An other Christian WordPress.com site – Een andere Christelijke WordPress.com site

Posts tagged ‘Gemeente’

Jehovah kan hem staande houden

Wie zijt gij, dat gij de huisknecht van een ander oordeelt?+ Hij staat of valt voor zijn eigen meester.+ Hij zal trouwens staande worden gehouden, want Jehovah* kan hem staande houden.+ (Romeinen 14:4)

een ander oordeelt?:

  • Jakobus 4:12: 12 Eén is wetgever en rechter,+ hij die kan redden en vernietigen.+ Maar gij, wie zijt gij, dat gij [uw] naaste oordeelt?+
  • Lukas 6:37: 37 Houdt bovendien op met oordelen, en GIJ zult geenszins geoordeeld worden;+ en houdt op met veroordelen, en GIJ zult geenszins veroordeeld worden. Blijft vrijlaten, en GIJ zult vrijgelaten worden.+
  • Romeinen 2:1 2 Daarom zijt gij, o mens,+ wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen wanneer gij oordeelt;+ want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf, aangezien gij die oordeelt,+ dezelfde dingen beoefent.+
  • Romeinen 14:10: 10 Maar waarom oordeelt gij uw broeder?+ Of waarom ziet gij ook neer op uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel+ van God staan;
  • Romeinen 14:13: 13 Laten wij elkaar daarom niet langer oordelen,+ maar neemt liever deze beslissing,+ een broeder+ geen struikelblok+ in de weg te leggen noch iets waarover hij kan vallen.
  • 1 Korinthiërs 4:5: Oordeelt daarom niets+ vóór de bestemde tijd, totdat de Heer komt,+ die zowel de verborgen dingen der duisternis aan het licht zal brengen+ als de raadslagen der harten openbaar zal maken,+ en dan zal een ieder zijn lof van God ontvangen.*+
  • Jakobus 4:11-12: 11 Spreekt niet langer ten nadele van elkaar, broeders.+ Wie ten nadele van een broeder spreekt of zijn broeder oordeelt,+ spreekt ten nadele van de wet en oordeelt de wet. Nu dan, indien gij de wet oordeelt, zijt gij geen dader van de wet, maar een rechter.+  12 Eén is wetgever en rechter,+ hij die kan redden en vernietigen.+ Maar gij, wie zijt gij, dat gij [uw] naaste oordeelt?+

Hij staat of valt voor zijn eigen meester

  • 1 Korinthiërs 4:4: Want ik ben mij er niet van bewust+ dat er iets tegen mij is. Toch is daardoor nog niet bewezen dat ik rechtvaardig ben, maar hij die mij onderzoekt, is Jehovah.*+

Jehovah {„Jehovah”, J18,23; P46אABC(Gr.): ho Kuʹri·os; DVgSyh: „God.”} kan hem staande houden:

  • Jeremia 35:19:19 daarom heeft Jehovah der legerscharen, de God van I̱sraël, dit gezegd: „Van Jo̱nadab, de zoon van Re̱chab, zal niet worden afgesneden een man die voor altijd*+ voor mijn aangezicht staat.”’”*+

 

Jehovah kan hem staande houden. — Rom. 14:4.

Het gaat erom wat God van ons vindt. Jehovah waardeert onze toewijding en loyaliteit aan hem en beoordeelt ons niet op onze prestaties. En het zou kunnen dat je meer voor Jehovah hebt gedaan dan je beseft. Waarschijnlijk heb je een goede invloed gehad op anderen in de gemeente en ook op personen in je gebied die dankzij jouw inspanningen over de waarheid hebben gehoord. Bezie elke taak die je van Jehovah krijgt als een bewijs dat hij met je is (Jeremias 20:11). Misschien ben je ontmoedigd omdat je dienst onproductief lijkt of omdat een bepaald geestelijk doel onbereikbaar lijkt. Toch heb je nog steeds het grootste voorrecht dat er is: het goede nieuwsprediken en Gods naam dragen. Blijf Jehovah daarom trouw. Dan kan er ook tegen jou gezegd worden:

„Ga de vreugde van uw meester binnen” (Matth. 25:23).

w14 15/3 2:17, 18

Saam sterk verenig in die deel met mekaar van die Waarheid van God, vol durf om daar op uit te trek om die Goeie Nuus te verkondig - samen sterk in de verkondiging van het Goede Nieuws en bekendmaking van Gods Heilige Naam en Zijn Plan van wereldvrede

Saam sterk verenig in die deel met mekaar van die Waarheid van God, vol durf om daar op uit te trek om die Goeie Nuus te verkondig – samen sterk in de verkondiging van het Goede Nieuws en bekendmaking van Gods Heilige Naam en Zijn Plan van wereldvrede

+

Voorgaande:

Jehovah kan hom staande hou

Deel van God se Rykdom en Wysheid

Freigeben von Gottes Reichtum und Weisheit

Delen van God’s Rijkdom en Wijsheid

Meerderheid protestantse kerken zit op zwart zaad

++

Aanvullende lektuur:

  1. Geloof aan mijn voordeur
  2. De Mens op zoek naar God
  3. Intentie en Toewijding

Jehovah kan hom staande hou

Wie is jy om ’n ander se huiskneg te oordeel?+ Hy staan of val ten opsigte van sy eie heer.+ Trouens, hy sal staande gehou word, want Jehovah kan hom staande hou.+

Jehovah kan hom staande hou.—Rom. 14:4.

Hoe God ons beoordeel, is wat werklik saak maak. Jehovah waardeer ons toegewydheid en getrouheid aan hom; hy meet ons nie aan wat ons vir hom gedoen het nie. Jy het heel moontlik meer vir Jehovah gedoen as wat jy besef. Daar is waarskynlik mense in die gemeente op wie jy ’n goeie invloed gehad het, asook mense in die gebied wat weens jou pogings aan die waarheid blootgestel is. Beskou elke toewysing wat jy van Jehovah ontvang, as ’n bewys dat hy met jou is (Jer. 20:11). Jy is dalk mismoedig omdat jy voel dat jy niks in jou diens bereik nie of omdat dit lyk of die een of ander geestelike doelwit buite jou bereik is. Tog geniet jy nog steeds die grootste voorreg wat enigeen van ons nou kan hê—om die goeie nuus te verkondig en God se naam te dra. Bly getrou. Dan kan die woorde in een van Jesus se gelykenisse in sekere sin aan jou gerig word:

“Gaan in die vreugde van jou heer in.”—Matt. 25:23.

w14 3/15 2:17, 18

Saam sterk verenig in die deel met mekaar van die Waarheid van God, vol durf om daar op uit te trek om die Goeie Nuus te verkondig

Saam sterk verenig in die deel met mekaar van die Waarheid van God, vol durf om daar op uit te trek om die Goeie Nuus te verkondig

+

Vorige en aansluitende artikels:

Deel van God se Rykdom en Wysheid

Die helper, die heilige gees sal julle alles leer en julle herinner

De heilige geest zal alle dingen welke gezegd zijn in herinnering terugbrengen

Delen van God’s Rijkdom en Wijsheid

Der heilige Geist wird euch an alle Dinge erinnern

Freigeben von Gottes Reichtum und Weisheit

+++

Minimaliseren van Gods Kracht de Heilige Geest

De vroege dagen van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.2.              Minimaliseren van Gods Kracht de Heilige Geest

Het “uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk tot een speciaal bezit” ( 1 Petrus 2:9 ) trachtte zich recht te houden en hun leerstellingen zuiver te bewaren. Zij verrichtten hun christelijke bediening onder heel moeilijke omstandigheden. Paulus bracht het als volgt onder woorden: „Wij worden in elk opzicht bestookt, maar toch niet zo in het nauw gedreven dat wij ons niet meer kunnen bewegen; wij zijn ten einde raad, maar niet totaal zonder uitweg; wij worden vervolgd, maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeworpen, maar niet vernietigd.” (2 Korintiërs 4:8, 9).

Men hoeft slechts de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen der Apostelen te lezen om te zien hoeveel enthousiasme en vreugde ervan uitging, zelfs ondanks vervolging (Handelingen 2:44-47; 4:32-34; 5:41; 6:7). Maar in de loop van tientallen jaren veranderde de situatie, en veel joodse christenen gingen het in de wedloop om het leven kennelijk wat langzamer aan doen. Een toestand van matheid en vermoeidheid, van onvervulde verwachtingen, uitgestelde hoop, bewust tekortschieten en feitelijk ongeloof kwam over de gelovigen. Zij waren christenen, maar hadden weinig waardering voor de heerlijkheid van hun roeping. Voor sommigen van hen leken Gods beloften onwerkelijk en een brug te ver.

Speyer---Cathedral---South-View---(Gentry)

4° Eeuwse bijeenkomstruimte. - Zuidzijde van de Kaiser- und Mariendoms zu Speyer. - Foto Alfred Hutter

Tijdens de eerste eeuw zag de toekomst voor de georganiseerde christelijke gemeente er donker uit. Jezus had voorzegd dat het zou zijn alsof een pas bezaaid tarweveld met onkruid bezaaid werd waardoor de tarwe vrijwel niet van het onkruid te onderscheiden was. Voor vrees dat men toevallig terwijl men de valse leraren zou verwijderen ook de normale gelovigen met hen zouden kwijt spelen. (Mattheüs 13:24-30). En zo geschiedde het ook. Tegen het einde van de eerste eeuw, toen de bejaarde apostel Johannes als de laatste belemmering tegen verdorvenheid fungeerde, bloeide de afval reeds (2 Thessalonicenzen 2:6; 1 Johannes 2:18). Niet lang na de dood van de apostelen ontstond er een afzonderlijke klasse van geestelijken, die de kudde onderdrukte en onderscheidende kledij droeg. De afval verbreidde zich als gangreen.

Van de dagen van de apostelen tot nu vindt men de wortel van de gehele opzet en heerschappij van klerikalisme. De filosofie en heterodoxie, zonder twijfel, deed er veel aan om de kerk te bederven en haar ertoe te brengen om zich bij de wereld aan te sluiten: maar de orde van de geestelijkheid en alles dat er bij behoorde moest op de godsdienst van de Joden worden gebaseerd. Het is meer dan waarschijnlijk, echter, dat velen dan kunnen overreed zijn om het christendom als een voortzetting van Judaïsme te nemen, in plaats van haar perfecte contrast te zijn. De Judaïzerende leraren bevestigden dapper dat het christendom slechts een enting op Judaïsme was. Maar door de epistels leren wij overal dat er zijn die tot het oude behoren en andere aan de nieuwe verwezenlijking behoren; dat de wet door Mozes werd gegeven, maar de gunst en de waarheid kwamen door Jezus Christus.

Ook al had Paulus de Hebreeën gewaarschuwd om op te letten dat er zich in niemand van hen ooit een goddeloos, ongelovig hart zou ontwikkelen, doordat hij zich zou terugtrekken van de levende God. Alsook bleken de andere waarschuwingen van de mede apostelen soms een maat voor niets. Sommigen die in de gemeente kwamen, begonnen hun geloofsovertuigingen in de termen van de Griekse filosofie tot uitdrukking te brengen, om datgene wat zij predikten aanvaardbaarder te maken voor de mensen van de wereld. Geleidelijk gingen heidense leerstellingen, zoals de Drie-eenheid en de inherente onsterfelijkheid van de ziel, deel uitmaken van een bezoedelde vorm van het christendom. Dit leidde tot het prijsgeven van de hoop op het Millennium.

Early-Christians-Worship-in-the-Catacombs-of-Saint-Calixtus

19° Eeuws beeld van de 1° eeuwse catacomben bijeenkomst - Catacomben van de heilige Calixtus - eind 19° eeuw

Het gevaar dat er dreigde werd meer en meer werkelijkheid en zonde en afval kwamen meer voor. Om die reden had Paulus de gemeenten er aan herinnerd steeds waakzaam te blijven en elkaar te vermanen.[1] Vanuit de gemeenschappen zelf kwamen mensen die er de voorkeur aan gaven verkeerde leerstellingen te prediken om zo volgelingen voor henzelf te verkrijgen. Op subtiele wijze schreven zij aan hun eigen meningen en leringen een zelfde of zelfs nog hogere waarde toe dan aan de Schrift. Toen de gelegenheid hiertoe zich voordeed, stelde deze afvallige kerk zich zelfs beschikbaar om de belangen van de politieke staat te dienen. (Handelingen 20:30; 2 Petrus 2:1, 3).[2] Om de gemeenschap te beschermen was het belangrijk om het gevoelen van eenheid hoog te houden, zoals dat ook vandaag nog steeds belangrijk is. Paulus’ uitdrukking „past op” beklemtoont de noodzaak om waakzaam te zijn (Hebreeën 3:12, 13). De vroege Christenen kregen de waarschuwing die ook vandaag nog steeds op gaat om geen gebrek aan geloof en Bijbelstudie te hebben, zodat wij in ons hart niets verkeerds zouden kunnen ontwikkelen, en wij ons zouden kunnen terugtrekken van Godin plaats van hem te naderen (Jakobus 4:8).

Toen en nu komt het er op aan dat de leden van de gemeenschap elkaar durven vertrouwen, steunen maar ook durven vermanen. Wij hebben de warmte van broederlijke omgang nodig. „Wie zich afzondert, zal zijn eigen zelfzuchtige verlangen zoeken; tegen alle praktische wijsheid zal hij losbarsten” (Spreuken 18:1). De noodzaak van een dergelijke omgang beweegt Christenen in deze tijd ertoe geregeld gemeentevergaderingen, grotere bijeenkomsten en congressen te bezoeken.

Men moest belangstelling aan kweken voor „de breedte en lengte en hoogte en diepte” van de waarheid, en aldus tot rijpheid voort gaan. (Efeziërs 3:18, Hebreeën 6:1, 2 Timotheüs 4:7)

Sommige Joden en heidenen die naar het christendom waren over gestapt bleken in gebreke te blijven hun waarnemingsvermogen te vergroten. Zij waren traag geworden in het aanvaarden van het toegenomen licht met betrekking tot de Wet en de besnijdenis (Handelingen 15:27-29; Galaten 2:11-14; 6:12, 13). Sommigen hechtten misschien nog steeds grote waarde aan traditionele praktijken zoals de wekelijkse sabbat en de plechtige jaarlijkse Yom Kippur of Verzoendag. (Kolossenzen 2:16, 17; Hebreeën 9:1-14).

In de eerste eeuw had de apostel Paulus reeds Timotheüs gewaarschuwd dat „goddeloze mensen en bedriegers” de christelijke gemeente zouden binnensluipen en velen zouden misleiden (2 Timotheüs 3:13)[3]. Deze grote afval begon na de dood van de apostelen (Handelingen 20:29, 30).

Epicurus-PergamonMuseum

Buste van Epicurus, in het Pergamon Museum, Berlijn.

Sommige christenen onderhielden misschien nauwe banden met personen die onder invloed stonden van de Griekse filosofieën, met inbegrip van die van de epicuristen. De epicuristen waren volgelingen van de Griekse filosoof Epicurus, die van 341 tot 270 v. G.T. leefde. Hij onderwees dat genot het enige of hoogste goed in het leven was. Hij onderwees daarentegen dat genot het beste te bereiken is door zich in het leven met beleid, moed, zelfbeheersing en gerechtigheid te gedragen. Hij bepleitte niet het najagen van onmiddellijk en kortstondig genot, maar van genot dat het hele leven duurt. Hierdoor kunnen de epicuristen, vergeleken met mensen die grove zonde beoefenden, deugdzaam hebben geschenen.(Vergelijk Titus 1:12). De epicuristen betrachtten bijvoorbeeld matiging in hun najagen van genot. Zij hechtten meer waarde aan lustgevoelensvan de geest dan aan lichamelijk genot.

De apostolische Vaders, zoals zij werden genoemd, zoals Clement, Polycarp, Ignatius, en Barnabas, waren oorspronkelijk de directe aanhangers van geïnspireerde. Apostelen. Zij hadden naar hun instructies geluisterd, met hen in het evangelie gewerkt en waren waarschijnlijk informeel op de hoogte van hen. Maar niettegenstaande de hoge voorrechten die zij als volgelingen van de apostelen genoten, vertrokken zij zeer spoedig van de doctrines die aan hen, vooral in verband met kerkoverheid overgebracht waren geweest. Zij schijnen volledig de grote Nieuwe waarheid van het Testament van de aanwezigheid van de Heilige Geest in de bijeenroeping vergeten te hebben – oordelend naar de Epistels die hun namen dragen. Hun ijdelheid om te beweren dat het slechts aan een bepaalde elite gegeven is om het Woord van God te kunnen begrijpen en te verklaren negeert gewoon de Kracht van God in Zijn zending van de Heilige Geest over alle mensen die wensen God te naderen.

De nieuwe leraren van de kerk schijnen ook de mooie eenvoud van de goddelijke orde in de kerk vergeten te hebben. Er waren slechts twee orden van ambtsbekleders – oudsten en diakens. De ene benoemd voor tijdelijke, de andere voor de geestelijke behoefte van de bijeengebrachte heiligen. Ouder, of bisschop, betekent eenvoudig opzichter, wie een geestelijke oplettendheid op zich neemt. Hij kan geschikt geweest zijn om te onderwijzen, maar ook niet; hij was geen verordende leraar, maar een verordend toezichter. En zoals voor de instellingen van goddelijke benoeming, vinden wij in het Nieuwe Testament slechts, doopsel en het Avondmaal van de Heer of het “Breken van het Brood”. Niets zou, in verband met alle aangevingen eenvoudiger, duidelijker, of makkelijker te begrijpen kunnen zijn dan die voor geloof en praktijk worden gegeven, maar er was geen ruimte gelaten voor de verheffing en de glorie van de mens in de kerk van God. De Heilige Geest was neer gekomen om de leiding in de vereniging of bijeenkomst te nemen, volgens het Woord van de heer, en de belofte van de Vader; en geen enkele Christen, hoe begaafd ook, dit gelovend, kon de plaats van leider nemen, en zo praktisch de Heilige Geest verplaatsen. Maar van het ogenblik dat deze waarheid uit het oog was verloren, begonnen de mensen voor plaats en macht te vechten, en natuurlijk had de Heilige Geest Zijn juiste plaats niet meer in de gemeente of congregatie.

Nauwelijks was de stem van inspiratie in de kerk stil geworden, of wij hoorden de stem van de nieuwe leraren die luid en ernstig voor de hoogste eer schreeuwden die aan de bisschop zou moeten worden betaald, en een opperste plaats die aan hem hoorde te worden gegeven. Niet een woord over de plaats van de Geest als soevereine heerser in de kerk van God. Dit is duidelijk van de Brieven of epistels van de bovengenoemde Ignatius, geschreven in 107 G.T.. Wij zijn bewust dat vele grote namen, hun authenticiteit hebben bevraagd; en dat vele grote namen naar genoegen vochten om hun echtheid bewezen te zien. Het echte geestelijk ambt is van de Heer en alleen van Hem. Dit is van wat wij zouden moeten opmerken in het licht van wat er plaats greep op de eigenlijke drempel van christendom. Enkel Christus is het ware Hoofd van de kerk. Het is een ernstig en plechtig ding voor om het even wie om zich in de eisen van Christus op de dienst van Zijn bediende te mengen. Dit te raken is de verantwoordelijkheid terzijde leggen aan Christus, en het fundamentele principe van Christelijke bediening omverwerpen.

St James' church - rood screen - geograph.org.uk - 868346

Vroegere geestelijken: Gregorius, Ambrosius, Jeromius en Augustinus - 15° eeuwse rood screen panels St James' church - Foto Evelyn Simak

Priesterschap was het onderscheidende kenmerk van de Joodse dispensatie; bediening, volgens God, is kenmerkend voor de Christelijke periode. Vandaar de uiterste mislukking van de bewerende kerk, toen het tot doel had om Judaïsme op zo vele manieren, zowel in zijn priesterschap als zijn ritualisme te imiteren. Als een priesterlijke orde, met riten en ceremonies, nog noodzakelijk is, wordt de doeltreffendheid van het werk van Christus in vraag gesteld. In feite, doch niet in woorden, slaat het bij de wortel van christendom. Maar alles wordt geregeld door het woord van God. [4]  „Maar deze mens, nadat hij één enkel offer voor zonden had aangeboden, voor altijd is gaan zitten bij de rechterhand van God; nog slechts wachtend op het ogenblik dat zijn vijanden worden gemaakt tot een voetbank voor zijn voeten. Want door een offer heeft Hij voor altijd hen die zich laten heiligen tot volmaaktheid gebracht. Dit getuigt ons ook de heilige geest. Waar de zonden vergeven en vergeten zijn, is geen zoenoffermeer nodig. We hebben nu ‘die grote priester die over het huis van God is aangesteld.’” (zie Heb. 10: 1-25)

Het geestelijk ambt is dus een onderwerp van de hoogste waardigheid en van het hoogste belang. Het getuigt aan het werk, de overwinning, en de glorie van Jezus, dat verlorenen kunnen worden gered. Het is de activiteit van de uitgaande liefde van de God aan een vreemde en geruïneerde wereld, en aan ernstig smekende zielen om met hem te worden verzoend. [5]  „God was in Christus, de wereld verzoenend in overeenstemming brengend tot zichzelf. Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee. Zo zijn wij dan gezanten van Christus alsof God u door ons zou oproepen. (2 Korinthiërs 5:19-21)

Helaas vond de kerk spoedig dat om bediening te belemmeren, zoals het vóór ons in het woord van God wordt geplaatst, en een nieuwe orde van dingen te introduceren, dit geen belemmering gaf om afdelingen, afwijkingen en dwaalleren, en valse leraren deed ontstaan. Van die tijd – het begin van de tweede eeuw, en er vóór – werd de kerk zeer gestoord door dwaalleren; en aangezien de tijd verderging, groeiden de dingen nooit beter, maar altijd slechter. [6]


[1] “ Zorgt ervoor, broeders, dat onder u niemand zo’n slechte en trouweloze gezindheid heeft, die leidt tot afval van de levende God.  Spreekt elkaar moed in, elke dag, zolang dat ‘heden’ duurt, zodat niemand zich door de zonde tot zulk een halsstarrigheid laat verleiden.” (Hebreeën 3:12-13 WV78)

[2] “ Toch zijn er onder het volk ook valse profeten geweest. En zo zullen er onder u valse leraars komen, die heimelijk verderfelijke ketterijen invoeren. Zij zullen zich niet ontzien tot hun eigen schielijke ondergang de Heerser te verloochenen die hen heeft vrijgekocht.” (2 Petrus 2:1 WV78)

“ In hun hebzucht zullen zij u met verzonnen verhalen geld uit de zak kloppen. Maar hun vonnis is al lang geveld, hun ondergang zal niet op zich laten wachten.” (2 Petrus 2:3 WV78)

[3] “ Trouwens, allen die godvruchtig willen leven in de Messias Christus Jezus Yashua, zullen lijden onder vervolging, terwijl mensen met het kwaad in zich, deugnieten, charlatans en verleiders van kwaad tot erger zullen komen, anderen misleidend en zichzelf.” (2 Timotheüs 3:12-13)

[4] Miller’s Church History

[5] Miller’s Church History

[6] Miller’s Church History

+

Engelse versie: Please do find an English version in: Minimizing the power of God’s Force the Holy Spirit

++

Aansluitende artikelen:

  1. De Bijbel onze Gids #1 Fundament in de Schrift
  2. Judaisme & Katholicisme Universele ‘kerken’
  3. Over de stelling van Luther en de Heilige Geest: 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #2:6-1395 stellingen Wittenberg Maarten Luther #3:14-2595 stellingen Wittenberg Maarten Luther #6:42-5295 stellingen Wittenberg Maarten Luther #8:64-75 +   95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #9:76-7995 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #1 God de Vader95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #3 Betreft Jezus C95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #10: 80-85 + 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #1 God de Vader + 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #2 De Geest
  4. Over de Godheid Hashem השם, Hebreeuws voor “de Naam” + God of een god + God is geen mens + God versus goden
  5. Over de positie van Jezus Christus en zijn goddelijkheid: Bedenkingen Verwarring tussen Jezus en God + Wie zijt Gij, Here?Niet goddelijkheid van Christus toch + Met wie kan je hem vergelijken + Hoe kijken trinitariërs op tegen het gelijk christus worden + Jezus van Nazareth #5 Zijn Unieke persoonlijkheid + Hij die zit aan de Rechterhand van Zijn Vader
  6. Doctrine van de Drievuldigheid
  7. Heidense invloeden op het trinitarisme
  8. Calvijn worstelde ook met de drie-eenheidsleer
  9. Christenen
  10. In elkaar zijn
  11. De Bijbel onze Gids #9God, Jezus Christus en de Heilige Geest
  12. De Bijbel onze Gids #13 Het Christelijk Leven
  13. Joodse interpretatie van Zoon van God
  14. Hij heeft de Pneuma, de Kracht van Hem gegeven
  15. Christus verwekt door de Kracht van de Heilige Geest
  16. De uitstraling van God en zijn pleitbezorger
  17. Verlichting door Gods Geest
  18. Bedenkingen Denominaties
  19. Doctrine, gedrag, oorzaak en gevolg
  20. Bedenkingen Leegloop der kerken
  21. Kerkgroei en samengaan
  22. Openbare Samenkomsten
  23. Volharden in het Avondmaal regelmatig vieren
  24. Breken van het brood
  25. Eucharistie
  26. Communie en dag des Heren
  27. On-Bijbelse instituut van de kerk
  28. Intenties van de ecclesia
  29. Een samenkomst of meeting
  30. Maken van een kerk
  31. Al of niet toegeven aan de wereld
  32. Wedergeboorte en lidmaatschap tot een kerk
  33. Parochie
  34. Keerpunt in de Kerk
  35. De voordelen van een kleine gemeenschap of een huiskerk
  36. Zichtbaar houden van oudste kerken
  37. Het niet goed gaan in de Kerk
  38. Kerk geen afhaal Chinees
  39. Een kerk verlaten om lid te worden van een ander
  40. Helft Amerikanen verandert wel van geloofstraditie
  41. Ontkerkten terug naar de Kerk brengen
  42. Tijdperk van het christendom voorbij volgens Mike Love
  43. Dementia in de Kerk
  44. Vlaamse kerk met uitsterven bedreigd
  45. Waarom kerken soms doodgaan
  46. Christenen in België
  47. Voorgangers Engeland debet aan secularisatie
  48. De Kerk als realiteitsspel
  49. Focussen op Christus
  50. Verenigen
  51. Kerk dak boven evangelie
  52. Waarom lopen kerken leeg?
  53. Verlangen naar vernieuwing in de kerk
  54. Christen worden iets anders dan lid worden van een kerk.
  55. 1Korinthiërs 3:6-7 God die Wasdom geeft #2 Paulus en andere dienaars.

+

Engelstalige artikelen: English realted articles:

Please do find more on Judaism and Christianity:

  1. Seeing the world through the lens of his own experience
  2. Judaism & Catholicism Universal ‘churches’

+

Please do find articles on Jesus as the Cornerstone of the community:

  1. Video: Who was Jesus?
  2. Who is Jesus #2 Jesus Christ, man who died
  3. Who is Jesus #4 Clear statements that our heavenly Father is his “God”
  4. Who is Jesus #6 Jesus prays to God
  5. Who is Jesus #8 Father greater than Jesus
  6. Who is Jesus #9 100% or not
  7. Who is Jesus #12 Conclusion
  8. Da Vinci Code: Was Jesus Human or Divine?
  9. Jesus son of God
  10. Christian thought: acknowledge that Jesus is the Son of God
  11. Jesus Christ the same yesterday, today and forever
  12. Christ begotten through the power of the Holy Spirit
  13. The Victor
  14. How is it that Christ pleased God so perfectly?
  15. The builder of the Kingdom
  16. Can we not do what Jesus did?
  17. The increasing rejection of the teaching of Christ
  18. For those who have not the rudiments of an historical sense

+

Other articles of interest:

  1. How did the Trinity Doctrine Develop
  2. Historical Development of Trinity
  3. How the Doctrine of the Trinity came to the Church
  4. Trinity function
  5. Trinity versus Tritheism
  6. Why the trinity was accepted in Europe
  7. The Pagan Influence of The catholic church ……The Pagan Trinity, and Saint B
  8. Summary on trinity
  9. Holy Sabbath
  10. A man with an outstanding personality
  11. Misleading Pictures
  12. A small company of Jesus’ footstep follower
  13. Quit griping about your church
  14. Rebirth and belonging to a church
  15. An ecclesia in your neighborhood
  16. Making church
  17. Parish, local church community – Parochie, plaatselijke kerkgemeenschap
  18. Intentions of an Ecclesia
  19. He has given us the Pneuma, the force, from Him
  20. The radiance of God’s glory and the counsellor
  21. Millions of Christians leaving conventional churches to meet in homes
  22. Working for God
  23. Efeziërs 2:21-22 Church no longer holds a central place in many Christian lives
  24. Prefering to be a Christian

Positie en macht

Geschiedenis van het Christendom 1. De vroege dagen van het Christendom

Voorgaand: 1.1. Eerste Eeuw van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.1.              Positie en macht

De stichter van het christendom, Jezus uit Nazareth[1], de Christus, bad dat er eenheid onder zijn volgelingen mocht bestaan (Johannes 17:21), en er was de apostelen zeer veel aan gelegen de eenheid van de christelijke gemeente te bewaren (1 Korinthiërs 1:10; Judas 17-19), maar al in de eerste eeuw kwam er vals onderwijs in het christendom.

Het feit, dat de Christenen een dicht verenigd lichaam waren, vers, krachtig, hoopvol, en dagelijks toenemend, terwijl heidenen grotendeels een losse samenvoeging waren, dagelijks verminderend, maakte dit de ware prospectieve sterkte van de kerk veel groter. Maar zij bleven sterk omringd door allerlei verscheiden heidense geloofsvormen en populaire activiteiten die soms zeer verleidelijk konden zijn.

Met het verstrijken der jaren kwamen de Christenen voor allerlei beproevingen en vervolging te staan. Net als die eerste discipelen putten zij vertroosting en aanmoediging uit hun samenkomsten. Bijgevolg schreef de apostel[2] Paulus in Hebreeën 10:24, 25: „Laten wij op elkaar letten ten einde tot liefde en voortreffelijke werken aan te sporen, het onderling vergaderen niet nalatend, zoals voor sommigen gebruikelijk is, maar laten wij elkaar aanmoedigen, en dat te meer naarmate gij de dag ziet naderen.” Die woorden zijn veel meer dan een gebod om bijeen te blijven komen. Ze verschaffen een door God geïnspireerde norm die voor alle christelijke vergaderingen geldt — en eigenlijk voor elke gelegenheid dat Christenen bijeenzijn.

De apostelen waren er bewust van dat onenigheid in het geloof tot heftig geredetwist, tweespalt en zelfs vijandschap kon leiden. (Vergelijk Handelingen van de Apostelen 23:7-10.) De apostels en de vroeggeïnspireerde mensen van de eerste eeuw verdedigden het Christelijke geloof op twee manieren: mondeling (Handelingen 22.1, Filippenzen 1.7, 16, 2 Timotheüs. 4.16) en door middel van literatuur (1 Korintiërs. 9.3). Al in hun tijd moesten de apostelen de aanhangers van Christus voor valse leraren en het verkeerde onderwijs waarschuwen welke reeds het geloof in de eerste eeuw langzaam binnendrongen.

De apostel Johannes weerlegde de misvattingen van hoe te goddelijk te leven in aanwezigheid van de docetic-gnostische leraren die de kerk infiltreerden (1 Johannes 2.1). „ Er zijn veel verleiders of dwaalleraars tot de wereld uitgegaan; die niet belijden dat Yahshua/Jezus de Messias in het vlees is gekomen. Dit is verleider en een antichrist.“ (2 Johannes 1:7) „omdat een aantal valse leraren in de wereld zijn uitgegaan, die geen getuigenis geven dat Jezus Christus in het vlees kwam. Zulk één is een valse leraar en een Antichrist.“ (2 Johannes 1:7)

Petrus schrijft: „Maar er waren ook valse profeten onder de mensen, zelfs aangezien er valse leraren onder u zullen zijn, die in het geheim in afgrijselijke ketterijen zullen brengen, zelfs ontkennend dat de heer hen kocht, en op zich vlugge vernietiging zullen brengen” (2 Petrus 2:1) „vooral hen die hun oude aard volgen in verlangen voor vuiligheid en wie gezag verachten. Vermetel en verwaand, zonder blikken of blozen, schromen zij niet de hemelse machten te beschimpen. En beven deze valse leraren niet bij het beledigen van engelachtige wezens; “ (2 Petrus 2:10)

Niemand van echt belang wil verkeerd zijn op wat de Bijbel onderwijst. Daarom moeten wij voorzichtig en bereid zijn om al het Bijbels bewijsmateriaal zo langzaam of zo snel te zien als het geanalyseerd kan worden. In principe, is het wat wij in de instructie van Paulus aan de bewoners van Thessaloniki vinden: „Doof niet de Geest. Veracht het profeteren niet. Bewijs alle dingen; houdt vast aan alles dat goed is. Onthoudt u of houdt u ver van al de verschijningen van kwaad.“ (1 Thessalonicenzen 5:19 – 22)

Verblijvend in de woorden van het Evangelie (Johannes 8.31-32) moeten wij geduldig zijn, hopend om de gift van de Heilige Geest te ontvangen, en de Bijbelse feiten zichzelf laten openbaren onder hun eigen voorwaarden. Aan dat geduld ontbrak het enkele vroege Christenen, alsook vonden zij het niet aangenaam om hun oude gewoonten zo maar op te geven. Zij werden toen aangetrokken door hen die vonden dat het niet zo belangrijk was om zo strikt aan alles te houden.

Het Romeinse Rijk

Zolang de apostelen nog leefden, beschermden zij de gemeente. De geschiedenis getuigt dat de vroege christenen niet betrokken waren bij de politieke aangelegenheden van het Romeinse Rijk en dat zij geen vooraanstaande klasse van geestelijken hadden. In plaats daarvan waren zij ijverige verkondigers van Gods koninkrijk. Tegen het einde van de eerste eeuw hadden zij getuigenis gegeven in alle delen van het Romeinse Rijk en discipelen gemaakt in Azië, Europa en Noord-Afrika. (Kolossenzen 1:23). Deze verrichtingen in de prediking betekenden echter niet dat het niet langer noodzakelijk was geestelijk waakzaam te blijven. Jezus’ voorzegde komst lag nog ver in de toekomst.

Sekten moesten dus vermeden worden, aangezien ze tot de werken van het vlees behoorden (Galaten 5:19-21). Christenen werden vermaand geen sekten te bevorderen noch zich door valse leraren op een dwaalspoor te laten brengen (Handelingen der Apostelen 20:28; 2 Timotheüs 2:17, 18; 2 Petrus 2:1). In zijn brief aan Titus gebood de apostel Paulus dat een mens die er na een eerste en een tweede ernstige vermaning mee bleef voortgaan een sekte te bevorderen, verworpen moest worden, wat blijkbaar betekende dat hij uit de gemeente gesloten moest worden (Titus 3:10). Degenen die weigerden betrokken te raken bij het veroorzaken van verdeeldheid binnen de gemeente of bij het ondersteunen van een bepaalde partij, zouden zich door hun trouwe wandel onderscheiden en er blijk van geven Gods goedkeuring te bezitten. Dit bedoelde Paulus blijkbaar toen hij tot de Korinthiërs zei: „Er moeten ook sekten onder u zijn, opdat de goedgekeurden onder u ook openbaar mogen worden.” (1 Korinthiërs 11:19).

De christenen hielden er hoge beginselen van moraliteit en rechtschapenheid op na, en met vurige ijver maakten zij een hoopgevende boodschap bekend. Duizenden verlieten het judaïsme en aanvaardden het christendom (Handelingen 2:41; 4:4; 6:7). In de ogen van de joodse religieuze leiders waren Jezus’ joodse discipelen louter afvalligen. (Vergelijk Handelingen 13:45.) Deze woedende leiders waren van mening dat het christendom hun tradities teniet deed. Ja, het loochende zelfs de kijk die zij op heidenen hadden! Vanaf 36 G.T. konden heidenen christenen worden en zich in hetzelfde geloof en dezelfde voorrechten verheugen als joodse christenen. (Handelingen 10:34, 35).

Christelijke martelaars

Christelijke martelaars

Wegens hun hoge moraliteitsbeginselen en het vasthouden aan hun geloofsovertuiging op meerdere gebieden werden de Christenen in de Romeinse wereld niet geliefd. Hun afgescheiden van de wereld (Johannes 15:19) riep aversie op. Zij bekleedden dus geen politiek ambt en weigerden militaire dienst. Als gevolg hiervan „werden [zij] voorgesteld als mensen die dood waren voor de wereld, en onbruikbaar voor alle aangelegenheden van het leven”, aldus de geschiedschrijver August Neander. Geen deel van de wereld zijn, betekende ook de goddeloze wegen van de verdorven Romeinse wereld mijden. „De kleine Christengemeenschappen stoorden de pleziermakende heidense wereld met hun vroomheid en fatsoen”, legt de geschiedschrijver Will Durant uit (1 Petrus 4:3, 4). Door christenen te vervolgen en terecht te stellen, hebben de Romeinen misschien wel geprobeerd de kwellende stem van het geweten tot zwijgen te brengen.

De eerste-eeuwse christenen predikten het goede nieuws van Gods koninkrijk met onwankelbare ijver (Mattheüs 24:14). Omstreeks 60 G.T. kon Paulus zeggen dat het goede nieuws ’in heel de schepping die onder de hemel is, gepredikt’ was (Kolossenzen 1:23). Tegen het einde van de eerste eeuw hadden Jezus’ volgelingen discipelen gemaakt in het hele Romeinse Rijk — in Azië, Europa en Afrika! Zelfs sommige leden van „het huis van caesar” werden christenen (Filippenzen 4:22). Deze ijverige prediking wekte wrevel. Neander zegt: ’Het christendom maakte gestadig vorderingen onder mensen uit alle lagen van de bevolking en dreigde de staatsreligie ten val te brengen.’ U kan zich voorstellen hoe belangrijk het wel kon zijn om toch mensen te laten infiltreren om hen op andere gedachten te laten brengen.

Jezus’ volgelingen (of aanhangers van Christus) schonken Jehovah exclusieve toewijding (Mattheüs 4:8-10). Misschien bracht dit aspect van hun aanbidding hen meer dan wat anders in conflict met Rome. De Romeinen waren tolerant ten aanzien van andere religies, zolang hun aanhangers ook deelnamen aan de keizeraanbidding. De vroege christenen konden gewoon niet aan een dergelijke aanbidding deelnemen. Zij bezagen zich als personen die rekenschap verschuldigd waren aan een autoriteit die hoger was dan die van de Romeinse staat, namelijk Jehovah God (Handelingen 5:29). Als gevolg hiervan werd een christen, ook al was hij verder in alle opzichten nog een zodanig voorbeeldige burger, als een staatsvijand beschouwd.

Keizer Nero

Er was nog een reden waarom getrouwe christenen in de Romeinse wereld „voorwerpen van haat” werden: Gemene laster over hen werd grif geloofd, beschuldigingen waarvoor de joodse religieuze leiders in niet geringe mate verantwoordelijk waren (Handelingen 17:5-8). Omstreeks 60 of 61 G.T., toen Paulus in Rome op zijn berechting door keizer Nero wachtte, zeiden vooraanstaande joden over christenen: „Werkelijk, wat deze sekte aangaat, het is ons bekend dat ze overal tegenspraak ondervindt” (Handelingen 28:22). Nero zal beslist lasterlijke verhalen over hen gehoord hebben. In 64 G.T. koos hij, toen men hem voor de brand die Rome teisterde verantwoordelijk hield, naar verluidt de reeds alom belasterde christenen als zondebokken uit. Dit schijnt een golf van gewelddadige vervolging teweeggebracht te hebben, die ten doel had de christenen uit te roeien.[3]

De valse beschuldigingen die tegen de christenen werden ingebracht, kwamen vaak neer op een mengsel van regelrechte leugens en een verdraaiing van hun geloofsopvattingen. Omdat zij monotheïstisch waren en niet de keizer aanbaden, werden zij als atheïstisch bestempeld. Omdat sommige niet-christelijke gezinsleden hun christelijke familieleden tegenstonden, werden christenen ervan beschuldigd gezinnen te ontwrichten (Mattheüs 10:21). Zij werden voor kannibalen uitgemaakt, een beschuldiging die volgens sommige bronnen was gebaseerd op een verdraaiing van de woorden die Jezus tijdens het Avondmaal des Heren had geuit. (Mattheüs 26:26-28).

Tegen het eind van Nero’s regeerperiode werden de Christenen, onder de zwaarste sancties, zelfs dat van dood, vereist om offers aan de keizer en aan heidense goden aan te bieden. Na de dood van Nero hield de vervolging op, en de aanhangers van Jezus genoten van een tamelijke vrede tot Domitiaan, een keizer van vergelijkbare verdorvenheid als Nero regeerde

Verwoesting Tempel Jeruzalem

De verspreiding van de Joden, en de totale vernietiging van hun stad en tempel in 70 G.T, zijn de volgende gebeurtenissen van overweging in de rest van de eerste eeuw. De aantallen die onder Vespasian in het land verdwenen, en onder Titus in de stad, van 67-70 G.T. omkwamen door hongersnood, de interne facties, en het Romeinse zwaard, liepen op tot één miljoen drie honderd vijftig duizend vier honderd zestig, naast honderd duizend verkocht in de slavernij.[4]

Eusebius, de vader van geestelijke geschiedenis schrijft dat nadat Domitianus tegen velen zijn wreedheid had uitgeoefend, en onterecht had gedood waaronder geen klein aantal edele en belangrijke mensen in Rome, en, zonder oorzaak, die enorme aantallen eerbare mensen met ballingschap en de inbeslagneming van hun bezit heeft gestraft, zich vestigde als uitvoerig opvolger van Nero in zijn haat en vijandigheid aan God.[5] Hij volgde ook Nero in het tarten van hen. Hij beval dat zijn eigen standbeeld zou worden aanbeden als een god, herzag de wet van verraad, en omringde zich met spionnen en informanten om een tweede vervolging van de Christenen teweeg te brengen.

NYC - Metropolitan Museum of Art - Roman statu...

Roman statue of Artemis - NYC Metropolitan Museum of Art

Niettegenstaande de Romeinse keizers, Romeinse gevangenissen en Romeinse executies slaagde het christendom er in om toch een stille opmars te maken. In weinig meer dan zeventig jaar na de dood van Christus, had het dergelijke snelle vooruitgang geboekt in sommige plaatsen om de val van heidendom te bedreigen. Christenen haalden zich meer en meer de haat van heidense aanbidders op de hals. Zo was in het oude Efeze het vervaardigen van zilveren tempeltjes van de godin Artemis een winstgevend bedrijf. Maar toen Paulus daar predikte, reageerde een aanzienlijk aantal Efeziërs hier gunstig op en keerden zij de aanbidding van Artemis de rug toe. Nu hun handel werd bedreigd, veroorzaakten de zilversmeden een volksoploop (Handelingen 19:24-41). Iets overeenkomstigs deed zich voor nadat het christendom zich tot in Bithynië (nu Noordwest-Turkije) had uitgebreid. Niet lang nadat de christelijke Griekse Geschriften waren voltooid, berichtte de bestuurder van Bithynië, Plinius de Jongere, dat heidense tempels werden verlaten en de verkoop van voer voor offerdieren drastisch terugliep. De christenen kregen de schuld — en werden vervolgd — omdat in hun aanbidding geen plaats was voor dierlijke slachtoffers en afgoden (Hebreeën 10:1-9; 1 Johannes 5:21). Het is duidelijk dat de verbreiding van het christendom invloed uitoefende op bepaalde gevestigde belangen die met heidense aanbidding verband hielden, en degenen die als gevolg hiervan zowel handel als inkomsten kwijtraakten, waren hier gebelgd over.

Door de vooruitgang van christendom werden de tijdelijke belangen van een groot aantal personen ernstig beïnvloed. Dit was een vruchtbare en bittere bron van vervolging. Heidense tempels werden meer en meer verlaten, de verering van de goden werd veronachtzaamd, en de slachtoffers voor offers werden zelden gekocht. Dit hief natuurlijk een populaire schreeuw tegen het christendom op, zoals er zich voor deed in Efeze: „ons ambacht is in gevaar tot niets teruggebracht te worden, en dat de tempel van de grote godin Diana zal worden veracht.“ Een talloze menigte van priesters, beeldhouwers, handelaars, waarzeggers, voorspellers, en vakmannen, vonden een goed leven met betrekking tot de verering van zo vele goden. Al dezen, zagen hun ambacht in gevaar, stegen in verenigde sterkte tegen de Christenen, en zochten op elke manier om de vooruitgang van christendom tegen te houden. De sluwe priesters en listige zieners en waarzeggers overreedden in het algemeen, gemakkelijk de gewone mensen, en overtuigden de openbare mening dat alle rampen, oorlogen, stormen, en ziekten die mensheid troffen, op hen door de boze goden werden verzonden, omdat de Christenen die hun gezag verachtten overal werden getolereerd.[6] Zij vonden en verspreidden de meest gemene lasterpraatjes tegen alles wat christelijk was en legden veel en erge klachten voor tegen de Christenen vóór de gouverneurs. Dit was vooral zo in de Aziatische provincies waar het christendom het meest overwegend was.

De eerste Christenen trokken zich natuurlijk van paganisme terug, hielden hun bijeenkomsten in het geheim en werden een afzonderlijke en verschillende groep van mensen. Zij konden zo het aanhangen van polytheïsme enkel maar veroordelen daar het volkomen tegengesteld was aan het ware leven en ware God, en aan het evangelie van Zijn Zoon Jezus Christus. Dit gaf de Romeinen de idee dat de Christenen aan het menselijke ras vijandig waren, doordat zij zagen dat zij alle godsdiensten, buiten de hunne, veroordeelden. Vandaar dat zij„Atheïsten“ werden genoemd omdat zij niet geloofden in heidense goden, en heidense verering verafschuwden.[7] Maar die afzondering van die heidense bevolking leek niet altijd even gemakkelijk.


[2] „apostel“ betekent vooruitgezondene.

[3] In de maand Juli 64 G.T. brak een grote brand uit in het Circus, welke zich bleef uitspreiden tot het al oude grandeur van de keizerstad in ruïnes legde. De vlammen breidden zich met grote snelheid uit door de kracht van de wind en door de lange smalle straten van Rome stad, over de heuvels en valleien. De algemene vuurzee. verpakte in een korte tijd de gehele stad in één blad verterende vlammen.

[4] Dean Milman’s History of the Jews, vol. 2, book 16, page 380

[5] Roman History, Encyclopedia Britannica, vol. 19, page 406

[6] Mosheim’s Ecclesiastical History, vol. 1, page 67. Cave’s Primitive Christianity; early chapters

[7] De christelijke verering, in ware eenvoud, zonder de hulp van tempels en priesters, riten en ceremonies, wordt nu niet veel beter begrepen door het Christendom tegenover toen door het heidense Rome. Vandaag willen vele naamchristenen ook priesters in gewaden zien en diensten met offergaven, wierook en symbolen in tempels of speciale kerkgebouwen. In plaats van te beseffen dat God een Geest is, “en zij dat Hem vereren moeten Hem in geest en in waarheid aanbidden.“ (Johannes 4:24)

+

Aanverwante lectuur

Lees ook Zichtbaar houden van oudste kerken

Christen worden iets anders dan lid worden van een kerk.

1Korinthiërs 3:6-7 God die Wasdom geeft #2 Paulus en andere dienaars.

Heidense tempels & Kompromis met kerkvaders

Eerste Eeuw van het Christendom

Geschiedenis van het Christendom

1. De vroege dagen van het Christendom

1.1. Eerste Eeuw van het Christendom

Toen Jezus (Yeshua) op deze Wereld rond liep sprak hij over het Woord van God dat gegeven werd  aan de mensen door het geschrift in de Heilige Boeken. Tijdens zijn gehele dodelijk leven ter wereld, met inbegrip van de twee of drie jaar van zijn actief ministerie, leefde Christus als godsvruchtige Jood, zelf waarnemend, en aandringend op zijn aanhangers om ook de bevelen van de Wet waar te nemen (Mattheüs 23:3). Het algemene van het zijn onderwijs, zoals dat van zijn voorloper, was de benadering van het „Koninkrijk van God“,niet alleen betekenende dat de regel van oprechtheid in het individuele hart ligt (het „koninkrijk van God is binnen u“ – Lukas 17:21), maar ook in de Kerk (zoals duidelijk uit vele van de gelijkenissen) welke hij zou oprichten.[1]

Jarenlang hadden vele mensen die boekrollen bestudeerd. Jezus zijn discipelen, de apostelen schreven een verslag over het leven van Jezus en over de dingen die zij deden om Jezus bekend te maken in de wereld. Hun brieven werden gelezen door velen en heel wat aanhangers van Christus, die als beweging als de Israëlitische sektede Weg” bekend stond, bestudeerden die geschriften van deze apostels. Voor hen was de gehele geschiedenis van de Joden zoals die in het Oude Testament gedetailleerd wordt iets dat zij met volgende generaties moesten delen. Wanneer dit gelezen werd in het licht van andere gebeurtenissen moest het voor hen duidelijk een geleidelijke voorbereiding voor het prediken van Christendom zijn. De nieuwe godsdienst die in bestaan kwam na de dood van Jezus en na de dag van Pinksteren, in 29 G.T., werd eerst geheel beperkt tot de synagoge, en hun leden hadden nog een groot aandeel van Joodse exclusiviteit; de Wet lezend, besnijdenis uitoefenend, en aanbidding in de Tempel, evenals in de Opperkamer in Jeruzalem.

Lange tijd beschouwde het Christendom zich als deel van het Judaïsme. Apostelen waren als Jezus Joden en beschouwden zich nog als Joden. De aanhangers van Christus en degenen die studenten van het onderwijs van Jezus de Nazareen werden en gedoopt werden overwogen om deelgenoten te worden van één of andere communiën, van het lichaam van Christus. Zij hadden hun centrum in Jeruzalem[2] de stad die God aan Zijn mensen had beloofd.

In de eerste eeuw waren de discipelen betrekkelijk gering in aantal. Hun Leider, Jezus, was als een vermeende oproerling terechtgesteld. Aanvankelijk werden die aanhangers van de Jood Jezus nog aanschouwd als deel van de joodse religie die vast in het zadel zat en in Jeruzalem haar luisterrijke tempel had waar zij ook terecht konden.

Rabbijn Jezus leest voor uit de Thora

De eerste christelijke gemeente in de wereldgeschiedenis bestond uit natuurlijke joden en proselieten en werd in 33 G.T. in Jeruzalem opgericht. Met Pinksteren 33 G.T. bevonden zich in Jeruzalem ook joden uit Kappadocië en uit Pontus (Handelingen van de Apostelen2:9). Het kan zijn dat enkele van deze joden uit Pontus die Petrus’ toespraak hoorden, christenen werden en naar hun eigen gebied terugkeerden. Waarschijnlijk verbreidde het christendom zich tengevolge van de aanwezige Kappadociërs al vroeg naar Kappadocië, en werd Petrus zijn eerste brief aan hen en aan „de tijdelijke inwoners die verstrooid zijn in Pontus” en in andere streken van Klein-Azië gericht.(1Petrus 1:1).

In de eerste eeuw bestonden er overal in de omliggende heidense natiën joodse gemeenschappen. Die gemeenschappen hadden synagogen waar mensen geregeld bijeenkwamen om de Schrift te horen voorlezen en bespreken. Aldus waren vroege christenen in staat om voort te bouwen op de religieuze kennis die mensen reeds bezaten (Handelingen 8:28-36; 17:1, 2).

Geleidelijk aan verspreide het Goede Nieuws van het Koninkrijk van God zich en kwamen de volgelingen van Jezus Christus onder goddelijke leiding als christenen bekend te staan. Deze term werd voor het eerst in Syrisch Antiochië gebezigd, van waaruit Barnabas en Paulus, vergezeld van Johannes Markus, aan hun eerste zendingsreis begonnen. (Handelingen 11:26).

Ware christenen deden hun uiterste best om dit goede nieuws, dat een begrip omtrent het heilige geheim bevatte, in „heel de schepping die onder de hemel is” te prediken (1Korinthiërs 2:1; Efeziërs 6:19; Kolossenzen 1:23; 4:3, 4). De apostelen en de andere eerste christenen hebben in dit opzicht een duidelijk voorbeeld gegeven. In Handelingen 5:42 lezen wij over hun activiteit: „Zij bleven zonder ophouden elke dag in de tempel en van huis tot huis onderwijzen en het goede nieuws bekendmaken.”

Het boek over de Handelingen van de Apostelen laat zien dat saamhorigheid voor de eerste christenen een belangrijk deel van hun aanbidding vormde. Wij lezen daar: „En dag aan dag waren zij eensgezind voortdurend in de tempel aanwezig en braken eensgezind het brood van huis tot huis, hun vlees etend met eenheid van hart. En zij loofden God en stonden bij het gehele volk in de gunst, diegenen die gered waren hun vlees etende met vreugde en eensgezindheid van hart” (Handelingen 2:46, 47).

Ook de apostel Paulus vroeg aan de gelovigen eensgezind vast te houden aan het geloof. „Laten wij zonder wankelen vasthouden aan de openbare bekendmaking van onze hoop, want hij die beloofd heeft, is getrouw” (Hebreeën 10:23). Voor hem en de andere apostelen was het duidelijk dat deze openbare bekendmaking zich niet beperkte tot uitingen tijdens bijeenkomsten van de gemeente (Psalm 40:9, 10). Een profetisch gebod om buiten de gemeente, tot de natiën, te prediken, kan gevonden worden in de woorden van Psalm 96:2, 3, 7, 10: „Vertelt van dag tot dag het goede nieuws van de redding door hem. Maakt onder de natiën zijn heerlijkheid bekend, onder alle volken zijn wonderwerken. Geef aan Jahweh/Jehovah glorie en sterkte. Gij geslachten der volken, families van gemeenschappen, brengt Jahweh/Jehovah, glorie en lof. Brengt Adonai Jehovah de glorie welke Zijn Naam toekomt, breng een offer en treed zijn voorhoven binnen. Verkondigt het onder de volken: ’Jehovah zelf is koning geworden.’” En inderdaad gaf Jezus in Mattheüs 28:19, 20 en Handelingen 1:8 Christenen het gebod tot alle natiën te prediken.

Op deze openbare prediking doelt Paulus in zijn verdere woorden tot de gezalfde Hebreeuwse Christenen: „Laten wij door bemiddeling van hem God altijd een slachtoffer van lof brengen, namelijk de vrucht der lippen die zijn naam in het openbaar bekendmaken” (Hebreeën 13:15). Het boek Openbaring laat ons zien dat ook de „grote schare” die uit alle natiën is bijeengebracht, uit personen bestaat die met een luide stem uitroepen: „Redding hebben wij te danken aan onze God, die op de troon is gezeten, en aan het Lam” (Openbaring 7:9, 10).

Christus had met zijn discipelen vaak vergaderd om hun geestelijk onderricht te geven, en na zijn dood zetten zijn leerlingen deze traditie voort. Zijn volgelingen kwamen bijeen, zoals op de pinksterdag in 33 G.T., toen de heilige geest werd uitgestort op degenen die aldus bijeenwaren. (Handelingen der Apostelen 2:1-4). De eerste Christenen hielden er aan zich, meestal in kleine groepen, te verzamelen en regelmatig ofwel in elkaars huis of in de synagoge samen te komen om het Woord van God te bestuderen. Het was voor de eerste joodse christenen niet moeilijk ordelijke, leerzame Bijbelstudiebijeenkomsten te houden, want het grondpatroon hadden zij in de synagogen waarmee zij vertrouwd waren. De fundamentele kenmerken van de in de synagoge geleide diensten werden door de christenen overgenomen voor hun samenkomsten, waar men de Schriften voorlas en uitlegde, elkaar aanmoedigde, bad en God loofde. (1 Korintiërs 14:26-33, 40; Kolossenzen 4:16). Soms was „een aanzienlijke schare” op hun bijeenkomsten aanwezig (Handelingen 11:26).

Zoals in de joodse synagoge was er in de christelijke gemeente ook geen afzonderlijk priesterschap noch een geestelijke die vrijwel alleen aan het woord was. In de synagoge stond het iedere vrome jood vrij een aandeel aan het voorlezen en uitleggen te hebben. Zo ook in de christelijke gemeente werd er verwacht van iedereen dat deze zijn steentje bijdroeg en moesten allen een openbare bekendmaking doen en elkaar tot liefde en voortreffelijke werken aansporen, maar dit moest op ordelijke wijze geschieden (Hebreeën 10:23-25). In de joodse synagoge onderwezen de vrouwen niet en oefenden zij geen autoriteit over mannen uit; op de christelijke vergadering deden zij dat evenmin. Eén Korintiërs hoofdstuk 14 bevat instructies voor de bijeenkomsten van de christelijke gemeente, en er blijkt duidelijk zeer veel overeenkomst te zijn met de gang van zaken in de synagoge. (1 Korintiërs 14:31-35; 1Timotheus 2:11, 12).

Evenals er in de vroege Kerk op het gebied van de verantwoordelijkheid om het evangelie op alle mogelijke manieren te verbreiden, geen onderscheid bestond tussen volle-tijdbedienaren en leken, was er in dit opzicht ook geen onderscheid tussen de seksen. Het stond onomstotelijk vast dat elke Christen was geroepen om een getuige van Christus te zijn, niet alleen door middel van zijn levenswijze, maar ook met zijn lippen. Iedereen moest een apologeet of verdediger van het geloof zijn, op zijn minst in die mate dat hij bereid was een goede uiteenzetting te geven van de hoop die hij bezat. En dit gold zeer nadrukkelijk ook voor vrouwen. Zij hadden een heel groot aandeel aan de bevordering van het christendom.

Verslagen van de vroege kerk vormen het bewijs dat zij de evangelieprediking niet alleen ernstig maar ook letterlijk opvatten. Zelfs de eenvoudigste leden waren boodschappers die de waarheid verbreidden.

De geschiedenis toont aan hoe de eerste christenen, ofschoon zij eerbiedige, ordelievende burgers waren, vastbesloten waren „geen deel van de wereld” te zijn maar toch door te zetten in hun predikingwerk, ook al bracht dit hevige vervolging over hen.

Het christendom groeide van binnenuit op een natuurlijke wijze door de sereniteit van toegewijde aanhangers van Jezus Christus. Het trok mensen aan door haar eigenlijke aanwezigheid en door de rust en vrede welke die Jezus’ volgelingen uitstraalden. Terwijl er geen professionele missionarissen waren die hun geheel leven wijden aan dit specifieke werk, was elke congregatie een missionaire maatschappij, en elke Christelijke gelovige missionaris, ontstoken door de liefde van Christus om zijn medemensen te bekeren. Het voorbeeld werd geplaatst door Jeruzalem en Antiochië, en door die broeders die, na het martelaarschap van Stefanus, „in het buitenland verspreid waren en over gingen tot het prediken van het Woord.“ (Handelingen 8:4; 11:19). Volders, en arbeiders in wol en leer, rustige en onwetende personen, waren de meest ijverige verbreiders van het Christendom, en brachten het eerst tot vrouwen en kinderen. [3] De vrouwen en de slaven introduceerden het in de huiskring. Het was de glorie van het evangelie dat aan de armen en door de armen werd gepredikt om hen rijk te maken. Origenus deelt ons mee dat de stadskerken hun missionarissen naar de dorpen stuurden. Elke Christen vertelde zijn buur, arbeider aan zijn medewerker, de slaaf aan zijn medeslaaf, de bediende aan zijn meester en bazin.

Het evangelie werd voornamelijk verspreid door de wijze van leven, het prediken en door persoonlijke betrekkingen; in belangrijke mate ook door Heilige Schrift, welke reeds vroeg werd verspreid en vertaald in diverse ‘tongen’, het Latijn (Noord Afrika en Italië), Syrisch (Curetoniaans en Peshito), en het Egyptisch (in drie dialecten, Memphitisch, Thebaisch, en Bashmurisch). De communicatie onder de verschillende delen van het Romeinse imperium van Damascus tot Groot-Brittannië was betrekkelijk gemakkelijk en veilig. De wegen die voor handel en voor de Romeinse legioenen gebouwd werden, dienden ook voor de boodschappers van vrede en de stille veroveringen van de Christenheid. De handel zelf op dat ogenblik, evenals nu, was een krachtig agentschap in het uitdragen van het evangelie en het verspreiden van de zaden van Christelijke beschaving tot in de verste delen van het Romeinse Rijk.

Hoewel verschillende caesars als tirannen regeerden, maakten de wetten in de eerste eeuw het gewoonlijk mogelijk ’het goede nieuws te verdedigen en wettelijk te bevestigen’. (Filippenzen 1:7).


[1] Origin of Christianity and its relation with other religions, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[2] Irenæus, “Adversus Hæreses, i. 26

[3] Celsus

+++

Gerelateerde artikels
  • In het begin van de geloofsgemeenschap gaven de volgelingen van Jezus zichzelf de naam van Nazarener-Netzerim-Natzraya. De talmoed verwijst enkele keren naar hen. dat zij als sekte aanschouwd werden valt op te maken aan het Twelth gebed dat door Gamiliel II was toegevoegd aan de Amidahn tegen de Sectairen, de Sekte van de Nazareners-Netzerim-Natzraya. In de talmoed zijn de vroege Messiaanse gelovigen Saduceeën genaamd en soms Essenen of zelfs Netzerim-Natzraya. Rashi maakte er werk van om de titel Netzerim-Natzraya te herstellen daar waar deze was verwijderd, volgens  What Were The Early Believers Called: HaDerech (The Way), The Natzari Sect, Netzerim-Natzraya, Jessaeans, Essene’s, Saducee’s, Christians or Nasaraeans? What Is There Place In Middle Judiasm? (paradoxparables.wordpress.com) waar men ook geschriften aanhaalt waar men meld dat de Nazareners essentieel niet verschilden van de Orthodoxe Joden, aangezien zij de gewoonten, gebruiken en doctrine beoefenden die door de Joodse Wet werden voorgeschreven; behalve dat zij in Christus geloofden. (Epiphanius, “Tegen Ketterijen,” Panarion 29 7 pp 41, 402)
    Zij geloofden in de herrijzenis van de doden en dat het heelal door God werd gecreëerd. Zij predikten dat God één is en dat Jezus Christus zijn zoon was. Zij waren geschoold in de Hebreeuws taal en lazen de Wet (die de Wet van Mozes of Mozaïsche Wet betekent). Vreemd genoeg wordt er dan een onderscheid gemaakt tussen ander Christus volgelingen of Christenen die zich niet hielden aan de Joodse riten, waarmee eigenlijk bedoeld werd op de nieuwe Christenen of gedoopte heidenen. “Daarom verschillen zij…van de ware christenen omdat zij tot nu [zo] Joodse riten als de besnijdenis volbrengen, sabbat en anderen”. (Epiphanius, “Tegen Ketterijen,” Panarion 29 7 pp 41, 402)
  • Ook Earliest (pre-Christian) Nazarenes: Pliny the Elder’s evidence en Earliest Nazarenes: Evidence of Epiphanius gaan in op de benaming van de volgelingen van de Jood Jezus Christus uit Nazareth welke daarom ook wel de Nazareners of Nazoreans (“Panarion 29″ by Epiphanius) werden genoemd. Maar zij werden voor een korte tijd eveneens aangeduid met de benaming “Jessaeans” voor zij in Antiochië als Christenen werden vernoemd. Ook vandaag vinden wij nog de niet-trinitarische Christelijke denominatie ‘Vrienden van de Nazareen’ of “Nazarene Friends”

    “While treating the name of the sect, we may deal here with a short notice by Pliny the Elder which has caused some confusion among scholars. In his Historia Naturalis, Book V, he says: We must now speak of the interior of Syria. Cœle Syria has the town of Apamea, divided by the river Marsyas from the Tetrarchy of the Nazerini; Bambyx, the other name of which is Hierapolis, but by the Syrians called Mabog. This was written before 77 A.D., when the work was dedicated to Titus. The similarity of the name with the Nazerini has led many to conclude, erroneously, that this is an early (perhaps the earliest) witness to Christians  (or Nazarenes) by a pagan writer. Other than this, be it noted, there is no pagan notice of Nazarenes.”
    “… Can Pliny’s Nazerini be early Christians? The answer depends very much on the identification of his sources, and on this basis the answer must be an unequivocal No. It is generally acknowledged that Pliny drew heavily on official records and most likely on those drawn up by Marcus Agrippa (d. 12 B.C.). Jones has shown that this survey was accomplished between 30 and 20 B.C. Any connection between the Nazerini and the Nazarini must, therefore, be ruled out, and we must not attempt to line this up with Epiphanius’ Nazoraioi. One may, however, be allowed to see the Nazerini as the ancestors of today’s Nusairi, the inhabitants of the ethnic region captured some seven centuries later by the Moslems. …” (Neil Godfrey)
    “… everyone called the Christians Nazoraeans, as they say in accusing the apostle Paul, “We have found this man a pestilent fellow and a perverter of the people, a ring-leader of the sect of the Nazoraeans.”  And the holy apostle did not disclaim the name – not to profess the Nazoraean sect, but he was glad to own the name his adversaries’ malice had applied to him for Christ’s sake. For he says in court, “They neither found me in the temple disputing with any man, neither raising up the people, nor have I done any of those things whereof they accuse me. But this I confess unto thee, that after the way which they call heresy, so worship I, believing all things in the Law and the prophets .””

De Bijbel als Gids

De Bijbel als leidraad

In de tijd van Jezus kwamen mensen samen in de synagoge maar ook in hun huizen om de rollen van de heilige schrijvers te bestuderen. Voor hen was het duidelijk dat God deze mensen de macht en de faciliteiten had gegeven om Zijn Woord neer te schrijven. Voor de aanhangers van Christus was het duidelijk dat zij met de verhalen over Christus Jezus en de geschriften van zijn apostelen moesten rekening houden. De boeken van de Oude Tijd ontvingen, na Jezus zijn verrijzenis, een broer in de geschriften van de Nieuwe Tijd. Het Oude en Nieuwe Testament werden de twee pijlers van onderwijsmateriaal om geloof op te bouwen en zich aan de Bevelen van God te houden.

Enthousiaste aanhangers van Jezus vergden de tijd om te komen tot het bestuderen van de geschriften, die wij nu als Bijbel kennen. Zij voelden zich verenigd in het houden aan de gedachte dat de Heilige Schrift, Oude en Nieuwe Testamenten, geïnspireerd zijn dat zij het definitieve gezag voor authentieke waarheid zijn. Zij betwijfelden de inhoud van die Geschriften niet en wisten dat als zij tot God baden zij ook begeleiding zouden ontvangen om deze te kunnen volgen en te begrijpen. Zij volgden de regels van Geschriften en wilden hun geloof er op vestigen. Maar zij wensten enkel die dingen geloven die volgens vergelijking van de vele Schriftplaatsen konden opgaan. Zij geloofden dat al de teksten in de Bijbel in harmonie zijn met elkaar. De apostelen hadden hen gewaarschuwd om zorgvuldig te zijn en om zich niet door wereldse gedachten te laten meeslepen en dat zij geen niet-Bijbelse woorden tot een geloofspunt zouden mogen maken.

In de vroege tijden van deze huidige tijdrekening, hadden sommigen gezien dat Jezus, op deze wereld, geheel van vlees en bloed was zoals elke ander sterveling. Terwijl Jezus wonderbaarlijk door God door de Heilige Geest in de moederschoot van Maria werd geplaatst, aanvaardden zij dat de Bijbel impliceert dat zij daarna geen maagd bleef. Trouwens hadden veel van de vroege Christenen de andere kinderen van Jozef en Maria, na de geboorte van Jezus ontmoet. Één van de broers van Jezus had hem trouwens vol geloof gevolgd. De mensen rond Jezus konden over hem meespreken. Zij hadden getuigd over de vele mirakelen, en over de vreemdste gebeurtenis gehoord, namelijk dat deze heilige man uit de dood was opgestaan. Maar er waren ook velen die niets gezien hadden en tegen de groeiende jaren niemand in hun cirkels hadden die mensen hadden ontmoet die Jezus in het echt hadden gekend. Voor hen kwam het er op aan te geloven zonder te zien.

De Bijbel bestuderend werden die mensen die geïnteresseerd waren in het Woord van God volledig overtuigd dat die Nazarener Jood door zijn dood hen redding kon brengen. Zij wisten dat de mens door zijn aard dodelijk is, en dat onsterfelijkheid nu beschikbaar werd in zekere zin, maar slechts door aan voorwaarden van gehoorzaamheid te voldoen. Zij hielden er aan, zoals wij vandaag nog van mening zijn, dat de menselijke ziel geen verschillende entiteit is, maar het resultaat van de unie van het lichaam en de adem, of vonk, van het leven is, en dat de dood de ontbinding van deze twee elementen is. Jezus was gestorven, in het graf gelegd, maar daarna verrezen. Vervolgens was hij naar zijn Vader uitgegaan waaraan hij altijd bescheiden bleef. Jezus had altijd naar zijn Vader gewezen als diegene die alles deed en aan wie wij eer moesten geven. Daarom keurden zij de positie van mede-eeuwigheid of medegelijkheid tussen de Vader en de Zoon niet goed. Maar zij waren tevreden dat sinds zijn verrijzenis Jezus de goddelijke aard had ontvangen en de bemiddelaar tussen hen en God kon zijn.

Michelangelo's The Creation of Adam (1512) is ...

Michelangelo's The Creation of Adam (1512)

Gelovende dat Adam en Eva perfect gecreëerd waren, hielden de gelovigen er aan dat  de zonde door ongehoorzaamheid in de Tuin van Eden resulteerde in het onder de vloek van zonde komen met onvolmaaktheid, en dood tot gevolg. Omdat de dood de ontbinding van lichaam en adem is, zou elke Student van de Bijbel er bewust moeten van zijn dat de ziel (de mens) die zondigt sterft en van het bestaan uitgaat, en dat wij in onze dood gewoon terugkeren tot stof en as en daar niet kunnen aan ontsnappen. Maar zij die in Christus Jezus geloofden vonden vrede in de beloofde Messias die zou gaan terugkeren. Het is hij die dan het verrijzenisproces zal beginnen dat in het toekomstige Koninkrijk van de Messias begint. Hij had zijn lichaam als losgeld bij het kruis van Calvarie gegeven. Dit zoenoffer is doeltreffend voor iedereen wie ooit zal zijn gestorven. Het belooft reanimatie voor het gehele mensdom in het 1000-jarige koninkrijk van Christus, samen met de kans om het perfecte menselijke leven te verkrijgen en te handhaven voor eeuwig. Het losgeld voorziet ook de rehabilitatie van de planeet aarde aan perfecte Edense voorwaarden.

Van de Pinkstergebeurtenis af begonnen vele duizenden op de terugkeer van Christus of Tweede Komst te verheugen. Bij zijn eerste komst, was Jezus reeds begonnen een speciale klasse van mens en voor zijn kerk uit te roepen, om als zijn bruid te zijn. Aan deze beloofde hij een deel in de hemel met zich en de Vader, en een koninkrijksrol voor het regeren over de mensheid, dit tot zegen voor alle families van de aarde. Zij die deze uitnodiging goedkeuren maken volledige consecratie of de verplichting om de wil van God te doen zoals zij het geopenbaard zien en ten koste van een overgave van het recht op het leven ter wereld. Deze overgave wordt getuigd door doopsel (volledige wateronderdompeling,). De verwachting dat Jezus Christus zou terugkeren om het werk te beëindigen dat hij twee duizend jaar geleden begon werd een belangrijk deel van hun geloof. Zij volgden de raad die Jezus en zijn apostelen hadden gegeven om het Woord van God te bestuderen en regelmatig samen te komen, alsook om het Breken van het Brood als teken van de Nieuwe Overeenkomst of het Nieuwe Verbond te herinneren.

Om dergelijke vergaderingen te organiseren moesten zij plaatsen vinden waar zij konden samenkomen, zeker nadat zij niet meer welkom waren in de synagogen. In de verschillende dorpen en kleine gemeenschappen werden kleine groepen gevormd. Door veel huisbijeenkomsten of ’huis parties’ te geven werden de eerste `huiskerken’ gevormd. Elke groep selecteerde zijn leiders (oudsten en dekens) door de volwaardige stem van hun toegewijde leden, en werkten samen met andere congregaties zoals die door die lokale groep werden bepaald. Maar dergelijke vergaderingen of het verzamelen op zich brachten ook uitgaven met zich mee. Om deze te kunnen beheren betaalden de leden van de gemeenschap vrijwillige bijdragen en gaven volledig vrijwillig dienstenaanbod zonder inzamelingen voor verplicht gestelde kosten.

Ook vandaag willen wij als Studenten van de Bijbel ons aan de verordeningen houden die door God en door Jezus werden gegeven en willen wij onze gemeenten houden overeenstemmend de Bijbelse wijze en willen wij op een niet-betaalde en vrijwillige basis dienen.

Tag Cloud

The Eccentric Fundamentalist

Musings on theology, apologetics, practical Christianity and God's grace in salvation through Jesus Christ

John 20:21

"As the Father has sent me, so I am sending you."

The Biblical Review

Reviewing Publications, History, and Scripture

Words on the Word

Blog by Abram K-J

Bybelverskille

Hier bestudeer ons die redes vir die verskille in Bybelvertalings.

Michael Bradley - Time Traveler

The official website of Michael Bradley - Author of novels, short stories and poetry involving the past, future, and what may have been.

BIBLE Students DAILY

Be faithful unto death, and I will give you the crown of life. – Revelation 2:10

God's Simple Kindness

A place to share your daily blessings

takeaminutedotnet

All the Glory to God

Religieus Redeneren

Gedachten en berichten over hedendaags (on)geloof

Jesse A. Kelley

A topnotch WordPress.com site

JWUpdate

JW Current Apostate Status and Final Temple Judgment - Web Witnessing Record; The Bethel Apostasy is Prophecy

Sophia's Pockets

Wisdom Beyond Walls

ConquerorShots

Spiritual Shots to Fuel the Conqueror Lifestyle

Examining Watchtower Doctrine

Truth Behind the "Truth"

Theological NoteBook

Dabbling into Theology

sowers seed

be careful 'how you hear'

Next Comes Africa

If I take the wings of the morning, and dwell in the uttermost parts of the sea; Even there shall thy hand lead me, and thy right hand shall hold me - Psalm 139: 9,10

friarmusings

the musings of a Franciscan friar...

%d bloggers like this: