religies die Constantijn I op het oog had bracht mee dat die gemeenschap van gelovigen die zich profileerde als De Kerk sinds het Eerste Concilie van Nicea in 325 in haar officiële documenten de term ‘Katholieke Kerk’ staande voor Algemene Kerk of Universele Kerk, ook in de documenten van de twee laatste oecumenische concilies ging gebruiken.  Constantijn gaf de paus het Lateraanse paleis, dat jarenlang de pauselijke residentie zou zijn, naast de basiliek San Giovanni in Laterano. Dit paleis werd het bestuurscentrum van de Katholieke Kerk. Ook werd hier de synode van Lateranen gehouden, waar Caecilianus werd vrijgesproken van de aanklacht dat hij de onrechtmatige bisschop van Carthago was. Zijn tegenstander Donatus werd schuldig bevonden aan ketterij, evenals zijn aanhangers, de donatisten. Het begrip ‘rooms-katholiek’ dat wij ook meermaals gebruiken is ontstaan aan het begin van de 16e eeuw, ten tijde van de Reformatie, om onderscheid te maken tussen hen die de paus, of de bisschop van Rome, trouw bleven, alsook om te onderscheiden tussen de  Orthodox, Charismatische en andere Trinitarische Katholieken en de protestanten. Het woord rooms duidt op de stad Rome en verwijst naar de kleine stadstaat Vaticaan waar de pauselijke zetel is gevestigd. Met Rooms-katholieke Kerk wordt dus de organisatie aangeduid: de Katholieke Kerken die verenigd zijn rond de bisschop van Rome.

Ook al waren er sommige keizers die openlijk Ariaans gezind waren en zelfs soms actief het trinitarische christendom tegenwerkten kon de unitaristische gedachte het halen en werd het Trinitarisme de hoofdstroming in het Christendom.

Doordat een groot deel van het christendom zich met het rijk geprostitueerd heeft wordt die Catholische Kerk of Katholieke Kerk ook als de hoer Babylon gepersonifieerd.

Vindt ook achtergrondinformatie:
Apologetics – A theological science which has for its purpose the explanation and defence of the Christian religion

Constantinus (Constantijn) de Grote Augustus van het Westen (313 – 324); Augustus van het Romeinse Rijk (324-337)

Constantine the Great – Information on the Roman emperor
Constantine, Donation of – By this name is understood, since the end of the Middle Ages, a forged document of Emperor Constantine the Great, by which large privileges and rich possessions were conferred on the pope and the Roman Church
Constantinople – Capital, formerly of the Byzantine, now of the Ottoman, Empire (As of 1908, when the article was written.)
Constantinople, First Ecumenical Council of – Called in May, 381, by Emperor Theodosius, to provide for a Catholic succession in the patriarchal See of Constantinople, to confirm the Nicene Faith, to reconcile the semi-Arians with the Church, and to put an end to the Macedonian heresy

Nicaea, First Council of – First ecumenical council, held in 325 to combat Arianism

Nicene Creed – The profession of the Christian Faith common to the Catholic Church, to all the Eastern Churches separated from Rome, and to most of the Protestant denominations.

Aurelius Augustinus (354-430)

Augustine of Hippo, Saint – Biography, with extensive hyperlinks to related articles
Augustine of Hippo, Teaching of Saint – Article on Augustine as a Doctor of the Church, and his influence in the history of philosophy and theology. Particular interest in his teaching on grace
Augustine of Hippo, Works of Saint – Annotated bibliography of Augustine’s principal writings
Augustinian Canons – According to St. Thomas Aquinas, a canon regular is essentially a religious cleric

Tatianus een 2° eeuwse apologist

Athanasian Creed, The – One of the symbols of the Faith approved by the Church and given a place in her liturgy

Tag Cloud

The Eccentric Fundamentalist

Musings on theology, apologetics, practical Christianity and God's grace in salvation through Jesus Christ

John 20:21

"As the Father has sent me, so I am sending you."

The Biblical Review

Reviewing Publications, History, and Scripture

Words on the Word

Blog by Abram K-J

Bybelverskille

Hier bestudeer ons die redes vir die verskille in Bybelvertalings.

Michael Bradley - Time Traveler

The official website of Michael Bradley - Author of novels, short stories and poetry involving the past, future, and what may have been.

BIBLE Students DAILY

Be faithful unto death, and I will give you the crown of life. – Revelation 2:10

God's Simple Kindness

A place to share your daily blessings

takeaminutedotnet

All the Glory to God

Religieus Redeneren

Gedachten en berichten over hedendaags (on)geloof

Jesse A. Kelley

A topnotch WordPress.com site

JWUpdate

JW Current Apostate Status and Final Temple Judgment - Web Witnessing Record; The Bethel Apostasy is Prophecy

Sophia's Pockets

Wisdom Beyond Walls

ConquerorShots

Spiritual Shots to Fuel the Conqueror Lifestyle

Examining Watchtower Doctrine

Truth Behind the "Truth"

Theological NoteBook

Dabbling into Theology

sowers seed

be careful 'how you hear'

Next Comes Africa

If I take the wings of the morning, and dwell in the uttermost parts of the sea; Even there shall thy hand lead me, and thy right hand shall hold me - Psalm 139: 9,10

friarmusings

the musings of a Franciscan friar...

%d bloggers like this: