An other Christian WordPress.com site – Een andere Christelijke WordPress.com site

Posts tagged ‘Judaïsme’

Hellenistische invloeden

De vroege dagen van het Christendom

2. Hellenistische invloeden

In de eerste eeuwen van de gewone tijdrekening was de invloed van de Griekse cultuur in het Romeinse Rijk nog steeds merkbaar en behoedde Griekenland zijn culturele erfgoed; een van de belangrijkste universiteiten van het Romeinse Rijk stond in Athene.

Bij de Atheense scholen konden onder haar leden ook Christenen, zoals Prohæresios, de sofist, gevonden worden. (σοφιστης; sophistés, kan het best vertaald worden als geleerde of deskundige. Sophos of sophia betekende “wijs”)

Vooral tijdens de periode van de 2e helft van de 5e eeuw v.G.T. kon men meestal rondreizende “beroepsdenkers” aantreffen die hun encyclopedische vakkennis inzake wiskunde, literatuur, filosofie en vooral ook welsprekendheid, praktische staatkunde en recht, tegen (hoge) betaling dienstbaar maakten aan de opleiding van de rijpere jeugd uit de gegoede middenklasse. Zo zorgden dezen dat hun leerlingen door middel van onderwijs op het vlak van kennisleer en welsprekendheid op geleid werden tot bekwame mensen die een leidende rol zouden kunnen spelen in de gedemocratiseerde maatschappij en in staat waren het woord te nemen in de volksvergadering (Grieks: ekklèsia).

De sofisten, aan wie de eer toe komt om als eersten de wetten van het denken te hebben gesystematiseerd (logica), kwamen uit vrijwel alle gebieden van de Griekse wereld en doceerden in bijna alle steden.

Zij waren ook de voorlopers van de socratische dialectiek en van aristotelische logica. Latere sofisten waren meer op materieel succes uit en benadrukten het belang van retoriek als de kunst van de overtuiging in de politiek, in de rechtszaal of in andere discussies. Tegen deze praktijk nam Socrates stelling, want waarheid kon volgens hem niet afhankelijk zijn van degene die het overtuigendst op gevoelens inpraatte en met alle mogelijke middelen zijn gelijk probeerde te halen. Op die manier werd een slechte zaak immers als goed voorgesteld. Vooral onder invloed van de dialogen van Plato en Xenophon, kregen de sofisten een kwalijke reputatie, en werd sofistiek verbonden met een manier van redeneren waarbij drogredenen werden gebruikt (sofismen). Zij werden door sommigen er van beschuldigt eerder uit te zijn op macht dat te zoeken naar waarheid en gerechtigheid.

The "obscene" medieval depiction of ...

Obscene middeleeuwse voorstelling van Socrates en Plato

Ook Sixtus II, of Xystos, die aan martelaarschap leed in Rome ongeveer rond 258 G.T., kan ook in Athene gestudeerd hebben en is de „zoon van een Atheense filosoof“. Maar de meest genoteerde mensen die deze scholen frequenteerden waren Basil van Kæsareia, en Gregorius van Nazianzos, rond het midden van de vierde eeuw. Deze scholen van filosofie hielden het heidendom voor vier eeuwen levend, maar tegen de vijfde eeuw was de oude godsdienst van Elevsis en Athene praktisch bezweken. In de Raad van Nikæa was er een bisschop van Athene aanwezig. In 529 waren de scholen van filosofie gesloten. Van die datum had het christendom geen rivaal meer in Athene.[1]

De Nazarener Jood Jezus kreeg bij de doop door zijn neef Johannes een wolk en duif boven hem, waarbij de stem van God te kennen gaf dat hij de “zoon van God” was.  God zij niet “dit ben ik hier in menselijke gedaante” of “ziehier God de zoon“. Tijdens zijn openbaar leven leerde Jezus de mensen ook dat er slechts één ware God was tussen de vele goden die werden aanbeden door de verschillende volkeren. Hij aanschouwde zijn vader in de hemel als de Allerhoogste God. Eveneens leerde hij de mensen dat de ziel, het eigenlijke levensbestaan van de mens beperkt in de tijd was. Elke mens was volgens Jezus sterfelijk. (Johannes 17:3; Mattheus 10:28) Bij de dood van de apostelen kwam er een verzwakking in de originele structuur van de geloofsvereniging en werden zulke leerstellingen vermengd met heidense leerstellingen. Het christendom raakte alom meer bezoedeld door die heidense en hellenistische gedachten.

Ook de Naam van God, Jehovah, die Jezus zeer belangrijk vond, werd meer opzij geschoven ten voordele van andere namen. De voorkeur om de godheid meerdere persoonlijkheden toe te kennen zoals in het hellenistische systeem bracht mee dat verscheidene christenen hun godheid ook gingen opsplitsen in drie persoonlijkheden, de geboorte van de zogenaamde Heilige Drie-eenheid. Het zou echter nog enkele decennia duren eer de drievuldigheid grote navolging kreeg.

Als gevolg van de vermenging van de verscheidene geloofsideeën werden heidense doctrines zoals de Drie-eenheidsleer en de onsterfelijkheid van de ziel al sijpelde opgenomen in de christelijke leer om deze te bederven. Deze leringen gaan echter veel verder terug dan de Griekse filosofen. De Grieken verworven ze daadwerkelijk van oudere culturen, want er is bewijs van een dergelijk onderricht in de oude Egyptische en Babylonische religies. Zoals andere heidense doctrine bleef zij het christendom infiltreren en werden andere Schriftuurlijke leerstellingen ook vervormd of verlaten.

Arabisch Diatessaron, Vertaald door Abul Faraj Al Tayyeb van Syrisch naar Arabisch, 11e eeuw

De vraag welke betrekking de Zoon had tegenover de Vader (zelf erkend bij allen om één Opperste Godheid te zijn), gaf een toename tussen de jaren. 60 en 200 G.T.,  aan een aantal Theosofische systemen, over het algemeen Gnosticisme genoemd, met als voorname auteurs Basilides, Valentinus, Tatianus de Syriër, ontwerper van het Diatessaron (‘Uit vier samengesteld’; geschreven tussen 170 en 180), een harmonie van de vier evangeliën, en andere Griekse speculanten.[2] Volgens sommigen was het door Gnosticisme dat heidense invloeden in de Christelijke verering zijn toegetreden. Gnosticisme, beweren zij, diende dan enigszins als brug tussen heidendom en christendom.[3] De Gnostische systemen openbaarden meer theosofie dan theologie. Zo ook in de Joodse kabbala, met de  Sefer Yetzirah, The Zohar, Pardes Rimonim, en Eitz Chaim, waarin de leer van een geheime, mystieke interpretatie van de Torah wordt gegeven, treft men de theosofie aan die een oplossing zoekt te vinden voor de natuurverschijnselen en de bedoeling van het bestaan De verscheidene ontologische vragen brachten een vermenging in de godsdienst met diverse vormen van magie en occultisme.

Flemish edition of the Corpus Hermeticum or the Hermetic Corpus

Corpus Hermeticum, Vlaamse uitgave uit 1643

De belangrijkste hellenistische bron is het Corpus Hermeticum, een verzameling teksten toegeschreven aan Hermes Trismegistus wiens leerstellingen weer erg relevant werden in de New Age. Daarin worden astrologie en andere occulte wetenschappen behandeld, alsook spirituele vernieuwing.

Alexandrië, vol Joden, was het literaire evenals commerciële centrum van het Oosten, en het verbindende verband tussen het Oosten en het Westen. Daar werden de grootste bibliotheken verzameld; daar kwam de Joodse geest dicht in contact met de Griekse, en de godsdienst van Mozes met de filosofie van Plato en Aristoteles. Daar schreef Philo, terwijl Christus in Jeruzalem en Galilea onderwees, en zijn werken waren bestemd om een grote invloed op Christelijke exegese door de Alexandrische vaders uit te oefenen.

Tijdens de vierde eeuw ging Egypte aan de kerk de Ariaanse, Athanasian orthodoxie, en kloosterpiëteit van St. Antonius en St. Pachomius geven, die met onweerstaanbare kracht over het christendom uitspreiden.

De theologische literatuur van Egypte was voornamelijk Grieks. De meeste vroege manuscripten van de Griekse Geschriften – inclusief de waarschijnlijk onschatbare Sinaitische en Vaticaanse Manuscripten omvattend. – werden geschreven in Alexandrië. Maar reeds in de tweede eeuw werd de Heilige Schrift vertaald in de lokale taal, in drie verschillende dialecten. Wat van deze versies overblijft is van aanzienlijk gewicht in het nagaan van de vroegste tekst van het Griekse Testament.

Tot de joden die het meest ontvankelijk waren voor hellenistische invloeden, behoorden de priesters. Voor velen van hen betekende het aanvaarden van het hellenisme een manier om het judaïsme met zijn tijd te laten meegaan.

Terwijl veel joden het hellenisme aanvaardden, moedigde een nieuwe groep die zich Hasidim of Chassidim noemde — vromen (letterlijk “liefhebbende vriendelijkheid”, afgeleid van het Hebreeuwse חסידות (chassidoet), dat “vroomheid” betekent) —, aan tot striktere gehoorzaamheid aan de wet van Mozes of Mozaïsche Wet.

De eerste groep Hasidim, ook genoemd Chasideeën of Assideeën (Hebreeuws: חסידים Hassidim, “Integeren” of “Vromen”; Koinè: Ἁσιδαίοι Asidaioi) of Hasideans (afgeleid van het Griekse asidaioi, of van het Hebreeuwse Hasidim, “het vrome”), waren een oude Joodse sekte die zich tussen 300 en 175 V.G.T. ontwikkelde. Zij waren de stijfste aanhangers van Judaïsme in tegenstelling tot die Joden die door Hellenistische invloeden waren beïnvloed. Hasidim leidde de weerstand tegen de hellenizerings campagne van Antiochus IV van Syrië, en zij kwamen grotendeels in de vroege fasen van de opstand voor van Maccabeeën of Machabees, Joodse families van de 2d en 1st eeuw voor Christus welke een restauratie van het Joodse politieke en godsdienstige leven bewerkstelligde. Zij worden ook Hasmoneans of Asmoneans genoemd naar hun voorvader, Hashmon. Hun rituele striktheid heeft sommigen veroorzaakt om hen als voorlopers van Farizeeërs te zien. Doorheen de Talmoedische periode werden talrijke als Hasidim omschreven.[4] Het gewone volk walgde nu van de gehelleniseerde priesters en koos meer en meer partij voor de Chassidim. Er brak een periode van martelaarschap aan toen joden in het hele land werden gedwongen zich in heidense gebruiken en offers te schikken of te sterven.[5]

De hellenisering van de Joden in de pre-Hasmoneaanse periode werd niet door iedereen weerstaan. In het algemeen, accepteerden de Joden vreemde overheersing wanneer ze enkel werden gevraagd om er erkenning aan te geven. Wanneer zij formeel alleen maar hulde hoefden te brengen te brengen, en zich verder zelf intern mochten besturen was er geen probleem . Toch geraakten de Joden verdeeld tussen dezen die  de hellenisering begunstigden  en diegenen die zich daar  tegenover verzetten. Zo groeide de verdeeldheid tussen hen die trouw aan de Ptolemaeën verkozen, en diegenen die de Seleuciden verkozen. Toen hogepriester Simon II stierf in 175 vGT, brak er een conflict uit tussen de aanhangers van zijn zoon Onias III (die tegen hellenisering was, en de Ptolemaeën verkoos) en zijn zoon Jason (die de voorkeur gaf aan hellenisering, en de Seleuciden verkoos). Een periode van politieke intriges volgde, met priesters zoals Menelaus die de koning omkocht voor het hoge priesterschap te verkrijgen, en beschuldigingen van moord van concurrerende kanshebbers voor de titel. Het resultaat was een korte burgeroorlog. De Tobiads, een filo-Hellenistische partij, slaagden er in om Jason in de machtige positie van de Hogepriester te plaatsen. Hij vestigde een arena voor openbare spelen dicht bij de tempel. (Ginzberg, Lewis. “The Tobiads and Oniads.”. Retrieved 2007-01-23. Jewish Encyclopedia.) Auteur Lee I. Levine merkt op: “De ‘pièce de resistance’ van Judese hellenisering, en de meest dramatische van al deze ontwikkelingen, kwam in 175 vGT toen de hogepriester Jason Jeruzalem bekeerde tot een Griekse polis vol met gymnasiums en ephebeion (2 Makkabeeën 4). Of deze stap het hoogtepunt van een 150-jaar durend proces van hellenisering werd binnen Jeruzalem in het algemeen, of dat het slechts het initiatief was van een kleine kliek van Jeruzalemse priesters zonder wijdere vertakkingen, is voor decennia besproken geworden. “(Levine, Lee I. jodendom en hellenisme in de oudheid: conflict of samenvloeiing Hendrickson Publishers, 1998 pp 38 tot 45 Via.. “De impact van de Griekse cultuur op normatieve jodendom.”)

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.
Foto: RKK

Constantijn (C., Flavius Valerius Constantinus) trachtte het christendom met bepaalde heidense gebruiken en leerstellingen te versmelten, en hij ondernam de eerste stappen om deze fusiereligie tot de officiële staatsreligie te maken. Aldus werd Griekenland een deel van de christenheid.

Constantijn was tijdens de vervalperiode van het Romeinse Rijk de Grote keizer (306–337 G.T.) en verplaatste de hoofdstad van het Romeinse rijk van Rome naar Byzantium, welk hij ter ere van zichzelf Constantinopel noemde.

In 321 G.T. verordende Constantijn dat de zondag (Lat.: dies Solis, een oude titel die verband hield met astrologie en zonaanbidding, niet Sabbatum [sabbat] of dies Domini [dag des Heren]) een rustdag voor iedereen, behalve voor de boeren, zou zijn. Constantijn bovendien plaatste de zondag onder de bescherming van de Staat. Constantijn spreekt niet van de dag van de Heer, maar van de eeuwige dag van de zon zoals de gelovigen in Mithras ook zondag evenals Kerstmis waarnamen.

Mesopotamische kalksteen rolzegel en afdruk: verering van Šamaš de zonnegod (Louvre)

Geloof in het oude polytheïsme was door elkaar geschud; in flegmatieker naturen, als de Romeinse keizer Diocletianus, en toonde haar kracht enkel in de vorm van bijgeloof, magie en waarzegging. Waarschijnlijk erkenden veel van de meer edelmoedigen de waarheid in Judaïsme en christendom, maar geloofden dat zij er deel van konden gaan uitmaken zonder verplicht te worden te verzaken aan hun heidense praktijken en verering van o.a. hemellichamen. Zulk iemand was Keizer Alexander Severus; een andere gelijkdenkende was Aurelian, wiens opinies bevestigd werden door Christenen zoals Paulus van Samosata. Niet alleen Gnostici en andere ketters, maar ook Christenen die zich als gelovige beschouwden, namen de maatregelen aan om de zon te vereren. Ook Constantijn koesterde dit verkeerde geloof.[6]


[1] Christian Athens, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[2] Arianism., Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[3] Notion and characteristics, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[4] In de 18de Eeuw zou deze beweging opnieuw, voor de derde keer, opgenomen worden, maar nu in Oost Europa, door rabbijn Yisroel ben Eliezer (1698-1760) ook gekend als Rabijn Israël Baal Shem Tov (Hebreeuws voor Meester van de Goede Naam)als reactie tegen overdreven legalistische Judaïsme.

[5] S. Lieberman, Hellenism in Jewish Palestine (1962); S. G. Kramer, God and Man in the Sefer Hasidim (1966); A. L. Lowenkopf, The Hasidim (1973).

[6] The original Catholic Encyclopedia

Verhoging Afdwaling

De vroege dagen van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.3.              Verhoging Afdwaling

Het christendom bereikte proconsulair Afrika in de tweede, misschien reeds bij het sluiten van de eerste eeuw. Er waren constante betrekkingen met Italië. Het spreidde zeer snel over de vruchtbare gebieden en het brandende zand van Mauritanië en Numidië uit. In 258 kon er een synode van zevenentachtig bisschoppen samen komen, en in 308 hielden de afgescheurde Donatisten een raad van twee honderd zeventig bisschoppen in Carthago. De bisdommen, natuurlijk, waren klein in die dagen.

Jerome

Codex Balliolensis van Terullianus

De oudste Latijnse vertaling van de Bijbel, verkeerd genoemd „Itala“ (de basis van Jerome zijn “Vulgata“) werd waarschijnlijk in Afrika en voor Afrika gemaakt, niet in Rome en voor Rome, waar op dat ogenblik de Griekse taal onder Christenen heerste. De Latijnse theologie, ook, was niet geboren in Rome, maar in Carthago. Tertullius of Tertullianus, is er de vader van. Minutius Felix, Arnobius, en de Cyprioot bewijzen de activiteit en de welvaart van het Afrikaanse christendom en theologie in de derde eeuw. Het bereikte zijn hoogtepunt tijdens het eerste trimester van de vijfde eeuw in het intellect en het brandende hart van St. Augustinus, maar spoedig na zijn dood (430) werd het begraven eerst onder barbarisme van de Vandalen, en in de zevende eeuw door de Moslimverovering. (Volgens de overlevering moedigde hij de bewoners van Hippo aan om zich te verzetten tegen de Vandalen, vooral omdat de Vandalen een Ariaanse variant van het christendom aanhingen, die Augustinus als ketters beschouwde.)  Maar toch leidde zijn geschriften Christelijke gedachten in de Latijnse kerk door de middeleeuwen, bevorderde de Hervormers, en werd het een essentiële kracht voor velen vandaag.

Vanaf de tweede helft van de eerste eeuw G.T. verhoogde het afdwalen en sloop afval de gemeenten binnen, en werden velen erdoor beïnvloed. Zogenaamde christenen raakten geïntegreerd met de natiën van de wereld en konden niet van de wereld om hen heen worden onderscheiden.

Na de zogenaamde bekering van Constantijn in de vierde eeuw stroomden de heidenen in grote aantallen naar de vorm van christendom die toen de boventoon voerde. Met welk gevolg? Het boek Early Christianity and Paganism verklaart: „De betrekkelijk kleine groep echt serieuze gelovigen ging verloren in de grote massa zogenaamde christenen.”

Hoe waar bleken Paulus’ woorden te zijn! Het was alsof het ware christendom werd opgeslokt door heidens bederf. En nergens was deze bezoedeling duidelijker merkbaar dan in de viering van feestdagen.

De eerste vijftien bisschoppen van christendom waren besneden Joden, zij hielden zich aan de Wet en waren eerder onvriendelijk naar het heidendom toe, terwijl zij vriendelijke betrekkingen met de leiders van de synagoge vasthielden. Vele halakic en haggadic bespreking zijn in de Talmoed geregistreerd zoals deze plaats hebben genomen tussen de Christenen en de Rabbi’s. Vermoedelijk heeft de Christelijke Gemeenschap of Kerk van de Heiligen, zichzelf niet onderscheiden van de uiterlijke vorm van de “Ḳehala Ḳaddisha”[1] te Jeruzalem, onder welke naam de Essenen gemeenschap, waartoe Johannes de Doper oorspronkelijk toe behoorde, de ondergang van de Tempel overleefde.[2] (De vroegste vermelding van de Essenen is in Josephus‘ verhaal over ene Judas de Essener, over wie wordt gezegd dat hij de moord van Antigonus door Aristobulus I in 104 v.Chr.had voorspeld.)

The romanticized woodcut engraving of Flavius ...

The romanticized woodcut engraving of Flavius Josephus appearing in William Whiston’s translation of his works. (Photo credit: Wikipedia)

Tussen het ethische en apocalyptische onderwijs van de Evangelies en Epistels en het onderwijs van Essenen van die tijd, zoals aangegeven in Philo, in Hippolytus, en in de Ethiopische en Slavische Boeken van Enoch, evenals die in de rabbijnse literatuur wordt gegeven, is de gelijkenis dusdanig dat de invloed van de laatstgenoemden op de eerstgenoemden nauwelijks kan worden ontkend. Niettemin, is de houding van Jezus en zijn discipelen totaal anti-Esseen, een beschuldiging en loochening van Essene gestrengheid en ascetisme; maar vreemd, terwijl de Romeinse oorlog een beroep deed op mensen van actie zoals de Zeloten, werden de mensen van een vreedzamere en onrealistische aard, die eerder genoeg Essenen waren geworden, meer en meer aangetrokken door het christendom, en gaven de Kerk haar andere wereld karakter; terwijl het Judaïsme een praktischer en meer wereldse kijk op de dingen had, en Essenisme toe stond om slechts in traditie en geheime overlevering te leven.[3] De Essenen braken met het officiële priesterschap, namen niet deel aan religieuze diensten en offers in de tempel, maar hielden zich aan de andere kant strikt aan de Wet. Net als de Farizeeën, met wie zij in menig opzicht overeenkomst vertoonden, vielen zij ten prooi aan hellenistische invloeden en gingen zij geloven in een onsterfelijke ziel.

De Apostelen waren zich ervan bewust dat het Evangelie aan alle naties moest worden gepredikt, en pas dan de voltooiing zal komen, en daarom drukten zij hun hoop opdat mensen het Woord van God zouden blijven bestuderen en aan evangelisatie zouden blijven doen.


[1] Meshullam vormde een maatschappij genoemd “Ḳehala Ḳaddisha”  (de Heilige Gemeenschap), omdat zijn leden één derde van de dag aan de studie van de Thora, één derde aan gebed en het overblijvende derde wijdden aan werken (Yer. . Sheni 53d; Eccl. R. ix. 9).
Read more: http://www.jewishencyclopedia.com/view.jsp?artid=758&letter=S#ixzz15AWdlkt6

[2] Ber. 9b; vergelijk Eccl. R. ix. 9: ‘Edah Ḳedoshah

Minimaliseren van Gods Kracht de Heilige Geest

De vroege dagen van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.2.              Minimaliseren van Gods Kracht de Heilige Geest

Het “uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk tot een speciaal bezit” ( 1 Petrus 2:9 ) trachtte zich recht te houden en hun leerstellingen zuiver te bewaren. Zij verrichtten hun christelijke bediening onder heel moeilijke omstandigheden. Paulus bracht het als volgt onder woorden: „Wij worden in elk opzicht bestookt, maar toch niet zo in het nauw gedreven dat wij ons niet meer kunnen bewegen; wij zijn ten einde raad, maar niet totaal zonder uitweg; wij worden vervolgd, maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeworpen, maar niet vernietigd.” (2 Korintiërs 4:8, 9).

Men hoeft slechts de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen der Apostelen te lezen om te zien hoeveel enthousiasme en vreugde ervan uitging, zelfs ondanks vervolging (Handelingen 2:44-47; 4:32-34; 5:41; 6:7). Maar in de loop van tientallen jaren veranderde de situatie, en veel joodse christenen gingen het in de wedloop om het leven kennelijk wat langzamer aan doen. Een toestand van matheid en vermoeidheid, van onvervulde verwachtingen, uitgestelde hoop, bewust tekortschieten en feitelijk ongeloof kwam over de gelovigen. Zij waren christenen, maar hadden weinig waardering voor de heerlijkheid van hun roeping. Voor sommigen van hen leken Gods beloften onwerkelijk en een brug te ver.

Speyer---Cathedral---South-View---(Gentry)

4° Eeuwse bijeenkomstruimte. - Zuidzijde van de Kaiser- und Mariendoms zu Speyer. - Foto Alfred Hutter

Tijdens de eerste eeuw zag de toekomst voor de georganiseerde christelijke gemeente er donker uit. Jezus had voorzegd dat het zou zijn alsof een pas bezaaid tarweveld met onkruid bezaaid werd waardoor de tarwe vrijwel niet van het onkruid te onderscheiden was. Voor vrees dat men toevallig terwijl men de valse leraren zou verwijderen ook de normale gelovigen met hen zouden kwijt spelen. (Mattheüs 13:24-30). En zo geschiedde het ook. Tegen het einde van de eerste eeuw, toen de bejaarde apostel Johannes als de laatste belemmering tegen verdorvenheid fungeerde, bloeide de afval reeds (2 Thessalonicenzen 2:6; 1 Johannes 2:18). Niet lang na de dood van de apostelen ontstond er een afzonderlijke klasse van geestelijken, die de kudde onderdrukte en onderscheidende kledij droeg. De afval verbreidde zich als gangreen.

Van de dagen van de apostelen tot nu vindt men de wortel van de gehele opzet en heerschappij van klerikalisme. De filosofie en heterodoxie, zonder twijfel, deed er veel aan om de kerk te bederven en haar ertoe te brengen om zich bij de wereld aan te sluiten: maar de orde van de geestelijkheid en alles dat er bij behoorde moest op de godsdienst van de Joden worden gebaseerd. Het is meer dan waarschijnlijk, echter, dat velen dan kunnen overreed zijn om het christendom als een voortzetting van Judaïsme te nemen, in plaats van haar perfecte contrast te zijn. De Judaïzerende leraren bevestigden dapper dat het christendom slechts een enting op Judaïsme was. Maar door de epistels leren wij overal dat er zijn die tot het oude behoren en andere aan de nieuwe verwezenlijking behoren; dat de wet door Mozes werd gegeven, maar de gunst en de waarheid kwamen door Jezus Christus.

Ook al had Paulus de Hebreeën gewaarschuwd om op te letten dat er zich in niemand van hen ooit een goddeloos, ongelovig hart zou ontwikkelen, doordat hij zich zou terugtrekken van de levende God. Alsook bleken de andere waarschuwingen van de mede apostelen soms een maat voor niets. Sommigen die in de gemeente kwamen, begonnen hun geloofsovertuigingen in de termen van de Griekse filosofie tot uitdrukking te brengen, om datgene wat zij predikten aanvaardbaarder te maken voor de mensen van de wereld. Geleidelijk gingen heidense leerstellingen, zoals de Drie-eenheid en de inherente onsterfelijkheid van de ziel, deel uitmaken van een bezoedelde vorm van het christendom. Dit leidde tot het prijsgeven van de hoop op het Millennium.

Early-Christians-Worship-in-the-Catacombs-of-Saint-Calixtus

19° Eeuws beeld van de 1° eeuwse catacomben bijeenkomst - Catacomben van de heilige Calixtus - eind 19° eeuw

Het gevaar dat er dreigde werd meer en meer werkelijkheid en zonde en afval kwamen meer voor. Om die reden had Paulus de gemeenten er aan herinnerd steeds waakzaam te blijven en elkaar te vermanen.[1] Vanuit de gemeenschappen zelf kwamen mensen die er de voorkeur aan gaven verkeerde leerstellingen te prediken om zo volgelingen voor henzelf te verkrijgen. Op subtiele wijze schreven zij aan hun eigen meningen en leringen een zelfde of zelfs nog hogere waarde toe dan aan de Schrift. Toen de gelegenheid hiertoe zich voordeed, stelde deze afvallige kerk zich zelfs beschikbaar om de belangen van de politieke staat te dienen. (Handelingen 20:30; 2 Petrus 2:1, 3).[2] Om de gemeenschap te beschermen was het belangrijk om het gevoelen van eenheid hoog te houden, zoals dat ook vandaag nog steeds belangrijk is. Paulus’ uitdrukking „past op” beklemtoont de noodzaak om waakzaam te zijn (Hebreeën 3:12, 13). De vroege Christenen kregen de waarschuwing die ook vandaag nog steeds op gaat om geen gebrek aan geloof en Bijbelstudie te hebben, zodat wij in ons hart niets verkeerds zouden kunnen ontwikkelen, en wij ons zouden kunnen terugtrekken van Godin plaats van hem te naderen (Jakobus 4:8).

Toen en nu komt het er op aan dat de leden van de gemeenschap elkaar durven vertrouwen, steunen maar ook durven vermanen. Wij hebben de warmte van broederlijke omgang nodig. „Wie zich afzondert, zal zijn eigen zelfzuchtige verlangen zoeken; tegen alle praktische wijsheid zal hij losbarsten” (Spreuken 18:1). De noodzaak van een dergelijke omgang beweegt Christenen in deze tijd ertoe geregeld gemeentevergaderingen, grotere bijeenkomsten en congressen te bezoeken.

Men moest belangstelling aan kweken voor „de breedte en lengte en hoogte en diepte” van de waarheid, en aldus tot rijpheid voort gaan. (Efeziërs 3:18, Hebreeën 6:1, 2 Timotheüs 4:7)

Sommige Joden en heidenen die naar het christendom waren over gestapt bleken in gebreke te blijven hun waarnemingsvermogen te vergroten. Zij waren traag geworden in het aanvaarden van het toegenomen licht met betrekking tot de Wet en de besnijdenis (Handelingen 15:27-29; Galaten 2:11-14; 6:12, 13). Sommigen hechtten misschien nog steeds grote waarde aan traditionele praktijken zoals de wekelijkse sabbat en de plechtige jaarlijkse Yom Kippur of Verzoendag. (Kolossenzen 2:16, 17; Hebreeën 9:1-14).

In de eerste eeuw had de apostel Paulus reeds Timotheüs gewaarschuwd dat „goddeloze mensen en bedriegers” de christelijke gemeente zouden binnensluipen en velen zouden misleiden (2 Timotheüs 3:13)[3]. Deze grote afval begon na de dood van de apostelen (Handelingen 20:29, 30).

Epicurus-PergamonMuseum

Buste van Epicurus, in het Pergamon Museum, Berlijn.

Sommige christenen onderhielden misschien nauwe banden met personen die onder invloed stonden van de Griekse filosofieën, met inbegrip van die van de epicuristen. De epicuristen waren volgelingen van de Griekse filosoof Epicurus, die van 341 tot 270 v. G.T. leefde. Hij onderwees dat genot het enige of hoogste goed in het leven was. Hij onderwees daarentegen dat genot het beste te bereiken is door zich in het leven met beleid, moed, zelfbeheersing en gerechtigheid te gedragen. Hij bepleitte niet het najagen van onmiddellijk en kortstondig genot, maar van genot dat het hele leven duurt. Hierdoor kunnen de epicuristen, vergeleken met mensen die grove zonde beoefenden, deugdzaam hebben geschenen.(Vergelijk Titus 1:12). De epicuristen betrachtten bijvoorbeeld matiging in hun najagen van genot. Zij hechtten meer waarde aan lustgevoelensvan de geest dan aan lichamelijk genot.

De apostolische Vaders, zoals zij werden genoemd, zoals Clement, Polycarp, Ignatius, en Barnabas, waren oorspronkelijk de directe aanhangers van geïnspireerde. Apostelen. Zij hadden naar hun instructies geluisterd, met hen in het evangelie gewerkt en waren waarschijnlijk informeel op de hoogte van hen. Maar niettegenstaande de hoge voorrechten die zij als volgelingen van de apostelen genoten, vertrokken zij zeer spoedig van de doctrines die aan hen, vooral in verband met kerkoverheid overgebracht waren geweest. Zij schijnen volledig de grote Nieuwe waarheid van het Testament van de aanwezigheid van de Heilige Geest in de bijeenroeping vergeten te hebben – oordelend naar de Epistels die hun namen dragen. Hun ijdelheid om te beweren dat het slechts aan een bepaalde elite gegeven is om het Woord van God te kunnen begrijpen en te verklaren negeert gewoon de Kracht van God in Zijn zending van de Heilige Geest over alle mensen die wensen God te naderen.

De nieuwe leraren van de kerk schijnen ook de mooie eenvoud van de goddelijke orde in de kerk vergeten te hebben. Er waren slechts twee orden van ambtsbekleders – oudsten en diakens. De ene benoemd voor tijdelijke, de andere voor de geestelijke behoefte van de bijeengebrachte heiligen. Ouder, of bisschop, betekent eenvoudig opzichter, wie een geestelijke oplettendheid op zich neemt. Hij kan geschikt geweest zijn om te onderwijzen, maar ook niet; hij was geen verordende leraar, maar een verordend toezichter. En zoals voor de instellingen van goddelijke benoeming, vinden wij in het Nieuwe Testament slechts, doopsel en het Avondmaal van de Heer of het “Breken van het Brood”. Niets zou, in verband met alle aangevingen eenvoudiger, duidelijker, of makkelijker te begrijpen kunnen zijn dan die voor geloof en praktijk worden gegeven, maar er was geen ruimte gelaten voor de verheffing en de glorie van de mens in de kerk van God. De Heilige Geest was neer gekomen om de leiding in de vereniging of bijeenkomst te nemen, volgens het Woord van de heer, en de belofte van de Vader; en geen enkele Christen, hoe begaafd ook, dit gelovend, kon de plaats van leider nemen, en zo praktisch de Heilige Geest verplaatsen. Maar van het ogenblik dat deze waarheid uit het oog was verloren, begonnen de mensen voor plaats en macht te vechten, en natuurlijk had de Heilige Geest Zijn juiste plaats niet meer in de gemeente of congregatie.

Nauwelijks was de stem van inspiratie in de kerk stil geworden, of wij hoorden de stem van de nieuwe leraren die luid en ernstig voor de hoogste eer schreeuwden die aan de bisschop zou moeten worden betaald, en een opperste plaats die aan hem hoorde te worden gegeven. Niet een woord over de plaats van de Geest als soevereine heerser in de kerk van God. Dit is duidelijk van de Brieven of epistels van de bovengenoemde Ignatius, geschreven in 107 G.T.. Wij zijn bewust dat vele grote namen, hun authenticiteit hebben bevraagd; en dat vele grote namen naar genoegen vochten om hun echtheid bewezen te zien. Het echte geestelijk ambt is van de Heer en alleen van Hem. Dit is van wat wij zouden moeten opmerken in het licht van wat er plaats greep op de eigenlijke drempel van christendom. Enkel Christus is het ware Hoofd van de kerk. Het is een ernstig en plechtig ding voor om het even wie om zich in de eisen van Christus op de dienst van Zijn bediende te mengen. Dit te raken is de verantwoordelijkheid terzijde leggen aan Christus, en het fundamentele principe van Christelijke bediening omverwerpen.

St James' church - rood screen - geograph.org.uk - 868346

Vroegere geestelijken: Gregorius, Ambrosius, Jeromius en Augustinus - 15° eeuwse rood screen panels St James' church - Foto Evelyn Simak

Priesterschap was het onderscheidende kenmerk van de Joodse dispensatie; bediening, volgens God, is kenmerkend voor de Christelijke periode. Vandaar de uiterste mislukking van de bewerende kerk, toen het tot doel had om Judaïsme op zo vele manieren, zowel in zijn priesterschap als zijn ritualisme te imiteren. Als een priesterlijke orde, met riten en ceremonies, nog noodzakelijk is, wordt de doeltreffendheid van het werk van Christus in vraag gesteld. In feite, doch niet in woorden, slaat het bij de wortel van christendom. Maar alles wordt geregeld door het woord van God. [4]  „Maar deze mens, nadat hij één enkel offer voor zonden had aangeboden, voor altijd is gaan zitten bij de rechterhand van God; nog slechts wachtend op het ogenblik dat zijn vijanden worden gemaakt tot een voetbank voor zijn voeten. Want door een offer heeft Hij voor altijd hen die zich laten heiligen tot volmaaktheid gebracht. Dit getuigt ons ook de heilige geest. Waar de zonden vergeven en vergeten zijn, is geen zoenoffermeer nodig. We hebben nu ‘die grote priester die over het huis van God is aangesteld.’” (zie Heb. 10: 1-25)

Het geestelijk ambt is dus een onderwerp van de hoogste waardigheid en van het hoogste belang. Het getuigt aan het werk, de overwinning, en de glorie van Jezus, dat verlorenen kunnen worden gered. Het is de activiteit van de uitgaande liefde van de God aan een vreemde en geruïneerde wereld, en aan ernstig smekende zielen om met hem te worden verzoend. [5]  „God was in Christus, de wereld verzoenend in overeenstemming brengend tot zichzelf. Hij telde de fouten van de mensen niet en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee. Zo zijn wij dan gezanten van Christus alsof God u door ons zou oproepen. (2 Korinthiërs 5:19-21)

Helaas vond de kerk spoedig dat om bediening te belemmeren, zoals het vóór ons in het woord van God wordt geplaatst, en een nieuwe orde van dingen te introduceren, dit geen belemmering gaf om afdelingen, afwijkingen en dwaalleren, en valse leraren deed ontstaan. Van die tijd – het begin van de tweede eeuw, en er vóór – werd de kerk zeer gestoord door dwaalleren; en aangezien de tijd verderging, groeiden de dingen nooit beter, maar altijd slechter. [6]


[1] “ Zorgt ervoor, broeders, dat onder u niemand zo’n slechte en trouweloze gezindheid heeft, die leidt tot afval van de levende God.  Spreekt elkaar moed in, elke dag, zolang dat ‘heden’ duurt, zodat niemand zich door de zonde tot zulk een halsstarrigheid laat verleiden.” (Hebreeën 3:12-13 WV78)

[2] “ Toch zijn er onder het volk ook valse profeten geweest. En zo zullen er onder u valse leraars komen, die heimelijk verderfelijke ketterijen invoeren. Zij zullen zich niet ontzien tot hun eigen schielijke ondergang de Heerser te verloochenen die hen heeft vrijgekocht.” (2 Petrus 2:1 WV78)

“ In hun hebzucht zullen zij u met verzonnen verhalen geld uit de zak kloppen. Maar hun vonnis is al lang geveld, hun ondergang zal niet op zich laten wachten.” (2 Petrus 2:3 WV78)

[3] “ Trouwens, allen die godvruchtig willen leven in de Messias Christus Jezus Yashua, zullen lijden onder vervolging, terwijl mensen met het kwaad in zich, deugnieten, charlatans en verleiders van kwaad tot erger zullen komen, anderen misleidend en zichzelf.” (2 Timotheüs 3:12-13)

[4] Miller’s Church History

[5] Miller’s Church History

[6] Miller’s Church History

+

Engelse versie: Please do find an English version in: Minimizing the power of God’s Force the Holy Spirit

++

Aansluitende artikelen:

  1. De Bijbel onze Gids #1 Fundament in de Schrift
  2. Judaisme & Katholicisme Universele ‘kerken’
  3. Over de stelling van Luther en de Heilige Geest: 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #2:6-1395 stellingen Wittenberg Maarten Luther #3:14-2595 stellingen Wittenberg Maarten Luther #6:42-5295 stellingen Wittenberg Maarten Luther #8:64-75 +   95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #9:76-7995 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #1 God de Vader95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #3 Betreft Jezus C95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #10: 80-85 + 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #1 God de Vader + 95 stellingen Wittenberg Maarten Luther #12 Om te herinneren #2 De Geest
  4. Over de Godheid Hashem השם, Hebreeuws voor “de Naam” + God of een god + God is geen mens + God versus goden
  5. Over de positie van Jezus Christus en zijn goddelijkheid: Bedenkingen Verwarring tussen Jezus en God + Wie zijt Gij, Here?Niet goddelijkheid van Christus toch + Met wie kan je hem vergelijken + Hoe kijken trinitariërs op tegen het gelijk christus worden + Jezus van Nazareth #5 Zijn Unieke persoonlijkheid + Hij die zit aan de Rechterhand van Zijn Vader
  6. Doctrine van de Drievuldigheid
  7. Heidense invloeden op het trinitarisme
  8. Calvijn worstelde ook met de drie-eenheidsleer
  9. Christenen
  10. In elkaar zijn
  11. De Bijbel onze Gids #9God, Jezus Christus en de Heilige Geest
  12. De Bijbel onze Gids #13 Het Christelijk Leven
  13. Joodse interpretatie van Zoon van God
  14. Hij heeft de Pneuma, de Kracht van Hem gegeven
  15. Christus verwekt door de Kracht van de Heilige Geest
  16. De uitstraling van God en zijn pleitbezorger
  17. Verlichting door Gods Geest
  18. Bedenkingen Denominaties
  19. Doctrine, gedrag, oorzaak en gevolg
  20. Bedenkingen Leegloop der kerken
  21. Kerkgroei en samengaan
  22. Openbare Samenkomsten
  23. Volharden in het Avondmaal regelmatig vieren
  24. Breken van het brood
  25. Eucharistie
  26. Communie en dag des Heren
  27. On-Bijbelse instituut van de kerk
  28. Intenties van de ecclesia
  29. Een samenkomst of meeting
  30. Maken van een kerk
  31. Al of niet toegeven aan de wereld
  32. Wedergeboorte en lidmaatschap tot een kerk
  33. Parochie
  34. Keerpunt in de Kerk
  35. De voordelen van een kleine gemeenschap of een huiskerk
  36. Zichtbaar houden van oudste kerken
  37. Het niet goed gaan in de Kerk
  38. Kerk geen afhaal Chinees
  39. Een kerk verlaten om lid te worden van een ander
  40. Helft Amerikanen verandert wel van geloofstraditie
  41. Ontkerkten terug naar de Kerk brengen
  42. Tijdperk van het christendom voorbij volgens Mike Love
  43. Dementia in de Kerk
  44. Vlaamse kerk met uitsterven bedreigd
  45. Waarom kerken soms doodgaan
  46. Christenen in België
  47. Voorgangers Engeland debet aan secularisatie
  48. De Kerk als realiteitsspel
  49. Focussen op Christus
  50. Verenigen
  51. Kerk dak boven evangelie
  52. Waarom lopen kerken leeg?
  53. Verlangen naar vernieuwing in de kerk
  54. Christen worden iets anders dan lid worden van een kerk.
  55. 1Korinthiërs 3:6-7 God die Wasdom geeft #2 Paulus en andere dienaars.

+

Engelstalige artikelen: English realted articles:

Please do find more on Judaism and Christianity:

  1. Seeing the world through the lens of his own experience
  2. Judaism & Catholicism Universal ‘churches’

+

Please do find articles on Jesus as the Cornerstone of the community:

  1. Video: Who was Jesus?
  2. Who is Jesus #2 Jesus Christ, man who died
  3. Who is Jesus #4 Clear statements that our heavenly Father is his “God”
  4. Who is Jesus #6 Jesus prays to God
  5. Who is Jesus #8 Father greater than Jesus
  6. Who is Jesus #9 100% or not
  7. Who is Jesus #12 Conclusion
  8. Da Vinci Code: Was Jesus Human or Divine?
  9. Jesus son of God
  10. Christian thought: acknowledge that Jesus is the Son of God
  11. Jesus Christ the same yesterday, today and forever
  12. Christ begotten through the power of the Holy Spirit
  13. The Victor
  14. How is it that Christ pleased God so perfectly?
  15. The builder of the Kingdom
  16. Can we not do what Jesus did?
  17. The increasing rejection of the teaching of Christ
  18. For those who have not the rudiments of an historical sense

+

Other articles of interest:

  1. How did the Trinity Doctrine Develop
  2. Historical Development of Trinity
  3. How the Doctrine of the Trinity came to the Church
  4. Trinity function
  5. Trinity versus Tritheism
  6. Why the trinity was accepted in Europe
  7. The Pagan Influence of The catholic church ……The Pagan Trinity, and Saint B
  8. Summary on trinity
  9. Holy Sabbath
  10. A man with an outstanding personality
  11. Misleading Pictures
  12. A small company of Jesus’ footstep follower
  13. Quit griping about your church
  14. Rebirth and belonging to a church
  15. An ecclesia in your neighborhood
  16. Making church
  17. Parish, local church community – Parochie, plaatselijke kerkgemeenschap
  18. Intentions of an Ecclesia
  19. He has given us the Pneuma, the force, from Him
  20. The radiance of God’s glory and the counsellor
  21. Millions of Christians leaving conventional churches to meet in homes
  22. Working for God
  23. Efeziërs 2:21-22 Church no longer holds a central place in many Christian lives
  24. Prefering to be a Christian

Eerste Eeuw van het Christendom

Geschiedenis van het Christendom

1. De vroege dagen van het Christendom

1.1. Eerste Eeuw van het Christendom

Toen Jezus (Yeshua) op deze Wereld rond liep sprak hij over het Woord van God dat gegeven werd  aan de mensen door het geschrift in de Heilige Boeken. Tijdens zijn gehele dodelijk leven ter wereld, met inbegrip van de twee of drie jaar van zijn actief ministerie, leefde Christus als godsvruchtige Jood, zelf waarnemend, en aandringend op zijn aanhangers om ook de bevelen van de Wet waar te nemen (Mattheüs 23:3). Het algemene van het zijn onderwijs, zoals dat van zijn voorloper, was de benadering van het „Koninkrijk van God“,niet alleen betekenende dat de regel van oprechtheid in het individuele hart ligt (het „koninkrijk van God is binnen u“ – Lukas 17:21), maar ook in de Kerk (zoals duidelijk uit vele van de gelijkenissen) welke hij zou oprichten.[1]

Jarenlang hadden vele mensen die boekrollen bestudeerd. Jezus zijn discipelen, de apostelen schreven een verslag over het leven van Jezus en over de dingen die zij deden om Jezus bekend te maken in de wereld. Hun brieven werden gelezen door velen en heel wat aanhangers van Christus, die als beweging als de Israëlitische sektede Weg” bekend stond, bestudeerden die geschriften van deze apostels. Voor hen was de gehele geschiedenis van de Joden zoals die in het Oude Testament gedetailleerd wordt iets dat zij met volgende generaties moesten delen. Wanneer dit gelezen werd in het licht van andere gebeurtenissen moest het voor hen duidelijk een geleidelijke voorbereiding voor het prediken van Christendom zijn. De nieuwe godsdienst die in bestaan kwam na de dood van Jezus en na de dag van Pinksteren, in 29 G.T., werd eerst geheel beperkt tot de synagoge, en hun leden hadden nog een groot aandeel van Joodse exclusiviteit; de Wet lezend, besnijdenis uitoefenend, en aanbidding in de Tempel, evenals in de Opperkamer in Jeruzalem.

Lange tijd beschouwde het Christendom zich als deel van het Judaïsme. Apostelen waren als Jezus Joden en beschouwden zich nog als Joden. De aanhangers van Christus en degenen die studenten van het onderwijs van Jezus de Nazareen werden en gedoopt werden overwogen om deelgenoten te worden van één of andere communiën, van het lichaam van Christus. Zij hadden hun centrum in Jeruzalem[2] de stad die God aan Zijn mensen had beloofd.

In de eerste eeuw waren de discipelen betrekkelijk gering in aantal. Hun Leider, Jezus, was als een vermeende oproerling terechtgesteld. Aanvankelijk werden die aanhangers van de Jood Jezus nog aanschouwd als deel van de joodse religie die vast in het zadel zat en in Jeruzalem haar luisterrijke tempel had waar zij ook terecht konden.

Rabbijn Jezus leest voor uit de Thora

De eerste christelijke gemeente in de wereldgeschiedenis bestond uit natuurlijke joden en proselieten en werd in 33 G.T. in Jeruzalem opgericht. Met Pinksteren 33 G.T. bevonden zich in Jeruzalem ook joden uit Kappadocië en uit Pontus (Handelingen van de Apostelen2:9). Het kan zijn dat enkele van deze joden uit Pontus die Petrus’ toespraak hoorden, christenen werden en naar hun eigen gebied terugkeerden. Waarschijnlijk verbreidde het christendom zich tengevolge van de aanwezige Kappadociërs al vroeg naar Kappadocië, en werd Petrus zijn eerste brief aan hen en aan „de tijdelijke inwoners die verstrooid zijn in Pontus” en in andere streken van Klein-Azië gericht.(1Petrus 1:1).

In de eerste eeuw bestonden er overal in de omliggende heidense natiën joodse gemeenschappen. Die gemeenschappen hadden synagogen waar mensen geregeld bijeenkwamen om de Schrift te horen voorlezen en bespreken. Aldus waren vroege christenen in staat om voort te bouwen op de religieuze kennis die mensen reeds bezaten (Handelingen 8:28-36; 17:1, 2).

Geleidelijk aan verspreide het Goede Nieuws van het Koninkrijk van God zich en kwamen de volgelingen van Jezus Christus onder goddelijke leiding als christenen bekend te staan. Deze term werd voor het eerst in Syrisch Antiochië gebezigd, van waaruit Barnabas en Paulus, vergezeld van Johannes Markus, aan hun eerste zendingsreis begonnen. (Handelingen 11:26).

Ware christenen deden hun uiterste best om dit goede nieuws, dat een begrip omtrent het heilige geheim bevatte, in „heel de schepping die onder de hemel is” te prediken (1Korinthiërs 2:1; Efeziërs 6:19; Kolossenzen 1:23; 4:3, 4). De apostelen en de andere eerste christenen hebben in dit opzicht een duidelijk voorbeeld gegeven. In Handelingen 5:42 lezen wij over hun activiteit: „Zij bleven zonder ophouden elke dag in de tempel en van huis tot huis onderwijzen en het goede nieuws bekendmaken.”

Het boek over de Handelingen van de Apostelen laat zien dat saamhorigheid voor de eerste christenen een belangrijk deel van hun aanbidding vormde. Wij lezen daar: „En dag aan dag waren zij eensgezind voortdurend in de tempel aanwezig en braken eensgezind het brood van huis tot huis, hun vlees etend met eenheid van hart. En zij loofden God en stonden bij het gehele volk in de gunst, diegenen die gered waren hun vlees etende met vreugde en eensgezindheid van hart” (Handelingen 2:46, 47).

Ook de apostel Paulus vroeg aan de gelovigen eensgezind vast te houden aan het geloof. „Laten wij zonder wankelen vasthouden aan de openbare bekendmaking van onze hoop, want hij die beloofd heeft, is getrouw” (Hebreeën 10:23). Voor hem en de andere apostelen was het duidelijk dat deze openbare bekendmaking zich niet beperkte tot uitingen tijdens bijeenkomsten van de gemeente (Psalm 40:9, 10). Een profetisch gebod om buiten de gemeente, tot de natiën, te prediken, kan gevonden worden in de woorden van Psalm 96:2, 3, 7, 10: „Vertelt van dag tot dag het goede nieuws van de redding door hem. Maakt onder de natiën zijn heerlijkheid bekend, onder alle volken zijn wonderwerken. Geef aan Jahweh/Jehovah glorie en sterkte. Gij geslachten der volken, families van gemeenschappen, brengt Jahweh/Jehovah, glorie en lof. Brengt Adonai Jehovah de glorie welke Zijn Naam toekomt, breng een offer en treed zijn voorhoven binnen. Verkondigt het onder de volken: ’Jehovah zelf is koning geworden.’” En inderdaad gaf Jezus in Mattheüs 28:19, 20 en Handelingen 1:8 Christenen het gebod tot alle natiën te prediken.

Op deze openbare prediking doelt Paulus in zijn verdere woorden tot de gezalfde Hebreeuwse Christenen: „Laten wij door bemiddeling van hem God altijd een slachtoffer van lof brengen, namelijk de vrucht der lippen die zijn naam in het openbaar bekendmaken” (Hebreeën 13:15). Het boek Openbaring laat ons zien dat ook de „grote schare” die uit alle natiën is bijeengebracht, uit personen bestaat die met een luide stem uitroepen: „Redding hebben wij te danken aan onze God, die op de troon is gezeten, en aan het Lam” (Openbaring 7:9, 10).

Christus had met zijn discipelen vaak vergaderd om hun geestelijk onderricht te geven, en na zijn dood zetten zijn leerlingen deze traditie voort. Zijn volgelingen kwamen bijeen, zoals op de pinksterdag in 33 G.T., toen de heilige geest werd uitgestort op degenen die aldus bijeenwaren. (Handelingen der Apostelen 2:1-4). De eerste Christenen hielden er aan zich, meestal in kleine groepen, te verzamelen en regelmatig ofwel in elkaars huis of in de synagoge samen te komen om het Woord van God te bestuderen. Het was voor de eerste joodse christenen niet moeilijk ordelijke, leerzame Bijbelstudiebijeenkomsten te houden, want het grondpatroon hadden zij in de synagogen waarmee zij vertrouwd waren. De fundamentele kenmerken van de in de synagoge geleide diensten werden door de christenen overgenomen voor hun samenkomsten, waar men de Schriften voorlas en uitlegde, elkaar aanmoedigde, bad en God loofde. (1 Korintiërs 14:26-33, 40; Kolossenzen 4:16). Soms was „een aanzienlijke schare” op hun bijeenkomsten aanwezig (Handelingen 11:26).

Zoals in de joodse synagoge was er in de christelijke gemeente ook geen afzonderlijk priesterschap noch een geestelijke die vrijwel alleen aan het woord was. In de synagoge stond het iedere vrome jood vrij een aandeel aan het voorlezen en uitleggen te hebben. Zo ook in de christelijke gemeente werd er verwacht van iedereen dat deze zijn steentje bijdroeg en moesten allen een openbare bekendmaking doen en elkaar tot liefde en voortreffelijke werken aansporen, maar dit moest op ordelijke wijze geschieden (Hebreeën 10:23-25). In de joodse synagoge onderwezen de vrouwen niet en oefenden zij geen autoriteit over mannen uit; op de christelijke vergadering deden zij dat evenmin. Eén Korintiërs hoofdstuk 14 bevat instructies voor de bijeenkomsten van de christelijke gemeente, en er blijkt duidelijk zeer veel overeenkomst te zijn met de gang van zaken in de synagoge. (1 Korintiërs 14:31-35; 1Timotheus 2:11, 12).

Evenals er in de vroege Kerk op het gebied van de verantwoordelijkheid om het evangelie op alle mogelijke manieren te verbreiden, geen onderscheid bestond tussen volle-tijdbedienaren en leken, was er in dit opzicht ook geen onderscheid tussen de seksen. Het stond onomstotelijk vast dat elke Christen was geroepen om een getuige van Christus te zijn, niet alleen door middel van zijn levenswijze, maar ook met zijn lippen. Iedereen moest een apologeet of verdediger van het geloof zijn, op zijn minst in die mate dat hij bereid was een goede uiteenzetting te geven van de hoop die hij bezat. En dit gold zeer nadrukkelijk ook voor vrouwen. Zij hadden een heel groot aandeel aan de bevordering van het christendom.

Verslagen van de vroege kerk vormen het bewijs dat zij de evangelieprediking niet alleen ernstig maar ook letterlijk opvatten. Zelfs de eenvoudigste leden waren boodschappers die de waarheid verbreidden.

De geschiedenis toont aan hoe de eerste christenen, ofschoon zij eerbiedige, ordelievende burgers waren, vastbesloten waren „geen deel van de wereld” te zijn maar toch door te zetten in hun predikingwerk, ook al bracht dit hevige vervolging over hen.

Het christendom groeide van binnenuit op een natuurlijke wijze door de sereniteit van toegewijde aanhangers van Jezus Christus. Het trok mensen aan door haar eigenlijke aanwezigheid en door de rust en vrede welke die Jezus’ volgelingen uitstraalden. Terwijl er geen professionele missionarissen waren die hun geheel leven wijden aan dit specifieke werk, was elke congregatie een missionaire maatschappij, en elke Christelijke gelovige missionaris, ontstoken door de liefde van Christus om zijn medemensen te bekeren. Het voorbeeld werd geplaatst door Jeruzalem en Antiochië, en door die broeders die, na het martelaarschap van Stefanus, „in het buitenland verspreid waren en over gingen tot het prediken van het Woord.“ (Handelingen 8:4; 11:19). Volders, en arbeiders in wol en leer, rustige en onwetende personen, waren de meest ijverige verbreiders van het Christendom, en brachten het eerst tot vrouwen en kinderen. [3] De vrouwen en de slaven introduceerden het in de huiskring. Het was de glorie van het evangelie dat aan de armen en door de armen werd gepredikt om hen rijk te maken. Origenus deelt ons mee dat de stadskerken hun missionarissen naar de dorpen stuurden. Elke Christen vertelde zijn buur, arbeider aan zijn medewerker, de slaaf aan zijn medeslaaf, de bediende aan zijn meester en bazin.

Het evangelie werd voornamelijk verspreid door de wijze van leven, het prediken en door persoonlijke betrekkingen; in belangrijke mate ook door Heilige Schrift, welke reeds vroeg werd verspreid en vertaald in diverse ‘tongen’, het Latijn (Noord Afrika en Italië), Syrisch (Curetoniaans en Peshito), en het Egyptisch (in drie dialecten, Memphitisch, Thebaisch, en Bashmurisch). De communicatie onder de verschillende delen van het Romeinse imperium van Damascus tot Groot-Brittannië was betrekkelijk gemakkelijk en veilig. De wegen die voor handel en voor de Romeinse legioenen gebouwd werden, dienden ook voor de boodschappers van vrede en de stille veroveringen van de Christenheid. De handel zelf op dat ogenblik, evenals nu, was een krachtig agentschap in het uitdragen van het evangelie en het verspreiden van de zaden van Christelijke beschaving tot in de verste delen van het Romeinse Rijk.

Hoewel verschillende caesars als tirannen regeerden, maakten de wetten in de eerste eeuw het gewoonlijk mogelijk ’het goede nieuws te verdedigen en wettelijk te bevestigen’. (Filippenzen 1:7).


[1] Origin of Christianity and its relation with other religions, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[2] Irenæus, “Adversus Hæreses, i. 26

[3] Celsus

+++

Gerelateerde artikels
  • In het begin van de geloofsgemeenschap gaven de volgelingen van Jezus zichzelf de naam van Nazarener-Netzerim-Natzraya. De talmoed verwijst enkele keren naar hen. dat zij als sekte aanschouwd werden valt op te maken aan het Twelth gebed dat door Gamiliel II was toegevoegd aan de Amidahn tegen de Sectairen, de Sekte van de Nazareners-Netzerim-Natzraya. In de talmoed zijn de vroege Messiaanse gelovigen Saduceeën genaamd en soms Essenen of zelfs Netzerim-Natzraya. Rashi maakte er werk van om de titel Netzerim-Natzraya te herstellen daar waar deze was verwijderd, volgens  What Were The Early Believers Called: HaDerech (The Way), The Natzari Sect, Netzerim-Natzraya, Jessaeans, Essene’s, Saducee’s, Christians or Nasaraeans? What Is There Place In Middle Judiasm? (paradoxparables.wordpress.com) waar men ook geschriften aanhaalt waar men meld dat de Nazareners essentieel niet verschilden van de Orthodoxe Joden, aangezien zij de gewoonten, gebruiken en doctrine beoefenden die door de Joodse Wet werden voorgeschreven; behalve dat zij in Christus geloofden. (Epiphanius, “Tegen Ketterijen,” Panarion 29 7 pp 41, 402)
    Zij geloofden in de herrijzenis van de doden en dat het heelal door God werd gecreëerd. Zij predikten dat God één is en dat Jezus Christus zijn zoon was. Zij waren geschoold in de Hebreeuws taal en lazen de Wet (die de Wet van Mozes of Mozaïsche Wet betekent). Vreemd genoeg wordt er dan een onderscheid gemaakt tussen ander Christus volgelingen of Christenen die zich niet hielden aan de Joodse riten, waarmee eigenlijk bedoeld werd op de nieuwe Christenen of gedoopte heidenen. “Daarom verschillen zij…van de ware christenen omdat zij tot nu [zo] Joodse riten als de besnijdenis volbrengen, sabbat en anderen”. (Epiphanius, “Tegen Ketterijen,” Panarion 29 7 pp 41, 402)
  • Ook Earliest (pre-Christian) Nazarenes: Pliny the Elder’s evidence en Earliest Nazarenes: Evidence of Epiphanius gaan in op de benaming van de volgelingen van de Jood Jezus Christus uit Nazareth welke daarom ook wel de Nazareners of Nazoreans (“Panarion 29″ by Epiphanius) werden genoemd. Maar zij werden voor een korte tijd eveneens aangeduid met de benaming “Jessaeans” voor zij in Antiochië als Christenen werden vernoemd. Ook vandaag vinden wij nog de niet-trinitarische Christelijke denominatie ‘Vrienden van de Nazareen’ of “Nazarene Friends”

    “While treating the name of the sect, we may deal here with a short notice by Pliny the Elder which has caused some confusion among scholars. In his Historia Naturalis, Book V, he says: We must now speak of the interior of Syria. Cœle Syria has the town of Apamea, divided by the river Marsyas from the Tetrarchy of the Nazerini; Bambyx, the other name of which is Hierapolis, but by the Syrians called Mabog. This was written before 77 A.D., when the work was dedicated to Titus. The similarity of the name with the Nazerini has led many to conclude, erroneously, that this is an early (perhaps the earliest) witness to Christians  (or Nazarenes) by a pagan writer. Other than this, be it noted, there is no pagan notice of Nazarenes.”
    “… Can Pliny’s Nazerini be early Christians? The answer depends very much on the identification of his sources, and on this basis the answer must be an unequivocal No. It is generally acknowledged that Pliny drew heavily on official records and most likely on those drawn up by Marcus Agrippa (d. 12 B.C.). Jones has shown that this survey was accomplished between 30 and 20 B.C. Any connection between the Nazerini and the Nazarini must, therefore, be ruled out, and we must not attempt to line this up with Epiphanius’ Nazoraioi. One may, however, be allowed to see the Nazerini as the ancestors of today’s Nusairi, the inhabitants of the ethnic region captured some seven centuries later by the Moslems. …” (Neil Godfrey)
    “… everyone called the Christians Nazoraeans, as they say in accusing the apostle Paul, “We have found this man a pestilent fellow and a perverter of the people, a ring-leader of the sect of the Nazoraeans.”  And the holy apostle did not disclaim the name – not to profess the Nazoraean sect, but he was glad to own the name his adversaries’ malice had applied to him for Christ’s sake. For he says in court, “They neither found me in the temple disputing with any man, neither raising up the people, nor have I done any of those things whereof they accuse me. But this I confess unto thee, that after the way which they call heresy, so worship I, believing all things in the Law and the prophets .””

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. #9 Controverse betreft doop

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

Afstandelijken, donatisten en arianen.

Doopsel.

In de periode van de joodse diaspora na de Babylonische ballingschap (586-538 v. Chr.) kwam het meer voor dat heidenen over wensten te gaan naar het jodendom. Om Jodengenoot of proseliet te worden was een reinigingsbad noodzakelijk: de zogenaamde proselietendoop. Heidenen die naar de synagoge kwamen werden in geval van bekering door de rabbi’s nauwkeurig onderzocht op hun motieven, waarna men door besnijdenis én doop (en zo mogelijk een offer) tot het joodse geloofoverging.

Johannes de Doper

Voor Jezus’ tijd doopte zijn neef Johannes de Doper volwassen mensen in de rivier de Jordaan in de provincie Judea in Palestina. De profeet zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth riep de Joden op deugdzaam te leven. De mensen moesten tegenover elkaar gerechtigheid betrachten, en eerbied tegenover God. Pas als zij die dingen konden doen konden zij klaar zijn om gedoopt te worden. Het volledig onderdompelen in het water moest dan een teken van witwassing zijn tegenover God en de mensheid. Enkel en alleen als men voldeed aan die vooropgestelde voorwaarden en men zich volledig aan God wilde geven kon men over gaan tot een doop die welgevallig zou zijn in de ogen van God. De doop diende niet tot vrijstelling van zonden, maar was een manier om het lichaam ritueel te reinigen nadat ze daaraan voorafgaande hun ziel al gereinigd hadden door te leven in gerechtigheid.Duidelijk ging het hier niet om kinderen of om mensen die niet goed bij hun zinnen waren. Volledig besef was nodig om een keuze te maken. Trouwens werd ook het zondigen aanschouwd als een tegen God verkeerd gaan of handelen tegen de Wil van God. Een kind zonder voldoende besef en zonder kennis van de Wil van God of de Mozaïsche Wetten kon hier dan ook niet tegen zondigen.

Ook Jezus, die zichzelf op dertigjarige leeftijd liet dopen, gaf opdracht aan zijn apostelen om de wijde wereld in te gaan, Gods Naam  en het Goede Nieuws van het Koninkrijk van God te verkondigen, en dan over te gaan tot het dopen van diegenen die het evangelie wilden geloven. Zo gingen de apostelen over tot de voortzetting van het dopen van volwassen mensen waarbij meestal gebruik werd gemaakt van de voorhanden zijnde wateren, de rivieren en meren of binnenzeeën.

Toen de eerste eeuw van onze Gewone Tijdrekening naar zijn einde ging waren er al afwijkingen van de leer van Christus.  Het verlangen en neiging om christendom naar Judaïsme te enten vanwege de bekeerde Joden en het onvermogen van de Niet-joden om de fundamentele principes van christendom helemaal te begrijpen leidde tot corruptie in de kerk. Gewoon aan de idee dat buitenwaartse ceremonies en offers de vereisten van hun Opperste Heerser moesten voldoen, probeerden de Joden de leerstellingen van Christus en de apostels met de ideeën van hun voormalige eredienst te harmoniseren. Men had verscheidene Joodse leerstellingen die ook reeds afgedwaald waren van het geloof van Abraham en waar men een substitutie van formalisme voor geestelijkheid had, toewijding naar de uiterlijke vorm van godsdienst die de plaats van levend geloof had ingenomen. Daarnaast was er de vermenging met de heidenen die ook hun eigen riten bleven liefhebben. Het is gemakkelijk begrepen hoe deze neigingen tot een corruptie van doctrine en gemeenschap leidden; hoe die de eenvoud van de Nieuwe Testamentkerkorganisatie, met zijn absoluut tekort van riten en ceremonies, de vraag van ritualisten en formalisten in de kerken niet tegemoet kon komen.

Verscheidene heidense volkeren voerden bij de geboorte van een kind rituelen uit om de boze geesten op afstand te houden of om het kind een gezonde toekomst te bezorgen. Zo werden kinderen met kruidenwater besprenkelt in de gedachte dat de boze geesten hen dan niet mee zouden voeren naar het slechte godenrijk of de onderwereld. Andere heidense groepen wasten de babies in kruidenwater met de bedoeling dat de kinderen de sappen en krachten van de kruiden in zich zouden opnemen en om hun lichaam te sterken en voor te bereiden op het zware dagelijkse leven.

Na de eerste eeuw waren er zogenaamde ‘christelijke priesters’ die de onderdompeling van volwassenen niet zo spectaculair vonden als de rituele handelingen van hun heidense collegae die meer aanhang hadden. In plaats van het kruidenwater creëerden zij het ‘heilig water’. In de beginjaren was het eerst enkel heilig water om te dopen maar dan werd het wijwater ook gebruikt om allerlei riten uitte voeren, zoals kruistekens maken, bezweringen en genezingen te doen. Het wijwater werd aanschouwd als één van de sacramentalia welke verder in de canones 1166 tot en met 1172 van het Wetboek van Canoniek Recht van 1983 en artikels 1667 tot en met 1679 van de Catechismus van de Katholieke Kerk werden behandeld.

Mars, Mars pater, Marspiter, Maspiter, Mavors, Mamers, Marmar of Mamerd, zoon van Juno (de koningin der Goden) en een magische bloem (of Jupiter (vader der Goden) ws de meest vereerde god van het Romeinse Rijk. Waarschijnlijk omdat zijn zonen (Romulus en Remus) gezien worden als de stichters van Rome. Oorspronkelijk was hij de Romeinse god van de vruchtbaarheid en beschermer van het vee, maar smolt later samen met de Griekse god Ares en werd toen vooral geassocieerd met de strijd en werd ook de god van de dood en oorlog. Ter ere van hem werden tempels en badplaatsen opgericht.  Doorheen de geschiedenis ontstonden er driegoden systemen zoals bij de de Grieken, Kelten, Indo-Iraniërs, Baltische volkeren, Germanen en Slavische volkeren. Zo had men in het Romeinse Rijk de oud-Romeinse trias Jupiter-Mars-Quirinus en de Umbrische trias Jupiter-Mars-Vofionus. De Indo-Europese trias vertegenwoordigde de drie maatschappelijke lagen van de Indo-Europese maatschappij: heersende klasse (hemelgod, hier Jupiter), krijgersklasse (oorlogsgod die zich meestal op aarde manifesteert, hier Mars) en boerenklasse (vruchtbaarheidsgod die zich meestal onder de grond manifesteert, hier Quirinus). Deze indeling in een trias treft men aan in vele Indo-Europese culturen. De oude trias zou in de Etruskisch periode (eind 6e eeuw v.Chr. vervangen worden de Capitolijns-Etruskische trias Jupiter-Juno-Minerva (naar analogie met de Etruskische trias Tinia-Uni-Menrva).

Romeinse krijgers voor dat zij ten strijde gingen, wilden hun lichaam ook hiervoor eerst reinigen en de gunsten van de drie goden afsmeken. Zij gingen daarvoor dan ook naar die tempel om te baden en te bidden om zo hun god van oorlog met hen te hebben en vol kracht te zijn. Het besprenkelen van kinderen met heilig water zou de krachten van de goden van vruchtbaarheid, kracht en oorlog over hen brengen.
Ook bij de Joden en andere volkeren kon men in de oudheid reeds verscheidene vormen van ritueel wassen vinden, dus voor de volken in het Midden Oosten was het niets nieuws. In het Oude Testament waren bepaalde rituele wassingen voorgeschreven. Ze speelden vooral een rol in het kader van de dienst in de tabernakel en in de tempel. Als Jood kende Jezus deze handelingen zeer goed en wist hij de betekenis er van. Toen hij de apostelen uitzond om nu ook doopsels uit te voeren ging het niet over een ander ritueel dan bij het Joodse gebruik.

Onder de valse leermeesters in het Christendom was het een dankbaar element om over te nemen en zo toch populair te zijn omdat zij de kinderen van hun volgelingen ook die zekerheden van het leven konden aanbieden. Zij verkochten hun waar onder het mom dat als de kinderen niet door hen gedoopt zouden worden zij zouden branden in de hel, een doemplaats waar er voor eeuwig foltering zou zijn. Ongedoopte kinderen zouden nooit een kans krijgen om later met hun ouders verenigd te worden in het eeuwig leven. Mits een eeuwig leven hier op aarde te simpel leek en niet op kon tornen tegen de vele rijken van de afgoden, vond het beeld van zeven hemelen meer gading.

Firenze Battistero San Giovanni 1059-1128

De plaatsen waar de kinderen moesten gedoopt worden gaf men graag de vorm van de Mars tempels. Zo  dachten in de 15e eeuw de Florentijnen dat hun Baptisterium, dat vergelijkingen oproept met dat van het Pantheon in Rome, ooit een Romeinse tempel, gewijd aan de god Mars was geweest.

Achtvormige doopvont

De doopvont of kort Vont (Latijn fons voor bron) is een waterbekken, vaak achtkantig, verwijzend naar de achtste dag, duidend naar de nieuwe schepping, als de achtste dag waarop de besnijdenis van Jezus Christus plaatsvond, gemaakt van hout, (natuur)steen of (edel) metaal, ontworpen om de baby’s te dopen.

In de 3° & 4° eeuw kwam de controverse rond het doopsel meer op de voorgrond. Het neoplatonisme won meer veld en filosofische gedachten infiltreerden het christelijk geloof. De Ierse (of Britse) monnik Pelagius die nog aan nam dat de zondige mens in staat is de eerste en fundamentele stappen op de weg naar de verlossing te zetten, zonder de hulp van de goddelijke genade kwam in conflict met Augustinus. Volgens Pelagius heeft een mens, althans in theorie, nog steeds de mogelijkheid om zondeloos te blijven. Pasgeboren kinderen dragen de zonde niet in zich en zouden volgens Pelagius nog steeds de Adamitische toestand kunnen behouden indien tijdens hun opgroei zich voldoende zouden kunnen bewapenen of verzetten tegen inkomende verkeerde gedachten. Zoals Jezus als klein kind zuiver was, maar toch de mogelijkheid had om verkeerd te gaan, heeft deze wel getoond en bewezen dat wij mensen vrij zouden kunnen blijven van zonde indien onze geest sterk genoeg was.

Catharijneconvent - Doopvont

Image by Pachango via Flickr

In de 11° en 12° eeuw uitten de Petrobrusians, volgelingen van Peter van Bruys,  zich tegen de meer gangbaar geworden kinderdoop.

Peter van Bruys liet de leerstellige autoriteit van de Gospels in hun letterlijke interpretatie toe; de andere Nieuwe Testament geschriften beschouwde hij vermoedelijk waardeloos, zo van twijfelachtige apostolische oorsprong. Naar de Nieuwe Testamentepistels wees hij enkel een ondergeschikte plaats toe omdat zij niet van Jezus Christus zelf kwamen. Hij keurde de autoriteit van de Kerkvaders af. Zijn verachting voor de Kerk werd overgebracht naar de leken tot wie hij ook tot lichamelijk geweld tegen priesters en monniken opriep. In zijn lering werd doop beschouwd als een noodzakelijke voorwaarde voor redding, maar het was doop die door persoonlijk geloof werd voorafgegaan, zodat zijn toepassing naar zuigelingen, dat meer en meer in voege was gekomen, als  waardeloos werd beschouwd.

De doopvonten die in de speciale opgerichte gebouwen werden gevonden werden als verwerpelijk aanschouwd.
Zoals de Kerk niet in muren bestaat, maar in de gemeenschap van het trouwe volk, zouden kerkgebouwen moeten vernietigd worden, want Peter van Bruys liet de mensen weten dat zij naar God kunnen bidden in een schuur evenals in een kerk. Een gewone tafel kon overal dienst doen als de tafel waar rond de gelovigen vergaderden. Er moest niet een speciaal altaar voorzien zijn. Geen goede werken van de levenden kunnen tot het profijt van de doden komen. Kruisen, als het instrument van de dood van Christus, kunnen zeker geen verering verdienen; daarom waren zij voor de Petrobrusians voorwerpen van schending en werden zij in vreugdevuren vernietigd.

Bernardus van Clairvaux bekeert Willem van Aquitanië

Bernard van Clairvaux of Bernardus zou er verder voor zorgen dat er een omvorming van het sacramenteel rituele christendom van de Vroege Middeleeuwen naar een nieuw, meer persoonlijk beleefd geloof zou komen, met het leven van Christus als een rolmodel en met een nieuw accent op de Maagd Maria. In tegenstelling tot de rationele benadering om het goddelijke te begrijpen dat de scholastici voorstonden, predikte Bernard een onmiddellijk geloof, waarin de bemiddelaar de maagd Maria was. Volgelingen van hem en zijn leerling Henri van Lausanne werden bekend als de Henricianen zouden zich ook heftig tegen de kinderdoop verzetten zoals de Waldensen, Albigezen en Bohemiaanse Broeders.

Pierre Abelard

Later zou Pierre Abélard, gelatiniseerd Petrus Abaelardus (10791142) de middeleeuwse Franse theoloog en filosoof, die ook gerekend wordt tot de scholastici en een grote reputatie te Parijs had, de Drie-eenheidsleer en de doopgedachte nog verder ter discussie brengen. Zijn ideeën van niet-trinitarisme, riteloosheid en een geloof, waar begrip op de voorgrond trad, waren natuurlijk in tegenspraak met de oplegging van allerlei dogma‘s in de Kerk. Doordat er nog geen universiteiten waren en de opleidingsscholen onafhankelijk waren kon Abaelardus vrij zijn gedachten uitten. Maar het was  Bernard van Clairvaux die zich hevig tegen Abaelardus zou verzetten. Volgens Bernard zou de onafhankelijke lering leiden tot de verheerlijking van de menselijke rede en het rationalisme, vooral als men aannam dat een zonde alleen een zonde zou zijn als die uit vrije wil werd gepleegd en dus tegen het eigen geweten inging. Abaelardus wees daarmee als eerste op het belang van de intentie van een daad, een aspect dat een grote rol is gaan spelen in de latere middeleeuwse theologie over schuld en boete. De leer van Abaelardus was in strijd met de heersende kerkelijke ideeën. Pierre Abélard diens verhandeling over de Drie-eenheid werd in 1121 veroordeeld, omdat het teveel met behulp van de ratio de basisbeginselen van het christelijk geloof probeerde te benaderen. Abélard werd gedwongen zijn eigen boek tijdens een boekverbranding in het vuur te gooien. In 1139 bepleitte hij opnieuw denkbeelden die in tegenspraak waren met die van Rome. Bernard van Clairvaux, hiervan op de hoogte gesteld door William van St.-Thierry, sprak Abélard hier streng op aan. Toen deze hem vervolgens op beledigende wijze van repliek diende, kaartte Bernard deze zaak bij de paus aan, die vervolgens in 1141 in Sens een concilie belegde om deze zaak uit de wereld te helpen. Tijdens dit concilie vroeg Abélard om een openbaar debat met zijn tegenstander. Bernard bepleitte de zaak van Rome echter met een zo uitmuntende helderheid en met zulk een logische kracht, dat zijn opposant ervan afzag hem van repliek te dienen. Abélard werd veroordeeld en werd gedwongen zich uit het openbare leven terug te trekken. De paus bevestigde deze uitspraak van het concilie van Sens. Abélard legde zich hier zonder verzet bij neer. Hij vestigde zich onder abt Petrus Venerabilis als monnik in Cluny, waar hij twee jaar later stierf.
Diezelfde Bernard zou ook achter  Henri van Lausanne gaan, een voormalige Cluniacenzer monnik die de leer van de petrobrusianen ook had aangenomen en deze leer in een gewijzigde vorm na de dood van Peter van Bruys verder verspreid. Henri van Lausanne’s volgelingen werden bekend als de henricianen. In juni 1145 reisde Bernard op uitnodiging van kardinaal Alberic van Ostia door Zuid-Frankrijk waar hij met zijn preken, geholpen door zijn ascetische uiterlijk en eenvoudige kledij, deze  nieuwe geloofsgroeperingen tot de ondergang veroordeelde . Zowel de Henriciaanse als Petrobrusiaanse geloofsrichtingen begonnen reeds aan het einde van het jaar 1145 uit te sterven. Kort daarna werd Henri van Lausanne gearresteerd. Zijn zaak werd voor de bisschop van Toulouse gebracht en zeer waarschijnlijk werd Henri tot levenslang veroordeeld. In een brief aan de inwoners van Toulouse uit het einde van 1146, roept Bernard hen op de laatste overblijfselen van de ketterij van Henri te verdelgen. Hij predikte ook tegen de Katharen.

Ook bleven vele Christelijke broeders het goed en kwaad in de mens bekijken als iets van uit hem zelf. Het overgieten van water over het hoofd ging niets aan een zaligmaking of verdoemenis verhelpen. Volgens diegenen die het Woord van God goed bestudeerden kon men er duidelijk in vinden dat er geen geesten of goden waren die aanspraak konden maken op het leven van een kind of van een mens. Boze geesten konden het kind niet toeeigenen en God, die een God van liefde is, zou Zijn pasgeborenen geen onrecht laten aandoen door vreemde wezens die in de fantasieën van de mens bestonden.

De Albigensen verkregen hun naam aan de Zuid Franse stad Albi maar was hoofdzakelijk gebruikt voor de Katharen en navolgers van het Neo-Machineïsme.

***

Lees meer over Petrobrusians in de Katholieke Encyclopedie: The Catholic Encyclopedia. Vol. 11. New York: Robert Appleton Company, 1911. 31 May 2011.

Tag Cloud

The Eccentric Fundamentalist

Musings on theology, apologetics, practical Christianity and God's grace in salvation through Jesus Christ

John 20:21

"As the Father has sent me, so I am sending you."

The Biblical Review

Reviewing Publications, History, and Scripture

Words on the Word

Blog by Abram K-J

Bybelverskille

Hier bestudeer ons die redes vir die verskille in Bybelvertalings.

Michael Bradley - Time Traveler

The official website of Michael Bradley - Author of novels, short stories and poetry involving the past, future, and what may have been.

BIBLE Students DAILY

Be faithful unto death, and I will give you the crown of life. – Revelation 2:10

God's Simple Kindness

A place to share your daily blessings

takeaminutedotnet

All the Glory to God

Religieus Redeneren

Gedachten en berichten over hedendaags (on)geloof

Jesse A. Kelley

A topnotch WordPress.com site

JWUpdate

JW Current Apostate Status and Final Temple Judgment - Web Witnessing Record; The Bethel Apostasy is Prophecy

Sophia's Pockets

Wisdom Beyond Walls

ConquerorShots

Spiritual Shots to Fuel the Conqueror Lifestyle

Examining Watchtower Doctrine

Truth Behind the "Truth"

Theological NoteBook

Dabbling into Theology

sowers seed

be careful 'how you hear'

Next Comes Africa

If I take the wings of the morning, and dwell in the uttermost parts of the sea; Even there shall thy hand lead me, and thy right hand shall hold me - Psalm 139: 9,10

friarmusings

the musings of a Franciscan friar...

%d bloggers like this: