An other Christian WordPress.com site – Een andere Christelijke WordPress.com site

Posts tagged ‘Judas Iskariot’

Enkele kernpunten van het Christelijk geloof

In Mattheüs hoofdstuk 27 komen we één van de kernpunten van het Christelijk geloof tegen. Namelijk is de dood van Jezus een essentieel element in het geloofsgebeuren van een Christen. Het is namelijk een daad van overgave welke een zeer belangrijke rol speelt voor de mensheid.

De Nazareense Jood Jeshua, beter gekend onder de naam Jezus Christus, heeft zijn wil volledig opzij gezet om de wil van zijn hemelse Vader te doen. In het Christendom zijn er beweren dat Jezus God is. Er zijn er zelfs die beweren dat God geboren is. Anderen beweren dat God gestorven is, wat indruist in de Bijbelse verkondiging dat God geen begin en geen einde heeft. Zulke mensen vergeten dat God geen geboorte of begin heeft gehad. God is namelijk een eeuwig of oneindig bestaand Wezen. Zij die beweren dat Jezus God is krijgen in de evangeliën enkele teksten te lezen die hen zouden moeten aanzetten om eens ernstig na te denken over hun visie van de Heilige Drievuldigheid of Drie-Eenheid.

Mattheüs begint zijn evangelie met de geboorte van Christus Jezus, waarbij hij ook de stamboom van Jezus laat zien. Daarbij kunnen wij zijn afstammeling zien van gewone mensen, tot aan de door God voor het eerst geschapen mens. Hierbij moeten wij dan ook denken aan het Genesis verhaal waarin verteld wordt hoe die eerste mens in de fout gegaan is. De eerste Adam heeft zich, met zijn partner, tegen de Wil van God genoegen verschaft om te eten van de Boom van kennis of Boom van moraal. Die daad ging in tegen de Wil van God en dat verzet wordt aanzien als een zonde. God sprak daarom een straf uit over het eerste menselijk koppel. Voor zij uit de Tuin van Eden verbannen werden beloofde God hen echter dat er een oplossing zou komen voor de doodstraf voor hun verzetsdaad, die de dood over hen had gebracht.

In de Boeken van het Oude Testament wordt er meermaals verwezen naar “iemand” die zou komen om “verlossing” te brengen. Jezus’ discipel Mattheüs laat doorheen zijn evangelie woorden vallen die het duidelijk moeten maken dat zijn leermeester Jezus van Nazareth, die beloofde Messias is. Doorheen dit werk kan men zien welk een speciale persoonlijkheid Jezus is en welke bijzondere krachten hij blijkt te hebben. Maar Jezus geeft duidelijk te kennen dat die woorden en kracht die hij bezit niet van hem komen maar van zijn hemelse Vader. Trinitariërs ofwel zien dat niet in of wensen daar geen rekening mee te houden. De gospelschrijver Johannes geeft namelijk aan dat Jezus niet uit zichzelf sprak, maar dat hij woorden bracht die God hem had ingegeven.

“Jezus reageerde hierop met de volgende woorden:

‘Waarachtig, ik verzeker u: de Zoon kan niets uit zichzelf doen, hij kan alleen doen wat hij de Vader ziet doen; en wat de Vader doet, dat doet de Zoon op dezelfde manier.” (Joh 5:19 NBV)

“Ik kan niets doen uit mijzelf: ik oordeel naar wat ik hoor, en mijn oordeel is rechtvaardig omdat ik mij niet richt op wat ik zelf wil, maar op de wil van hem die mij gezonden heeft.” (Joh 5:30 NBV)

“want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat hij wil die mij gezonden heeft.” (Joh 6:38 NBV)

“‘Wanneer u de Mensenzoon hoog verheven hebt, ‘ging Jezus verder, ‘dan zult u weten dat ik het ben, en dat ik niets uit mijzelf doe, maar over deze dingen spreek zoals de Vader het mij geleerd heeft.” (Joh 8:28 NBV)

“Ik heb niet namens mezelf gesproken, maar de Vader die mij gezonden heeft, heeft me opgedragen wat ik moest zeggen en hoe ik moest spreken.” (Joh 12:49 NBV)

“Geloof je niet dat ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij.” (Joh 14:10 NBV)

Meermaals gaf Jezus aan dat hij niet hier op aarde was om zijn eigen wil te doen maar dat hij er zich had toegenomen om de Wil van God te doen. Zelfs tijdens één van de moeilijkste momenten in zijn leven verzocht hij zijn hemelse vader hem kracht te geven om toch verder Zijn Wil te doen.

“Hij liep nog een stukje verder, knielde toen en bad diep voorovergebogen: ‘Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals u het wilt.’” (Mt 26:39 NBV)

“Voor de tweede maal liep hij van hen weg en bad: ‘Vader, als het niet mogelijk is dat deze beker aan mij voorbijgaat zonder dat ik eruit drink, laat het dan gebeuren zoals u het wilt.’” (Mt 26:42 NBV)

“‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’” (Lu 22:42 NBV)

“want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat hij wil die mij gezonden heeft.” (Joh 6:38 NBV)

Het is duidelijk dat Jezus niet zichzelf verzocht, maar zijn God vroeg om zijn Wil door te voeren en de dingen te laten gebeuren zoals God het wenste dat het zou gebeuren.

Mattheüs vertelt ons hoe al de overpriesters en de oudsten van het volk het besluit tegen Jezus hadden genomen om hem te doden. (Mattheüs 27:1) Via Judas Iskariot waren zij te weten gekomen waar Jezus zich bevond, zodat zij er voor konden zorgen dat hij daar gevangen genomen werd. Het was daar in de Olijftuin waar ze Jezus aantroffen dat Jezus tot God had gebeden. Het is niet zoals Trinitariërs denken dat Jezus God is en dan tot zichzelf zou bidden. Jezus in zijn leven had meerdere keren duidelijk gemaakt dat wij niet hem moesten aanbidden maar zijn Vader tot wie hij ook bad:

“Bid daarom als volgt: Onze Vader in de hemel, laat uw naam geheiligd worden,” (Mt 6:9 NBV)

Jezus was er zich ook heel bewust van dat die Vader, De Enige Ware God is, en dat deze groter is dan hij.

“Jullie hebben toch gehoord dat ik zei dat ik wegga en bij jullie terug zal komen? Als je me liefhad zou je blij zijn dat ik naar mijn Vader ga, want de Vader is meer dan ik.” (Joh 14:28 NBV)

“‘Houd me niet vast, ‘zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’” (Joh 20:17 NBV)

“Ik moet u echter nog het volgende zeggen. Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus.” (1Co 11:3 NBV)

“En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.” (1Co 15:28 NBV)

“Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast,” (Flp 2:6 NBV)

Nooit en nergens heeft Jezus gelijkheid noch gelijkwaardigheid aan God opgeëist. Steeds liet hij blijken dat hij niets kon zonder God Die boven alle ander goden staat en die de Veroorzaker is van alles. Wel gaf Jezus aan dat hij door God gemachtigd of geautoriseerd was te spreken en handelen in Zijn Naam.

“Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.” (Mt 11:27 NBV)

“Jezus kwam op hen toe en zei: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.” (Mt 28:18 NBV)

De apostelen hadden diegene erkend waar in vroegere geschriften was over geschreven dat hij autoriteit zou krijgen en zou heersen over de aarde.

“Hem werden macht, eer en het koningschap verleend, en alle volken en naties, welke taal zij ook spraken, dienden hem. Zijn heerschappij was een eeuwige heerschappij die nooit ten einde zou komen, zijn koningschap zou nooit te gronde gaan.” (Da 7:14 NBV)

Toen zij Jezus leerden kennen dachten zij eerst dat hij de Romeinse overheersers zou omver werpen en opnieuw het Joodse koninkrijk zou installeren. Zij beseften toen nog niet dat het over een toekomend rijk zou gaan. Voor hen was het nog niet duidelijk dat het over een koninkrijksregering zou gaan boven alle overheid, gezag, kracht en heerschappij, waarbij elke naam die genoemd zou worden, in het niets zou zinken, niet alleen in hun tijd, maar ook in de toekomstige eeuw. Wat de rijkdom zou zijn van de heerlijkheid van zijn erfenis in de heiligen, en wat de uitnemende grootte van zijn kracht zou zijn tegenover diegenen die zouden gaan geloven, naar de werking van de macht van zijn sterkte, die God heeft gewerkt in Christus door hem uit de doden op te wekken en hem aan zijn rechterhand te zetten in de hemelse gewesten, zouden zij pas later beseffen.

“hoog boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomstige.” (Efe 1:21 NBV)

“Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat,” (Flp 2:9 NBV)

“13 In hem hebt ook u de boodschap van de waarheid gehoord, het evangelie van uw redding, in hem bent u, door uw geloof, gemerkt met het stempel van de heilige Geest die ons beloofd is 14 als voorschot op onze erfenis, opdat allen die hij zich heeft verworven verlost zullen worden, tot eer van Gods grootheid.” (Efe 1:13-14 NBV)

“17 Moge de God van onze Heer Jezus Christus, de vader van alle luister, u een geest van inzicht schenken in wat geopenbaard is, opdat u hem zult kennen. 18 Moge uw hart verlicht worden, zodat u zult zien waarop u hopen mag nu hij u geroepen heeft, hoe rijk de luister is die de heiligen zullen ontvangen, 19 en hoe overweldigend groot de krachtige werking van Gods macht is voor ons die geloven. 20 Die macht was ook werkzaam in Christus toen God hem opwekte uit de dood en hem in de hemelsferen een plaats gaf aan zijn rechterhand, 21 hoog boven alle hemelse vorsten en heersers, alle machten en krachten en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomstige. 22 Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd en hem als hoofd over alles aangesteld, voor de kerk, 23 die zijn lichaam is, de volheid van hem die alles in allen vervult.” (Efe 1:17-23 NBV)

Daar ligt de waarheid voor de ware Christen in. Het is de hoop stellen in de gezondene van God, die door God gemachtigd is om in Zijn Naam te handelen en spreken, maar die zich ook als een offerlam heeft aangeboden ter vergeving van alle zonden.

“Maar ik heb een belangrijker getuigenis dan Johannes: het werk dat de Vader mij gegeven heeft om te volbrengen. Wat ik doe getuigt ervan dat de Vader mij heeft gezonden.” (Joh 5:36 NBV)

“Nog eens zei Jezus: ‘Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’” (Joh 20:21 NBV)

“Hij kwam in de nacht naar Jezus toe. ‘Rabbi, ‘zei hij, ‘wij weten dat u een leraar bent die van God gekomen is, want alleen met Gods hulp kan iemand de wondertekenen doen die u verricht.’” (Joh 3:2 NBV)

Meerdere mensen waren naar die grote verteller komen luisteren en konden zien welk een wonderwerken hij kon verrichten. Door zijn woorden en daden gingen ook meerdere mensen inzien wie die bijzondere man uit Nazareth was. Maar velen echter wensten dit niet te geloven. Ook vandaag zijn er ontkenners van de positie van Jezus. Zij willen niet inzien dat hij door God gezonden is en dat hij de zoon van God is, ook al heeft God zelf dit verklaard en Jezus dit meermaals heeft aangegeven.

“En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.’” (Mt 3:17 NBV)

“Onder het volk waren er velen in hem gaan geloven, ‘want, ‘zeiden ze, ‘wanneer de messias komt, zal die niet meer wondertekenen verrichten dan hij heeft gedaan.’” (Joh 7:31 NBV)

“Jezus antwoordde: ‘Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij,” (Joh 10:25 NBV)

Voor Jezus was het ook duidelijk dat alle macht van God komt en dat Hij Almachtig is en de Allerhoogste.

“Toen Abram negenennegentig jaar was, verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Ik ben God, de Ontzagwekkende. Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven.” (Ge 17:1 NBV)

“(83:19) Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is, dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde.” (Ps 83:18 NBV)

“(4:14) Dit vonnis is geveld door de wachters, dit oordeel is gesproken door de heilige engelen, opdat de levenden weten dat de hoogste God boven het koningschap van de mensen staat: hij bepaalt wie het ambt krijgt toebedeeld, zelfs de laagste onder de mensen kan daartoe verheven worden.”” (Da 4:17 NBV)

Diegene die nu voorgeleid werd voor de stadhouder Pilatus was door velen al gekend als de mensenzoon die ook zoon van God werd genoemd.

“Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven.” (Lu 1:32 NBV)

“(9:5) Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; de heerschappij rust op zijn schouders. Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.” (Jes 9:6 NBV)

De overpriesters en de ouderlingen overreedden de scharen om te roepen dat Jezus, die ook de Christus werd genoemd, zou worden ter dood worden gebracht.

“20 Ondertussen haalden de hogepriesters en de oudsten het volk over: ze moesten om Barabbas vragen, en Jezus laten doden. 21 Weer nam de prefect het woord en hij vroeg opnieuw: ‘Wie van de twee wilt u dat ik vrijlaat?’ ‘Barabbas!’ riepen ze. 22 Pilatus vroeg hun: ‘Wat moet ik dan doen met Jezus die de messias wordt genoemd?’ Allen antwoordden: ‘Aan het kruis met hem!’” (Mt 27:20-22 NBV)

De stadhouder vroeg de massa wat voor kwaads Jezus had gedaan gedaan. Maar opgejut door de geestelijken schreeuwden de aanwezigen uitermate om hem te laten ophangen.

“Hij vroeg: ‘Wat heeft hij dan misdaan?’ Maar ze schreeuwden alleen maar harder: ‘Aan het kruis met hem!’” (Mt 27:23 NBV)

Pilatus merkte dat er nog meer opschudding ontstond, maar wenste toch te getuigen dat hij geen schuld in die man zach en dat hij onschuldig aan zijn bloed wenste te zijn.Toen namen de krijgsknechten van de stadhouders Jezus mee in het rechthuis, en brachten tegen hem geheel de bende zamen. Zij ontkleedden hem en deden hem een scharlakenroode mantel om, vlochten een kroon van doornen en zetten hem die op het hoofd, en een riet in zijn rechterhand, als tekens van ‘koningschap’ waarover zij spot dreven.

“ze vlochten een kroon van doorntakken en zetten die op zijn hoofd. Ze gaven hem een rietstok in zijn rechterhand en vielen voor hem op de knieën. Spottend zeiden ze: ‘Gegroet, koning van de Joden,‘” (Mt 27:29 NBV)

Jezus moest de geseling en vernedering ondergaan terwijl hi ook moest blijven vertrouwen op zijn hemelse Vader, Jehovah God. Hij besefte dat zijn einde nabij was maar ook dat de mens niet aan God kan doen terwijl Deze alles wel in het oog houdt en het hart van de mens kent.

Wat kan een mens God doen?

Een mens vermag niets tegen God.

“Maar de HEER zei tegen Samuël: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’” (1Sa 16:7 NBV)

“Een mens kiest in zijn eigen ogen altijd de rechte weg, de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt.” (Spr 21:2 NBV)

“Ik, de HEER, ben het die het hart doorgrondt, die nieren toetst, die ieder naar zijn levenswandel beloont, aan ieder geeft wat hij verdient.” (Jer 17:10 NBV)

Jezus werd danig op de proef gesteld. Na al de bespotting van de soldaten moest hij langs de rijen spottende mensen die langs de weg stonden naar de plaats, genaamd Golgotha, wat zeggen wil: Schedelplaats.

Nadat zij Jezus aan de houten paal hadden opgehangen verdeelden de soldaten zijn kleren en stelden boven zijn hoofd de beschuldiging tegen hem, dat daar de “koning der Joden” zou hangen.

“Boven zijn hoofd bevestigden ze de aanklacht, die luidde: ‘Dit is Jezus, de koning van de Joden’.” (Mt 27:37 NBV)

Voorbijgangers lasterden Jezus, hun hoofd schuddende terwijl zij hem toeriepen waarom hij zichelf niet kon verlossen.

“39 De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: 40 ‘Jij was toch de man die de tempel kon afbreken en in drie dagen weer opbouwen? Als je de Zoon van God bent, red jezelf dan maar en kom van dat kruis af!’ 41 Ook de hogepriesters, de schriftgeleerden en de oudsten maakten zulke spottende opmerkingen: 42 ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet. Hij is toch koning van Israël, laat hij dan nu van het kruis afkomen, dan zullen we in hem geloven. 43 Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld, laat die hem nu dan redden, als hij hem tenminste goedgezind is. Hij heeft immers gezegd: “Ik ben de Zoon van God.”’” (Mt 27:39-43 NBV)

Als zoon van God had en heeft Jezus natuurlijk niet dezelfde macht als God. Hier ligt een belangrijk putn wat Trinitariërs niet lijken in te zien. Dat indien Jezus God is, dat Jezus niet kan sterven en daar aan die houten paal ook geen vrees moest hebben. Maar zijn angst was uitermate groot. Er kwam zelfs een ogenblik dat Jezus het niet meer zag zitten en twijfelde of zijn God nog wel bij hem was. Toen het zesde uur ban de dag aanbrak kwam er duisternis over de ganse aarde tot het negende uur toe.  En omtrent het negende uur riep Jezus met luide stem op zijn Vader en God, zich afvragende waarom deze hem had verlaten. Indien Jezus God is kan deze zichzelf niet hebben verlaten, mits een wezen zich niet opsplitst en was er zeker geen reden voor Jezus om te roepen waarom hij zichzelf had verlaten. Want God weet alles en is overal, zo God was dar ook. Maar nu Jezus niet God is, was het voor hem zo moeilijk als voor ieder ander mens om dat vertrouwen in God te behouden. Aldus was de noodkreet van Jezus gemeend, omdat hij mens zijnde ook werkelijk kon en zou sterven. God daarentegen is onsterfelijk, dus als Jezus God is moest hij daar helemaal geen vrees voor hebben, want God weet dat een mens hem toch niets kan doen maar dat Hij alles aan een mens kan doen.

“45 Rond het middaguur viel er duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. 46 Aan het einde daarvan, in het negende uur, gaf Jezus een schreeuw en riep luid:

‘Eli, Eli, lema sabachtani?’

Dat wil zeggen:

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

47 Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hij roept om Elia!’” (Mt 27:45-47 NBV)

Sommige van de toeschouwers bleven spotten met Jezus en wilden wel eens zien of Elia zou komen om hem te verlossen. Jezus nu riep wederom met luider stem, en gaf de geest. Toen Jezus werkelijk stief, en niet deed alsof, wat hij zou gedaan hebben als hij God zou zijn, scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot beneden in twee, terwijl de aarde beefde, en de rotsen zodanig scheurden dat zelfs de graven open braken. De hoofdman nu en die met hem Jezus bewaarden, die nu ook getuigen waren van de aardbeving en wat er gebeurde, werden zeer bevreesd en erkenden dat zij nu waarlijk met de zoon van God te maken hadden.

“50  Nog eens schreeuwde Jezus het uit, toen gaf hij de geest
51 Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën, en de aarde beefde en de rotsen spleten. 52 De graven werden geopend en de lichamen van veel gestorven heiligen werden tot leven gewekt; 53 na Jezus’ opstanding kwamen ze uit de graven, gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal mensen. 54 Toen de centurio en degenen die met hem Jezus bewaakten de aardbeving voelden en merkten wat er gebeurde, werden ze door een hevige angst overvallen en zeiden: ‘Hij was werkelijk Gods Zoon.’” (Mt 27:50-54 NBV)

De Romeinen wilden niet weten dat er met die dode Jezus iets zou gebeuren en waren blij dat een rijk men van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een leerling van Jezus was, bereid was voor een graf te betalen. Jezus lichaam werd in een rein lijnwaad gewikkeld, en in een nieuw graf gelegd, dat Jozef van Arimathéa in de rots gehouwen had.  Nadat hij een grote steen tegen de ingang van het graf gewenteld had, ging hij heen terwijl Maria Magdalena en de andere Maria, zittende tegenover het graf bleven waken terwijl eveneens soldaten de wacht hielden zodat niemand het lijk zou kunnen roven.

“62 De volgende dag, dus na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de Farizeeën samen naar Pilatus. 63 Ze zeiden tegen hem:

‘Heer, het schoot ons te binnen dat die bedrieger, toen hij nog leefde, gezegd heeft: “Na drie dagen zal ik uit de dood opstaan.” 64 Geeft u alstublieft bevel om het graf tot de derde dag te bewaken, anders komen zijn leerlingen hem heimelijk weghalen en zullen ze tegen het volk zeggen: “Hij is opgestaan uit de dood, ”en die laatste leugen zal nog erger zijn dan de eerste.’

65 Pilatus antwoordde:

‘U kunt bewaking krijgen. Ga nu en regel het zo goed als u kunt.’ 66 Ze gingen erheen en beveiligden het graf door het te verzegelen en er bewakers voor te zetten.” (Mt 27:62-66 NBV)

Aldus werd het graf van Jezus goed bewaakt en zou men denken dat er niets met die dode kon gebeuren. Op de derde dag na zijn dood gebeurde echter wat er ook in de schriften voorspeld stond. Het was na de sabbat, bij het aanbreken van de eersten dag van de week, dat Maria Magdalena en de andere Maria terugkwamen om het graf te bezien. Maar weer beefde de aarde en waren er verschijnselen die de romeinse soldaten schrik aanjoegen. Zij ondergingen doosangsten tijden die beving.

“1  Na de sabbat, toen de ochtend van de eerste dag van de week gloorde, kwam Maria uit Magdala met de andere Maria naar het graf kijken. 2 Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de Heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. 3 Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw.” (Mt 28:1-3 NBV)

“4 De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer. 5 De engel richtte zich tot de vrouwen en zei: ‘Wees niet bang, ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. 6 Hij is niet hier, hij is immers opgestaan, zoals hij gezegd heeft. Kijk maar, dat is de plaats waar hij gelegen heeft. 7 En ga nu snel naar zijn leerlingen en zeg hun: “Hij is opgestaan uit de dood, en dit moeten jullie weten: hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zul je hem zien.” Dat is wat ik jullie te zeggen had.’ 8 Ontzet en opgetogen verlieten ze haastig het graf om het aan zijn leerlingen te gaan vertellen.” (Mt 28:4-8 NBV)

Zij die de dode Jezus zochten konden hem aldus niet vinden, maar kregen te horen dat hij uit de dood zou zijn opgestaan. Voor de volgers van Jeshua of Jezus, zou daar de verwachtingshoop van af hangen. Namelijk nu bleek de Schriftvoorspelling uitgekomen dat de gezondene van Jezus de derde dag uit de dood zou opstaan. ekt, den gekruisigde. De vrouwen konden de lege plaats in het graf zien en toen de boodschapper van God hen vroeg om spoedig heen te gaan naar Galiléa en de leerlingen te vertellen wat zij hadden gezien, deden zij dat. Spoedig van het graf weggaande, met vrees en grote blijdschap, liepen zij heen om het Jezus zijn leerlingen te berichten.

“16  De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg waar Jezus hen had onderricht, 17 en toen ze hem zagen bewezen ze hem eer, al twijfelden enkelen nog. 18 Jezus kwam op hen toe en zei:

‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde. 19 Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, 20 en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’” (Mt 28:16-20 NBV)

Zo werd de opdracht voor de apostelen nogmaals medegedeeld door Jezus. En die opdracht zou toekomen aan allen die zich volgeling van Christus noemen, of hen die zich Christen noemen. Voor hen die zich Christen noemen is het namelijk van essentieel belang dat zij geloven dat Jezus de mensenzoon is die door God gezonden is  en dat deze man uit Nazareth de beloofde zoon van God is, de gezlfde of de Messias, die zich opgeofferd heeft voor velen, terwijl hij steeds de Wil van God heeft gedaan.

Ware Christenen geloven dat die man, geboren in Bethlehem werkelijk gestorven is en op de derde dag na zijn dood is opgestaan uit de doden, om vervolgens later door God verhoogd te worden om naast Hem te komen zetelen en dienst te doen als hogepriester voor God en als bemiddelaar tussen God en de mensen.

“God heeft hem een plaats gegeven aan zijn rechterhand, hem tot leidsman en redder verheven om de Israëlieten tot inkeer te brengen en hun zonden te vergeven.” (Hnd 5:31 NBV)

“Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat,” (Flp 2:9 NBV)

“Hij liet hen achter, liep opnieuw wat verder en bad voor de derde maal, met dezelfde woorden als daarvoor.” (Mt 26:44 NBV)

“Jezus zei: ‘Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel.’” (Mr 14:62 NBV)

“Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God.” (Mr 16:19 NBV)

“Want David zelf zegt in het boek van de Psalmen: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand,” (Lu 20:42 NBV)

“Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige.’” (Lu 22:69 NBV)

“Maar vervuld van de heilige Geest sloeg Stefanus zijn blik op naar de hemel en zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond,” (Hnd 7:55 NBV)

“terwijl hij, na zijn eenmalig offer voor de zonden, voorgoed zijn plaats aan Gods rechterhand heeft ingenomen,” (Heb 10:12 NBV)

“U allen, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden,” (Heb 3:1 NBV)

“waar Jezus als voorloper al is binnengegaan, ten behoeve van ons: hij is hogepriester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek dat was.” (Heb 6:20 NBV)

“voor de bemiddelaar van een nieuw verbond, Jezus, en voor het gesprenkelde bloed dat krachtiger spreekt dan dat van Abel.” (Heb 12:24 NBV)

“Want er is maar één God, en maar één bemiddelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus,” (1Ti 2:5 NBV)

Zij die zich Christen wensen te noemen moeten die bovengehaalde Bijbelteksten aannemen en geloven dat Jezus diegene is die God openbaarde als Zijn enig geliefde zoon. Al diegenen die dat niet willen geloven en willen aanhouden dat Jezus God is gaan in tegen Gods Woorden en zijn niet waardig om zich Christen te noemen. Want het Christen noemen houdt in in hem te geloven en zijn woorden en leerstellingen op te volgen en gelijk hem de Wil van God te willen doen en maar één God te aanbidden, Die de God van Jezus en zijn disciplen is. Trwijl God een geest is die niemand kan zien was zijn zoon een mens van vlees en bloed die door velen gezien is en die werkelijk gestorven is en opgestaan uit de doden om naderhand opgenomen te zijn in de hemel waar hij nu naast God zetelt en niet op Gods troon zit.

“Waarachtig, ik verzeker u: wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven.” (Joh 5:24 NBV)

“Maar, ‘zei hij, ‘mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven.’” (Ex 33:20 NBV)

ook al kunnen wij God niet zien moeten wij geloof hebben in hem die ons Deze God verduidelijkt heeft en ons de weg naar God heeft voorbereid.

“Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht:” (Joh 1:8 NBV)

“Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.” (Joh 1:18 NBV)

“Jezus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” (Joh 14:6 NBV)

Naar deze man moeten wij luiseren en naar de Woorden van zijn hemelse Vader Die De Enige Ware God is.

“Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige!” (De 6:4 NBV)

“wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven.” (1Co 8:6 NBV)

“Waarachtig, ik verzeker u: wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven.” (Joh 5:24 NBV)

“Ieder die gelooft dat Jezus de christus is, is uit God geboren, en ieder die de Vader liefheeft, heeft ook lief wie uit hem geboren zijn.” (1Jo 5:1 NBV)

“Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” (Joh 3:16 NBV)

Ware Christenen zijn diegenen die geloven dat Jezus de zoon van God is die door God opgewekt is uit de doden, waardoor verlossing ons toekomt en een hoop op het Koninkrijk van God waar een eindeloos leven de gelovigen zal te wachten staan.

“Geprezen zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus: in zijn grote barmhartigheid heeft hij ons opnieuw geboren doen worden door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop.” (1Pe 1:3 NBV)

“Openbaring van Jezus Christus, die hij van God ontving om aan de dienaren van God te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet. Hij heeft zijn engel deze openbaring laten meedelen aan zijn dienaar Johannes.” (Opb 1:1 NBV)

“Wie overwint maak ik tot een zuil in de tempel van mijn God. Daar zal hij voor altijd blijven staan. Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen, en ook mijn eigen nieuwe naam.” (Opb 3:12 NBV)

“Zo sprak hij. Daarna sloeg Jezus zijn ogen op naar de hemel en zei: ‘Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van uw Zoon, dan zal de Zoon uw grootheid tonen.” (Joh 17:1 NBV)

“Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus.” (Joh 17:3 NBV)

“16 ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God, ‘antwoordde Simon Petrus. 17 Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel.” (Mt 16:16-17 NBV)

Laat daarom geen twijfel meer in u en geloof de woorden zoals zij zijn opgetkend in de Heilige Schrift. De Bijbel geeft duidelijk aan dat Jezus en God twee verschillende entiteiten zijn. Laat u daarom niet misleiden door hen die beweren dat zij die niet in de Drie-eenheid geloven geen Christenen zijn. Diegenen die namelijk er aan vast houden dat Jezus niet God is maar de zoon van God, en zijn woorden en leerstelling trachten op te volgen zijn juist wel de ware Christenen. Zij die belijden dat Jezus de zoon van God is en zijn geboden opvolgen, zullen diegenen zijn die God tot zich zullen kunnen krijgen.

“Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God.” (1Jo 4:15 NBV)

“30 Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. 31 Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. 32 Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. 33 Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’ 34 Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.’ 35 De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God.” (Lu 1:30-35 NBV)

“21  Heel het volk liet zich dopen, en toen ook Jezus was gedoopt en hij aan het bidden was, werd de hemel geopend 22 en daalde de heilige Geest in de gedaante van een duif op hem neer, en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’ 23 Jezus begon zijn verkondiging toen hij ongeveer dertig jaar was. Hij was, zoals algemeen werd aangenomen, de zoon van Jozef, die de zoon was van Eli,” (Lu 3:21-23 NBV)

+

Voorgaande

Op de eerste dag voor matzah

Voor de Wil van Hem die groter is dan Jezus

Gevangenneming en terechtstelling van Christus Jezus

Jezus vindt de dood op Golgota op voorbereidingsdag

14 Nisan een dag om te herinneren #1 Oorsprong

14 Nisan een dag om te herinneren #4 Een Gedood Lam

Vrijdag 3 april 2015 een dag voor verenigde samenkomst ter herinnering

++

Vindt ook te lezen

  1. Taal van de Bijbel onder ogen zien
  2. Heilige Drievuldigheid of Drie-eenheid
  3. Drie-eenheid of niet
  4. Drie-Eenheid
  5. Drie-eenheidsleer een menselijke dwaling
  6. Drie-eenheid – God de zoon of Zoon van God
  7. Rond God de Allerhoogste
  8. De Enige Ware God
  9. God boven alle goden
  10. Aanwijzingen voor redding te vinden
  11. Christus in de Tora: In de boekrol staat van mij geschreven
  12. Gezondene van God (Broeders in Christus)
  13. De gezondene van God (Belgische Christadelphians)
  14. De gezondene van God (Our World)
  15. Man van Nazareth
  16. Eerste stappen die leidden naar een loskoopoffer 1 Mens geplaatst in wereld van groen en andere levende wezens
  17. Eerste stappen die leidden naar een loskoopoffer 2 Lot na daad van ongehoorzaamheid
  18. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 1
  19. Offers van mensen onvolkomen tegenover het volmaakte slachtoffer door God te leveren 2
  20. Lam van God #2 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #1
  21. Lam van God #3 Tegenover onschuldig dier een onschuldig man #2
  22. Christus in Profetie #5 De Knecht in Jesaja (5) Verhoging van de Knecht
  23. Jezus van Nazareth #1 Jezus Geboorte
  24. Jezus van Nazareth #2 De zoon van Maria
  25. Jezus van Nazareth #3 De Zoon van God
  26. Jezus van Nazareth #4 Die geen zonde gedaan heeft
  27. Zoon van God – Vleesgeworden woord
  28. Jezus zoon van God (Our world)
  29. Jezus zoon van God (Belgische Bijbelstudenten)
  30. Christus Jezus: de zoon van God
  31. Zoon van God – de weg naar God
  32. De Knecht des Heren #3 De Gewillige leerling
  33. Hij die zit aan de rechterhand van zijn Vader
  34. Jezus van Nazareth #5 Zijn Unieke persoonlijkheid
  35. Jezus van Nazareth #6 Zijn unieke macht
  36. Jezus vertrouwend op zijn God
  37. Een Messias om te Sterven
  38. Het nieuwe verbond in het evangelie en de koninkrijkstijdperken
  39. Shabbat HaChodesh Parshat Tazria, Parshat Metzora en tzara’at
  40. Verlossing #4 Het Paaslam
  41. Verlossing #7 Christus levend in de gelovige
  42. Overdenking: “Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij …” (Op. 22:12)
  43. Een koning die zijn onderdanen wetten oplegt waarvan hij weet dat zij zich er nooit aan kunnen houden

+++

Gerelateerde of aanverwante artikelen

  1. As probleme onoorkomlik lyk
  2. Jij bent niet gemaakt om dit probleem alleen op te lossen
  3. Fijne kerstdagen
  4. Onze eindbestemming is bij God
  5. Waarom Doet Gods Perfecte Mix Van Genade En Oordeel Elke Eersteklas Blender Huiveren Als Ze Smoothies Uitblazen Met Griezelige Excuses? – Deel 3,
  6. Pontius Pilatussen – “Zo velen willen geen verantwoordelijkheid nemen voor hun (nood)lot.”
  7. Een religieus hoogtepuntje
  8. Het teken van Jona: Lag Jezus drie dagen en drie nachten in het graf?
  9. Wat Pasen met het milieu te maken heeft
  10. Een inleiding van een website die over het Koninkrijk van God wil hebben en praat over die grote Zoon van David wie het zal zijn en dat Hij inderdaad gekomen is en dat wij kunnen weten wie het is geworden!

Da warfen sie Lose und das Los fiel auf Matthias

Justus und Matthias wurden zur Wahl aufgestellt, um Judas Iskariot als Apostel zu ersetzen. Das Los fiel auf Matthias. Justus wurde zwar nicht gewählt, aber die Tatsache, daß er in Betracht gezogen wurde, zeigt, daß er ein reifer Jünger Jesu Christi war (Apg 1:23-26).

(Matthịas) [wahrscheinlich eine Kurzform von dem hebr. Mattithja, was „Gabe Jehovas“ bedeutet].

Apostel Matthias

Apostel Matthias – Ikonenzentrum Saweljew

Der Jünger, der durch das Los dazu bestimmt wurde, Judas Iskariot als Apostel zu ersetzen. Nach Jesu Himmelfahrt schlug Petrus den etwa 120 Jüngern, die sich versammelt hatten, vor, das Amt neu zu besetzen, wobei er nicht nur darauf verwies, daß der Psalmist David Judas’ Abweichen (Ps 41:9) vorhergesagt, sondern daß David auch geschrieben hatte (Ps 109:8), „sein Aufsichtsamt übernehme ein anderer“. Joseph Barsabbas [„Justus“ („der Gerechte“)] und Matthias wurden für die Wahl aufgestellt, und nach einem Gebet wurden Lose geworfen, wobei das Los auf Matthias fiel. Dies trug sich nur ein paar Tage vor der Ausgießung des heiligen Geistes zu, und es ist der letzte in der Bibel erwähnte Fall, bei dem Lose verwandt wurden, um Jehovas Entscheidung in einer Angelegenheit zu ermitteln (Apg 1:15-26).

Gemäß den Worten des Petrus (Apg 1:21, 22) war Matthias während der dreieinhalb Jahre des Dienstes Jesu ein Nachfolger Christi gewesen, der eng mit den Aposteln verbunden war, und er gehörte sehr wahrscheinlich zu den 70 Jüngern oder Evangelisten, die Jesus zum Predigen aussandte (Luk 10:1). Nach seiner Wahl wurde er von der Versammlung „den elf Aposteln zugezählt“ (Apg 1:26), und wenn in der Apostelgeschichte gleich darauf von „den Aposteln“ oder ‘den Zwölfen’ die Rede ist, war Matthias eingeschlossen (Apg 2:37, 43; 4:33, 36; 5:12, 29; 6:2, 6; 8:1, 14; 9:27; siehe Paulus Nr. 1).

+

Wie wurde der neue Apostel ausgesucht? Durch Lose, wie es in biblischer Zeit üblich war (Spr. 16:33). Doch nach der Bibel war dies das letzte Mal, dass Lose so zum Einsatz kamen. Mit der Ausgießung des heiligen Geistes gehörte diese Methode offensichtlich der Vergangenheit an. Interessant ist, warum die Apostel Lose verwendeten. Sie beteten: „Du, o Jehova, der du das Herz aller kennst, bezeichne, welchen du von diesen beiden Männern erwählt hast“ (Apg. 1:23, 24). Sie wollten, dass Jehova die Wahl trifft. Das Los fiel auf Matthias, wohl einer von den 70, die Jesus zum Predigen ausgesandt hatte. So wurde er einer der „Zwölf“ (Apg. 6:2).*

– bt Kap. 2 S. 14-19

+

Damals, vor Pfingsten, jedoch gab es Männer, die den Erfordernissen entsprachen, und zwei von ihnen hielt man für geeignet, den untreuen Judas zu ersetzen. Zweifellos mit Sprüche 16:33 im Sinn wurden Lose geworfen. Aufgrund dessen wurde Matthias ausgewählt und „den elf Aposteln zugezählt“ (Apg 1:23-26). Er gehörte somit zu den „Zwölfen“, die das Problem der griechisch sprechenden Jünger beilegten (Apg 6:1, 2), und offensichtlich rechnete Paulus ihn dazu, als er in Verbindung mit den Erscheinungen Jesu nach seiner Auferstehung von „den Zwölfen“ sprach (1Ko 15:4-8). Zu Pfingsten waren somit 12 apostolische Grundlagen da, auf denen das damals gegründete geistige Israel ruhen konnte.

Versammlungsapostel.

Matthias war nicht lediglich ein Apostel der Versammlung Jerusalem, genausowenig wie die übrigen 11 Apostel. Sein Fall liegt anders als der des Leviten Joseph Barnabas, der ein Apostel der Versammlung Antiochia (Syrien) wurde (Apg 13:1-4; 14:4, 14; 1Ko 9:4-6). Auch andere Männer werden als „Apostel der Versammlungen“ bezeichnet, und zwar in dem Sinne, daß sie von diesen Versammlungen ausgesandt wurden, um sie zu vertreten (2Ko 8:23). Und in dem Brief an die Philipper bezeichnet Paulus Epaphroditus als „euren Abgesandten [apóstolon] und persönlichen Diener für meine Bedürfnisse“ (Php 2:25). Diese Männer hatten das Apostelamt offensichtlich nicht aufgrund irgendeiner apostolischen Nachfolge inne, noch gehörten sie zu den „Zwölfen“, wie Matthias.

Das richtige Verständnis der erweiterten Anwendung des Ausdrucks „Apostel“ kann dazu beitragen, einen scheinbaren Widerspruch zwischen den Berichten in Apostelgeschichte 9:26, 27 und Galater 1:17-19 zu lösen, die sich beide auf das gleiche Ereignis beziehen. In dem ersten Bericht heißt es, Barnabas habe Paulus nach seiner Ankunft in Jerusalem „zu den Aposteln“ geführt. In Galater schreibt Paulus jedoch, daß er Petrus besuchte, und fügt hinzu: „Aber ich sah sonst keinen von den Aposteln, nur Jakobus, den Bruder des Herrn.“ Jakobus (nicht der ursprüngliche Apostel Jakobus, der Sohn des Zebedäus, noch Jakobus, der Sohn des Alphäus, sondern der Halbbruder Jesu) wurde offenbar als „Apostel“ in erweitertem Sinne angesehen, nämlich als ein „Ausgesandter“ der Versammlung Jerusalem. Das würde erklären, weshalb in Apostelgeschichte der Titel im Plural benutzt werden konnte, wenn es heißt, Paulus sei „zu den Aposteln“ (d. h. Petrus und Jakobus) geführt worden. (Vgl. 1Ko 15:5-7; Gal 2:9.)

Statue über dem Sarkophag des Apostels Matthias in Trier

– it-1 S. 155-159

+

Der Überlieferung nach hat Kaiserin Helena im 4. Jahrhundert den Körper des Heiligen nach Trier überführen lassen. Für die dortige Abtei St. Matthias lässt sich eine Reliquienerhebung für das 11. Jahrhundert belegen. Seit 1127 benennt sich die Abtei nach dem Apostel.

Matthias starb um das Jahr 63 wahrscheinlich in Äthiopien. Der Apostel soll von Heiden halbtot gesteinigt und anschließend mit dem Beil erschlagen worden sein. Nach anderen Überlieferungen, den sogenannten Acta Andreae, soll Matthias aus der Gewalt von “Menschenfressern” auf wunderbare Weise befreit worden sein. Seine Reliquien wurden zu Beginn des 4. Jahrhunderts von Bischof Agritius als Geschenk von Kaiserin Helena nach Trier gebracht. Sie befinden sich heute in der Eucharius-Basilika, die seit 1127 nach Matthias benannt ist. Es ist das einzige Apostelgrab auf deutschem Boden.

***

Markus 3:16-19

16 Und die [Gruppe der] Zwölf, die er bildete, waren: Sịmon, dem er auch den Beinamen Petrus gab,+ 17 und Jakobus, der [Sohn] des Zebedạ̈us, und Johạnnes, der Bruder des Jakobus+ (diesen gab er auch den Beinamen Boanẹrges*, was Donnersöhne bedeutet), 18 und Andreas und Philịppus und Bartholomạ̈us und Matthạ̈us und Thomas und Jakobus, der [Sohn] des Alphạ̈us, und Thaddạ̈us und Sịmon, der Kananạ̈er, 19 und Judas Iskạriot, der ihn später verriet.+

Und er ging in ein Haus.

Lukas 6:12-16:

12 Im Verlauf dieser Tage ging er hinaus auf den Berg, um zu beten,+ und er verbrachte die ganze Nacht im Gebet zu Gott.+ 13 Als es aber Tag wurde, rief er seine Jünger zu sich und wählte aus ihnen zwölf aus, denen er auch den Namen „Apostel“ gab:+ 14 Sịmon, dem er auch den Namen Petrus gab,+ und Andreas, seinen Bruder, und Jakobus und Johạnnes+ und Philịppus+ und Bartholomạ̈us 15 und Matthạ̈us und Thomas+ und Jakobus, [den Sohn] des Alphạ̈us, und Sịmon, welcher „der Eiferer“* genannt wird,+ 16 und Judas, [den Sohn] des Jakobus, und Judas Iskạriot, der zum Verräter wurde.+

Matthäus 10:2-4:

2 Die Namen der zwölf Apostel+ sind diese:+ zuerst Sịmon, der Petrus+ genannt wird,* und Andreas,+ sein Bruder; und Jakobus, der [Sohn] des Zebedạ̈us,+ und Johạnnes, sein Bruder; 3 Philịppus und Bartholomạ̈us;*+ Thomas+ und Matthạ̈us*+, der Steuereinnehmer; Jakobus, der [Sohn] des Alphạ̈us,+ und Thaddạ̈us*; 4 Sịmon, der Kananạ̈er,+ und Judas Iskạriot, der ihn später verriet+.

Johannes 12:6;

6 Das sagte er aber nicht, weil ihm an den Armen gelegen war, sondern weil er ein Dieb+ war und die Kasse+ hatte und die Einlagen wegzutragen pflegte.

Apostelgeschichte 1:15-26

15 In diesen Tagen nun erhob sich Petrus inmitten der Brüder (es war eine Menge von insgesamt etwa hundertzwanzig Personen)* und sagte: 16 „Männer, Brüder, es war notwendig, daß das Schriftwort erfüllt werde,+ das der heilige Geist+ durch den Mund Davids über Judas vorhergesagt hatte,+ der denen, die Jesus festnahmen, zum Wegweiser wurde,+ 17 denn er war zu uns gezählt worden+ und erlangte einen Anteil an diesem Dienst.+ 18 (Dieser nun erwarb+ sich mit dem Lohn für Ungerechtigkeit+ ein Feld, und kopfüber stürzend,*+ barst er krachend mitten entzwei, und alle seine Eingeweide wurden verschüttet. 19 Es wurde auch allen Bewohnern Jerusalems bekannt, so daß jenes Feld in ihrer Sprache Akeldạma, das heißt Blutfeld, genannt wurde.) 20 Denn es steht im Buch der Psalmen geschrieben: ‚Möge sein Unterkunftsort öde werden, und möge niemand darin wohnen‘+ und: ‚Sein Aufsichtsamt* übernehme ein anderer.‘+ 21 Es ist daher notwendig, daß von den Männern, die während der ganzen Zeit mit uns zusammenkamen, in der der Herr Jesus bei uns ein und aus ging,*+ 22 angefangen von der durch Johạnnes vollzogenen Taufe+ bis zu dem Tag, an dem er von uns weg hinaufgenommen wurde,+ einer von diesen mit uns Zeuge seiner Auferstehung werde.“+

23 Da stellten sie zwei auf, Joseph, genannt Barsạbbas, der den Beinamen Jụstus hatte, und Matthias. 24 Und sie beteten und sprachen: „Du, o Jehova*, der du das Herz aller kennst,+ bezeichne, welchen du von diesen beiden Männern erwählt hast, 25 damit er den Platz dieses Dienstes und Apostelamtes einnehme,+ von dem Judas abgewichen ist, um an seinen eigenen Ort zu gehen.“ 26 Da warfen sie Lose+ über sie, und das Los fiel auf Matthias; und er wurde den elf+ Aposteln zugezählt.

1. Korinther 15: 3-8

3 Denn ich habe euch als etwas von den ersten Dingen das übermittelt, was ich auch empfangen habe,+ [nämlich] daß Christus gemäß den Schriften für unsere Sünden starb+ 4 und daß er begraben wurde,+ ja daß er gemäß den Schriften+ am dritten Tag+ auferweckt worden ist+ 5 und daß er Kẹphas erschien,+ dann den Zwölfen.+ 6 Danach erschien er mehr als fünfhundert Brüdern auf einmal, von denen die meisten bis jetzt [am Leben] geblieben sind,+ einige aber sind [im Tod] entschlafen. 7 Danach erschien er Jakobus+, dann allen Aposteln;+ 8 aber als letztem von allen erschien er auch mir,+ gleichsam einem vorzeitig Geborenen*.

***

*

v 24: Jehova: Es gibt Beweise dafür, daß die Jünger Jesu in ihren Schriften das Tetragrammaton benutzt haben. Hieronymus schrieb im vierten Jahrhundert in seinem Werk De viris inlustribus (Über berühmte Männer), Kapitel III folgendes: „Mattäus, der auch Levi ist und der von einem Zöllner zu einem Apostel wurde, verfaßte zuerst ein Evangelium von Christus in Judäa in der hebräischen Sprache und in [hebräischen] Schriftzeichen zum Nutzen derer aus der Beschneidung, die geglaubt hatten. Wer es danach ins Griechische übersetzte, ist nicht sicher festzustellen. Übrigens ist das Hebräische bis auf diesen Tag in der Bibliothek von Cäsarea erhalten geblieben, die Pamphilus, der Märtyrer, sehr bereicherte. Mir wurde von dem Nazarener, der diesen Band in der syrischen Stadt Beröa gebrauchte, gestattet, diesen abzuschreiben.“ (Die Übersetzung erfolgte nach dem lateinischen Text, der von E. C. Richardson in der Serie „Texte und Untersuchungen zur Geschichte der altchristlichen Literatur“, Bd. 14, Leipzig 1896, S. 8, 9 herausgegeben und veröffentlicht worden ist.)

Matthäus zitierte in seiner Niederschrift mehr als hundertmal aus den inspirierten Hebräischen Schriften. An den Stellen, an denen diese Zitate den göttlichen Namen enthielten, war er verpflichtet, getreu das Tetragrammaton in sein hebräisches Evangelium aufzunehmen. Als dann das Matthäusevangelium ins Griechische übersetzt wurde, blieb das Tetragrammaton gemäß dem Brauch der Zeit unübersetzt inmitten des griechischen Textes stehen.

Nicht nur Matthäus, sondern alle Schreiber der Christlichen Griechischen Schriften zitierten Verse aus dem hebräischen Text oder aus der Septuaginta, in denen der göttliche Name erscheint. Zum Beispiel zitierte Petrus in Apg 3:22 aus 5Mo 18:15, wo das Tetragrammaton in einem Papyrusfragment der Septuaginta aus dem ersten Jahrhundert v. u. Z. vorkommt. (Siehe Anh. 1C [1.].) Als ein Nachfolger Christi verwendete Petrus den Namen Gottes, Jehova. Als dann die Rede des Petrus niedergeschrieben wurde, wurde das Tetragrammaton gemäß dem Brauch des ersten Jahrhunderts v. u. Z. und des ersten Jahrhunderts u. Z. an dieser Stelle verwendet.

Irgendwann während des zweiten oder dritten Jahrhunderts u. Z. entfernten die Abschreiber das Tetragrammaton sowohl aus der Septuaginta als auch aus den Christlichen Griechischen Schriften und ersetzten es durch Kýrios, „Herr“, oder Theós, „Gott“.

der du das Herz aller kennst: (1. Samuel 16:7): 7 Aber Jehova sprach zu Samuel: „Schau nicht auf sein Aussehen und auf die Höhe seines Wuchses,+ denn ich habe ihn verworfen. Denn nicht wie der Mensch sieht, [sieht Gott,]*+ denn der Mensch sieht das, was vor den Augen erscheint;*+ Jehova aber, er sieht, wie das Herz+ ist.“*

(1. Chronika 28:9): 9 Und du, Sạlomo, mein Sohn, erkenne+ den Gott deines Vaters, und diene+ ihm mit ungeteiltem Herzen+ und einer Seele voller Lust;+ denn Jehova erforscht alle Herzen,+ und jede Neigung der Gedanken bemerkt er.+ Wenn du ihn suchst, wird er sich von dir finden lassen;+ wenn du ihn aber verläßt,+ wird er dich für immer verwerfen.+

(Jeremia 11:20): 20 Aber Jehova der Heerscharen richtet mit Gerechtigkeit;+ er prüft die Nieren* und das Herz.+ O möge ich deine Rache an ihnen sehen, denn dir habe ich meinen Rechtsfall geoffenbart.+
(Apostelgeschichte 15:8): 8 und Gott, der das Herz kennt,+ legte Zeugnis ab, indem er ihnen den heiligen Geist gab,+ so wie er [ihn] auch uns gegeben hat.
(1. Könige 8:39): 39 dann mögest du deinerseits [von] den Himmeln+, deiner festen Wohnstätte,+ [her] hören, und du wollest vergeben+ und handeln+ und einem jeden gemäß all seinen Wegen geben,+ weil du sein Herz kennst+ (denn du, du allein kennst ja das Herz aller Söhne der Menschen*),+

(2. Chronika 16:9): 9 Denn, was Jehova betrifft, seine Augen+ durchschweifen die ganze Erde,+ damit er sich stark erweist zugunsten derer, deren Herz+ ihm gegenüber ungeteilt ist. Du hast diesbezüglich töricht gehandelt,+ denn von nun an wird es Kriege gegen dich geben.“+

(Psalm 7:9)9 Möge bitte die Schlechtigkeit der Bösen ein Ende nehmen,+Und mögest du den Gerechten aufrichten;+ Und Gott als Gerechter*+ prüft Herz+ und Nieren.*+

(Sprüche 24:12): 12 Falls du sagen solltest: „Siehe! Wir haben dies nicht gewußt“,+ wird nicht er selbst, der Herzen abschätzt, es bemerken+ und er selbst, der deine Seele beobachtet, [es] wissen+ und dem Erdenmenschen bestimmt nach seinem Tun erstatten?+
(Jeremia 17:10): 10 Ich, Jehova, erforsche das Herz,+ prüfe die Nieren,*+ ja um einem jeden zu geben gemäß seinen Wegen,*+ gemäß dem Fruchtertrag seiner Handlungen.+

(1. Samuel 16:7): 7 Aber Jehova sprach zu Samuel: „Schau nicht auf sein Aussehen und auf die Höhe seines Wuchses,+ denn ich habe ihn verworfen. Denn nicht wie der Mensch sieht, [sieht Gott,]*+ denn der Mensch sieht das, was vor den Augen erscheint;*+ Jehova aber, er sieht, wie das Herz+ ist.“*

(1. Chronika 29:17): 17 Und ich weiß wohl, o mein Gott, daß du das Herz prüfst+ und daß du an Redlichkeit Gefallen hast.+ Ich für meinen Teil habe in der Geradheit meines Herzens alle diese Dinge freiwillig gegeben, und jetzt habe ich mich gefreut, zu sehen, wie dein Volk, das sich hier befindet, dir freiwillig Gaben darbringt.

(Sprüche 17:3): 3 Der Läuterungstiegel* ist für Silber und der Schmelzofen für Gold,+ aber Jehova ist der Prüfer der Herzen.+
(Offenbarung 2:23): 23 Und ihre Kinder will ich mit tödlichen Plagen* töten, so daß alle Versammlungen erkennen werden, daß ich es bin, der Nieren* und Herzen erforscht, und ich will euch, jedem einzelnen, gemäß euren Taten geben.+
(Psalm 26:2):  2 Prüfe mich, o Jehova, und erprobe mich;+ Läutere meine Nieren* und mein Herz.+
v 25: Apostelamtes: (Johannes 6:70): 70 Jesus antwortete ihnen: „Habe ich nicht euch Zwölf auserwählt?+ Einer von euch jedoch ist ein Verleumder.“*+

(Lukas 6:13): 13 Als es aber Tag wurde, rief er seine Jünger zu sich und wählte aus ihnen zwölf aus, denen er auch den Namen „Apostel“ gab:+

(Johannes 15:16): 16 Nicht ihr habt mich auserwählt, sondern ich habe euch auserwählt, und ich habe euch dazu bestimmt, daß ihr hingeht und fortgesetzt Frucht tragt+ und daß eure Frucht bleibe, damit, was immer ihr den Vater in meinem Namen bittet, er euch gebe.+

(Markus 3:14): 14 Und er bildete [eine Gruppe von] zwölf, denen er auch den Namen „Apostel“ gab, damit sie bei ihm blieben und damit er sie aussenden könne, zu predigen+

(Johannes 6:70): 70 Jesus antwortete ihnen: „Habe ich nicht euch Zwölf auserwählt?+ Einer von euch jedoch ist ein Verleumder.“*+

v 26: Da warfen sie Lose: (Sprüche 16:33): 33 In den Schoß hinab wird das Los geworfen,+ aber jede Entscheidung dadurch ist von Jehova.+

(4. Mose 26:55): 55 Nur durch das Los+ sollte das Land zugeteilt werden. Gemäß den Namen der Stämme ihrer Väter sollten sie ein Erbe erhalten.

(Josua 18:10): 10 und Jọsua zog dann in Sịlo vor Jehova Lose für sie.+ So teilte Jọsua dort den Söhnen Israels das Land nach ihren Anteilen zu.+

(Sprüche 18:18): 18 Das Los bringt selbst Streitigkeiten zur Ruhe,+ und es trennt sogar die Mächtigen voneinander.+
+ Entscheidung dadurch ist von Jehova: (1. Samuel 14:41): 41 Und Saul sprach dann zu Jehova: „O Gott Israels*, gib doch Tummịm+!“ Da wurden Jọnathan und Saul getroffen, und das Volk seinerseits ging [frei] aus.+
+

einer von „den Zwölfen“ (1Ko 15:5): it-1 158; w88 15. 1. 30

ersetzt Judas als Apostel: bt 19; w90 1. 6. 11; it-1 158; it-2 292, 548-549

Name auf Grundstein des Neuen Jerusalem: it-1 158-159; it-2 549

++

Nederlandstalige versie: Verkiezing van Matthias

Afrikaans: Matti′as is gekies als een van “die twaalf”

English: Election of the Apostle Matthias

The Acts Of The Sent Ones Chapter 1

Hebraic Roots Bible Book of The Acts of the Apostles Chapter 1

Nazarene Acts of the Apostles Chapter 1 v23-26 Choice of Matthias

Petites Heures des Johannes von Berry: Matthias (rechts) mit dem Propheten Daniel, 14. Jahrhundert, Bibliothèque Nationale de France in Paris

Petites Heures des Johannes von Berry: Matthias (rechts) mit dem Propheten Daniel, 14. Jahrhundert, Bibliothèque Nationale de France in Paris

+++

Weiterführende Literatur

  1. Matthias (Ökumenisches Heiligenlexikon)
    Matthias wirkte nach verschiedenen Legenden in Judäa für den Glauben, wurde wegen seiner Heilungen, Bekehrungen und gelehrten Predigten beim Hohen Rat verklagt, zum Tode verurteilt, gesteinigt und nach römischem Brauch mit dem Beil enthauptet.
  2. Die Wahl des Matthias zum Apostel
  3. Der Apostel Matthias Historisches und Legendäres zum Schutzpatron unserer Bruderschaft
  4. “Matthias-Lieder” (Zu der Apostel Zahl etc.)
  5. St. Matthias-Bruderschaft Anrath
  6. Geschichte der St.-Matthias-Bruderschaften
  7. Predigt: “Bekehrt oder gerecht? Die Wahl des Matthias”
  8. Gemeinden Erzbistum-Koeln Matthiasbruderschaft: Apostel Matthias Recherchen
  9. Heiliger Matthias (Apostel)
  10. Matthias, Apostel der Treu
  11. Ökumenischer Namenkalender: Apostel Matthias

Related articles

English: Election of the Apostle Matthias

Matti′as is gekies als een van “die twaalf”

Nadat Jesus byna ’n jaar en ’n half lank gepreek het, het hy 12 van sy dissipels gekies om apostels te wees. Die apostels was manne wat hy uitgestuur het om ’n spesiale werk te doen.

Uiteindelik het een van die 12 apostels sleg geword. Dit was Judas Iskariot. Daarna is ’n ander dissipel gekies om ’n apostel te word. Dit was Mattias. Later het Paulus en Barnabas ook apostels geword, maar hulle was nie deel van die 12 nie.—Handelinge 1:23-26; 14:14.

– lr hfst. 13 bl. 72-76

Die lot is gewerp, ’n algemene gebruik in Bybeltye (Spr. 16:33).

Saint Matthias.PNG

St Mattias uit die ateljee van Simone Martini

Die apostels het gebid: “U, o Jehovah, wat die harte van almal ken, wys uit hierdie twee manne die een aan wat u gekies het” (Hand. 1:23, 24). Hulle wou hê dat Jehovah die keuse moet maak. Mattias, waarskynlik een van die 70 dissipels wat Jesus uitgestuur het om te preek, is gekies. Mattias het dus een van “die twaalf” geword.*Hand. 6:2.

Hierdie gebeurtenis laat ons dink aan die belangrikheid van organisasie onder God se volk. Tot vandag toe word verantwoordelike manne gekies om as opsieners in die gemeente te dien. Die ouer manne gee noukeurige oorweging aan die skriftuurlike vereistes waaraan hierdie opsieners moet voldoen, en hulle bid vir die leiding van die heilige gees. Die gemeente beskou hulle dus as manne wat deur die heilige gees aangestel is. Wat ons betref, ons bly onderdanig en gehoorsaam aan hulle leiding en bevorder ’n gees van samewerking in die gemeente.—Heb. 13:17.

– bt hfst. 2 bl. 14-19 – Getuig (bt)

+

Nou het nie net Petrus en Johannes nie, maar al die apostels—insluitende die pas gekose Mattias—die geleentheid gehad om hulle posisie voor die hof bekend te maak (Handelinge 1:21-26).


***

Handelinge 1:15-26

15 En gedurende hierdie dae het Petrus in die midde van die broers opgestaan en gesê (die skare was altesaam omtrent honderd-en-twintig mense): 16 “Manne, broers, die Skrifgedeelte moes vervul word+ wat die heilige gees+ vooraf deur die mond van Dawid oor Judas+ gespreek het, wat ’n gids geword het vir dié wat Jesus gearresteer het,+ 17 want hy is onder ons gereken+ en het ’n aandeel in hierdie bediening verkry.+ 18 (Hierdie selfde man dan het ’n stuk grond+ met die loon vir onregverdigheid+ gekoop, en hy het vooroor geval+ en met ’n harde geluid binne-in oopgebars, en al sy ingewande is uitgestort. 19 Dit het ook aan al die inwoners van Jerusalem bekend geword, sodat daardie stuk grond in hulle taal Akelda′ma genoem is, dit is Bloedgrond.) 20 Want in die boek van die Psalms staan daar geskrywe: ‘Laat sy verblyfplek woes word, en laat daar geen bewoner daarin wees nie’,+ en: ‘Laat iemand anders sy opsienersamp neem.’+ 21 Dit is dus nodig dat van die manne wat saam met ons bymekaargekom het gedurende al die tyd waarin die Here Jesus onder ons in- en uitgegaan het,+ 22 vanaf sy doop deur Johannes+ en tot op die dag dat hy van ons af opgeneem is,+ dat een van hierdie manne saam met ons ’n getuie van sy opstanding moet word.”+

23 Toe het hulle twee voorgestel: Josef, wat Bar′sabbas genoem is, met die bynaam Justus, en Matti′as. 24 En hulle het gebid en gesê: “U, o Jehovah, wat die harte van almal ken,+ wys uit hierdie twee manne die een aan wat u gekies het 25 om die plek van hierdie bediening en apostelskap in te neem,+ waarvan Judas afgewyk het om na sy eie plek te gaan.” 26 Toe het hulle die lot oor hulle gewerp,+ en die lot het op Matti′as geval; en hy is saam met die elf+ apostels gereken.

Handelinge 6:2-6

2 Toe het die twaalf die menigte dissipels na hulle toe geroep en gesê: “Dit behaag ons nie om die woord van God te laat staan om voedsel aan tafels uit te deel nie.+
3 Daarom, broers, soek+ vir julle sewe manne van goeie getuienis onder julle uit, vol gees en wysheid,+ dat ons hulle oor hierdie nodige aangeleentheid kan aanstel; 4 maar ons sal ons aan gebed en aan die bediening van die woord wy.”+ 5 En die woord het by die hele menigte byval gevind, en hulle het Ste′fanus gekies, ’n man vol geloof en heilige gees,+ en Filippus+ en Pro′gorus en Nika′nor en Timon en Par′menas en Nikola′us, ’n proseliet van Antiogi′ë; 6 en hulle het hulle voor die apostels gestel, en dié het hulle, nadat hulle gebid het, die hande opgelê.+

Hebreërs 13:17

17 Wees gehoorsaam aan dié wat die leiding onder julle neem+ en wees onderdanig,+ want hulle waak oor julle siel as dié wat rekenskap sal gee;+ sodat hulle dit met vreugde kan doen en nie met ’n gesug nie, want dit sal vir julle skadelik wees.+

(Nuwe Wêreld-vertaling)

***

*

v 24: die harte van almal ken: (1 Samuel 16:7): 7 Maar Jehovah het vir Samuel gesê: “Moenie na sy voorkoms en na sy hoë gestalte kyk nie,+ want ek het hom verwerp. Want God sien nie soos die mens sien nie,+ want die mens sien wat vir die oë sigbaar is;+ maar Jehovah sien wat die hart+ is.”

(1 Kronieke 28:9): 9 “En jy, my seun Salomo, ken+ die God van jou vader en dien+ hom met ’n volkome hart+ en met ’n gewillige siel;+ want Jehovah deursoek alle harte,+ en hy onderskei elke neiging van die gedagtes.+ As jy hom soek, sal hy hom deur jou laat vind;+ maar as jy hom verlaat,+ sal hy jou vir ewig verstoot.+

(Jeremia 11:20):20 Maar Jehovah van die leërs oordeel met regverdigheid;+ hy ondersoek die niere en die hart.+ Laat my tog u wraak op hulle sien, want aan u het ek my regsaak geopenbaar.+

(Handelinge 15:8):  8 en God, wat die harte ken,+ het getuienis afgelê deur hulle die heilige gees te gee,+ net soos ook aan ons.

(Psalms 7:9): 9 Laat die slegtheid van die goddeloses tog asseblief tot ’n einde kom,+ En mag u die regverdige bevestig;+ En God, wat regverdig is,+ toets die hart+ en niere.+

(Spreuke 11:20): 20 Dié wat verdorwe van hart is, is vir Jehovah verfoeilik,+ maar in dié wat onberispelik in hulle weg is, het hy behae.+

(Jeremia 17:10):10 Ek, Jehovah, deursoek die hart,+ ondersoek die niere,+ ja, om aan elkeen te gee volgens sy weë,+ volgens die vrug van sy handelinge.+

(Jeremia 20:12):12 Maar u, o Jehovah van die leërs, ondersoek die regverdige;+ u sien die niere en die hart.+ Laat my u wraak op hulle sien,+ want aan u het ek my regsaak geopenbaar.+

(Openbaring 2:23):23 En haar kinders sal ek met dodelike plae doodmaak, sodat al die gemeentes sal weet dat dit ek is wat die niere en harte deursoek, en ek sal aan elkeen van julle gee volgens julle dade.+

v 25: apostelskap in te neem: (Johannes 6:70): 70 Jesus het hulle geantwoord: “Ek het julle twaalf uitgekies,+ nie waar nie? Tog is een van julle ’n lasteraar.”+

twaalf uitgekies ook “apostels” genoem: (Lukas 6:13):13 Maar toe dit dag word, het hy sy dissipels na hom toe geroep en twaalf van hulle uitgekies, wat hy ook “apostels” genoem het:+

(Johannes 15:16):16 Julle het my nie uitgekies nie, maar ek het julle uitgekies, en ek het julle aangestel om te gaan en aan te hou vrug dra+ en dat julle vrug moet bly; sodat wat julle die Vader ook al in my naam vra, hy dit vir julle sal gee.+

(Markus 3:14):14 En hy het ’n groep van twaalf gevorm, wat hy ook “apostels” genoem het, sodat hulle by hom kon bly en sodat hy hulle kon uitstuur om te preek+

v 26: (Spreuke 16:33): 33 In die skoot word die lot gewerp,+ maar elke beslissing daardeur kom van Jehovah.+

(Numeri 26:55): 55 Net deur die lot+ moet die land verdeel word. Volgens die name van die stamme van hulle vaders moet hulle ’n erfdeel ontvang.

(Josua 18:10): 10 en Josua het vir hulle in Silo voor Jehovah die lot gewerp.+ So het Josua daar die land aan die kinders van Israel volgens hulle dele verdeel.+

(Spreuke 18:18): 18 Die lot bring selfs twiste tot rus,+ en dit skei selfs die magtiges van mekaar.+

(Josua 14:2): 2 Hulle erfdeel is deur die lot toegewys,+ net soos Jehovah deur middel van Moses met betrekking tot die nege stamme en die halwe stam beveel het.+

(Nehemia 11:1): 11.1 En die vorste+ van die volk het in Jerusalem gewoon;+ maar wat die res van die volk betref, hulle het die lot gewerp+ om een uit elke tien in te bring om in die heilige stad+ Jerusalem te woon, en die nege ander dele in die ander stede.

(Spreuke 16:33): 33 In die skoot word die lot gewerp,+ maar elke beslissing daardeur kom van Jehovah.+

elke beslissing daardeur kom van Jehovah: (1 Samuel 14:41): 41 En Saul het vir Jehovah gesê: “O God van Israel, gee tog Tummim!”+ Toe is Jo′natan en Saul aangewys, en die manskappe het uitgegaan.+

die elf apostels: (Matteus 28:16): 16 Die elf dissipels het egter na Galile′a+ gegaan, na die berg waar Jesus met hulle afgespreek het,

+++

  • Intro to the Book of Acts and the choosing of Judas’ replacement (sundayschoolbiblestudy.wordpress.com)
    The Book of Acts was written by Dr. Luke, the same Dr. Luke that wrote the Gospel of Luke.
    +
    Guzik: “Even though we read nothing more of Matthias, we should not assume he was a “dud” as an apostle; except for Peter and John, none of the original twelve are mentioned again after Acts 1. Matthias was no more of a “dud” than Matthew or Andrew or Thomas or any of the others.”
  • The Act of the Apostles (shaoqueen2013.wordpress.com)
    And they appointed two, Joseph called Bar’sa-bas, who was surnamed  Justus, and Mat-thias.
  • Acts 1-3 (whatshotn.wordpress.com)
    The Acts of the Apostles in the King James Bible presents an extensive view of early church life and history. It’s focus is primarily on the acts of two apostles, Peter and Paul. It’s purpose is to show the continuation of works through the teachings of Jesus and the Holy Spirit in the establishment of the church. The author is the same as the author of Luke, with the Gospel of Luke and the Book of Acts forming a single, two-volume work. Luke wrote to convince Theophilus, probably a Gentile official, of the certainty of the Things of Jesus Christ that had been told to him. He also wrote to provide a unity between Christ’s works in the Gospels and the apostles’ labors after His ascension. And finally, Luke wrote to show the Roman world that Christianity is not a subversive political movement. Few biblical books are as misused as the Book of Acts, and some denominations have created distinctive and divisive teachings from their interpretations.
  • The Church’s Secret Weapon in Acts: Prayer (calebsermons.com)
    At least twenty-nine times we find the Christians praying in the book of Acts. Acts 1:14,24; 2:42; 3:1; 4:31; 6:4,6; 8:15,22,24; 9:11,40; 10:2,4,9,30,31; 10:1-2, 11:5; 12:5,12; 13:3; 14:23, 16:13,16,25; 20:36; 21:5; 22:17, 28:8. If you throw in “giving thanks” then the count is thirty (Acts 27:35). It’s hard to find a chapter where the church isn’t praying about something. But why? Why were they so prayerful? Even though they had the Holy Spirit in a miraculous measure, they still needed to pray to God. But why?
    +
    I don’t think it’s any coincidence at all that this prayer meeting led to Peter’s suggestion that they appoint an apostle to replace Judas, and out of that prayer meeting we get the apostle Matthias.

 

Verkiezing van Matthias

Betrayal, Great Shelford

Het veraad door Judas. – Betrayal, Great Shelford (Photo credit: TheRevSteve)

Judas Iskariot, de zoon van Simon en de beruchte apostel die Jezus verraden heeft. De bijbel verschaft weinig rechtstreekse inlichtingen over de familie en de achtergrond van Judas. Zowel hij als zijn vader werden Iskariot genoemd (Lu 6:16; Jo 6:71). Over het algemeen wordt aangenomen dat zij — gezien deze naam — uit de Judese stad Kerioth-Hezron afkomstig waren. Als dit zo is, dan was Judas onder de twaalf apostelen de enige Judeeër, terwijl alle anderen Galileeërs waren.

Judas wordt enige tijd na het Pascha in 31 G.T., ongeveer anderhalf jaar nadat Jezus met zijn bediening was begonnen, voor het eerst in de door de evangelieverslagen verschafte opsomming van de apostelen genoemd (Mr 3:19; Lu 6:16). Men mag logischerwijs aannemen dat Judas reeds enige tijd een discipel was voordat Jezus hem tot apostel aanstelde. Veel schrijvers schetsen een volledig negatief beeld van Judas, maar kennelijk was hij een tijdlang een discipel die in de ogen van God en van Jezus gunst had gevonden; alleen al zijn verkiezing als apostel getuigt hiervan. Bovendien werd hem het beheer van de gemeenschappelijke financiën van Jezus en de twaalf toevertrouwd. Hierdoor wordt te kennen gegeven dat hij destijds betrouwbaar en bekwaam was, want ofschoon Mattheüs ervaring op het gebied van geld en cijfers had, kreeg hij die toewijzing niet (Jo 12:6; Mt 10:3). Toch werd hij in- en inverdorven, waarvoor geen enkele verontschuldiging aan te voeren is. Ongetwijfeld om die reden wordt hij in de opsomming van de apostelen als laatste genoemd en als de Judas aangeduid „die hem later verraden heeft” en „die een verrader werd”. — Mt 10:4; Lu 6:16.

– it-1 blz. 1361-1365 – Inzicht, Deel 1

English: Saint Matthias, who replaced Judas Is...

Afbeelding van de Heilige Matthias, die ter vervanging van Judas Iskariot als apostel werd verkozen (Photo credit: Wikipedia)

***

Markus 3:16-19:

16 Tot de [groep van] twaalf nu die hij vormde, behoorden Si̱mon, die hij tevens de bijnaam Pe̱trus gaf,+ 17 en Jako̱bus, de [zoon] van Zebede̱üs, en Joha̱nnes, de broer van Jako̱bus+ (aan hen gaf hij ook de bijnaam Boane̱rges,* hetgeen Zonen van de donder betekent), 18 en Andre̱as en Fili̱ppus en Bartholome̱üs en Matthe̱üs en Tho̱mas en Jako̱bus, de [zoon] van Alfe̱üs, en Thadde̱üs en Si̱mon de Kananeeër 19 en Ju̱das Iska̱riot, die hem later verraden heeft.+

En hij ging een huis binnen.

Lukas 6:12-16: 12 In de loop van die dagen ging hij de berg op om te bidden,+ en hij bracht de gehele nacht door in gebed tot God.+ 13 Toen het echter dag werd, riep hij zijn discipelen bij zich en koos er twaalf van hen uit, aan wie hij tevens de naam „apostelen” gaf:+ 14 Si̱mon, aan wie hij ook de naam Pe̱trus gaf,+ en zijn broer Andre̱as, en Jako̱bus en Joha̱nnes,+ en Fili̱ppus+ en Bartholome̱üs, 15 en Matthe̱üs en Tho̱mas,+ en Jako̱bus, [de zoon] van Alfe̱üs, en Si̱mon, die „de ijveraar”* wordt genoemd,+ 16 en Ju̱das, [de zoon] van Jako̱bus, en Ju̱das Iska̱riot, die een verrader werd.+

Mattheüs 10:2-4:

  2 Dit zijn de namen van de twaalf apostelen:+ Als eerste, Si̱mon, die Pe̱trus* wordt genoemd,+ en zijn broer Andre̱as;+ en Jako̱bus, de [zoon] van Zebede̱üs,+ en zijn broer Joha̱nnes; 3 Fili̱ppus en Bartholome̱üs;*+ Tho̱mas+ en Matthe̱üs*+ de belastinginner; Jako̱bus, de [zoon] van Alfe̱üs,+ en Thadde̱üs;* 4 Si̱mon de Kananeeër+ en Ju̱das Iska̱riot, die hem later verraden heeft.+

Johannes 12:6;

6 Dit zei hij echter niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar omdat hij een dief was+ en de geldkist had+ en gewoon was het daarin gestorte geld weg te nemen.

Handelingen van de apostelen 1: 15- 26

15 In die dagen nu stond Pe̱trus te midden van de broeders op en zei (er was een schare van ongeveer honderd twintig personen bijeen*): 16 „Mannen, broeders, het schriftwoord moest vervuld worden+ dat de heilige geest+ bij monde van Da̱vid tevoren gesproken heeft over Ju̱das,+ die een gids is geworden van hen die Jezus gevangennamen,+ 17 want hij werd tot de onzen gerekend+ en kreeg een aandeel aan deze bediening.+ 18 (Deze nu heeft met het loon voor onrechtvaardigheid+ een veld gekocht,+ en met het hoofd voorover neergestort,*+ is hij met veel geluid midden opengebarsten, en al zijn ingewanden werden uitgestort. 19 Het werd ook bekend aan alle inwoners van Jeru̱zalem, zodat dat veld in hun taal Akeldama, dat wil zeggen Bloedveld, werd genoemd.) 20 Want er staat geschreven in het boek der Psalmen: ’Zijn verblijfplaats worde woest en er zij geen bewoner in’,+ en: ’Iemand anders neme zijn ambt van opzicht.’*+ 21 Daarom is het noodzakelijk dat van de mannen die met ons samenkwamen gedurende al de tijd dat de Heer Jezus onder ons in- en uitging,*+ 22 te beginnen bij zijn doop door Joha̱nnes+ en tot de dag waarop hij van ons werd opgenomen,+ een van deze mannen met ons een getuige wordt van zijn opstanding.”+

23 Derhalve stelden zij er twee voor zich: Jo̱zef, [ook] Ba̱rsabbas geheten, die de bijnaam Ju̱stus droeg, en Matthi̱as. 24 En zij baden en zeiden: „Gij, o Jehovah,* die het hart van allen kent,+ wijs degene aan die gij van deze twee hebt uitgekozen 25 om de plaats in te nemen van deze bediening en dit apostelschap,+ waarvan Ju̱das is afgeweken om naar zijn eigen plaats te gaan.” 26 Toen wierpen zij het lot+ over hen, en het lot viel op Matthi̱as; en hij werd met de elf+ apostelen gerekend.

(Nieuwe Wereld Vertaling)

***

*

 

Verzen 23-26

(Matthi̱as) [waarschijnlijk een verkorte vorm van het Hebr. Mattithjah, wat „Geschenk van Jehovah” betekent].

De discipel die door het lot werd aangewezen om Judas Iskariot als apostel te vervangen. Na Jezus’ hemelvaart vestigde Petrus er de aandacht op dat de psalmist David niet alleen Judas’ ontrouw had voorzegd (Ps 41:9), maar dat David ook geschreven had (Ps 109:8): „Iemand anders neme zijn ambt van opzicht”, en deed de ongeveer 120 bijeengekomen discipelen daarom het voorstel de opengevallen plaats door iemand anders te laten innemen. Jozef Barsabbas en Matthias werden ter verkiezing voorgedragen; na een gebed werd het lot geworpen, en Matthias werd gekozen. Aangezien dit slechts een paar dagen vóór de uitstorting van de heilige geest gebeurde, is dit het laatste in de bijbel opgetekende voorval waarbij men zich van het lot bediende om Jehovah’s beslissing in een aangelegenheid te weten te komen. — Han 1:15-26.

Volgens Petrus’ woorden (Han 1:21, 22) was Matthias gedurende de drie en een half jaar van Jezus’ bediening een volgeling van Christus geweest, was hij nauw verbonden geweest met de apostelen en behoorde hij zeer waarschijnlijk tot de zeventig discipelen of evangelisten die Jezus had uitgezonden om te prediken (Lu 10:1). Nadat hij was gekozen, werd hij door de gemeente „met de elf apostelen gerekend” (Han 1:26), en wanneer in het boek Handelingen onmiddellijk daarna sprake is van „de apostelen” of „de twaalf”, was Matthias daarbij inbegrepen. — Han 2:37, 43; 4:33, 36; 5:12, 29; 6:2, 6; 8:1, 14; 9:27; zie Paulus.

– it-2 blz. 274

+

Er bestaat geen reden eraan te twijfelen dat Matthias door God zelf werd uitgekozen. Het is waar dat Paulus na zijn bekering een zeer vooraanstaande plaats innam en veel meer arbeidde dan alle andere apostelen (1Kor 15:9, 10). Niets duidt er echter op dat Paulus persoonlijk voor het apostelschap voorbestemd was, zodat God het gebed van de bijeengekomen christenen in feite niet had verhoord, de onbezette post van Judas tot de bekering van Paulus had opengelaten en zo de aanstelling van Matthias tot louter een eigenmachtig optreden van de bijeengekomen christenen maakte. Integendeel, er zijn deugdelijke bewijzen dat Matthias door God als vervanger werd aangesteld.

Met Pinksteren kregen de apostelen door de uitstorting van de heilige geest unieke krachten; zij zijn de enigen van wie wordt gezegd dat zij pasgedoopte personen de handen konden opleggen en wonderbaarlijke gaven van de geest op hen konden overdragen. (Zie Apostel [De macht om wonderen te verrichten].) Als Matthias in werkelijkheid niet Gods keus was geweest, zou iedereen hebben gemerkt dat hij dat vermogen niet bezat. Het verslag laat echter het tegendeel zien. Lukas, de schrijver van Handelingen, was tijdens bepaalde etappen van Paulus’ zendingsactiviteit zijn reisgezel en medewerker, en het boek Handelingen weerspiegelt derhalve ongetwijfeld Paulus’ eigen kijk op de zaak en stemt daarmee overeen. Dat boek zegt dat „de twaalf” de zeven mannen aanstelden die het probleem in verband met de voedselverdeling moesten oplossen. Dit was na Pinksteren in 33 G.T., maar vóór Paulus’ bekering. Matthias wordt hier derhalve erkend als een van „de twaalf”, en samen met de andere apostelen legde hij de zeven uitgekozen mannen de handen op. — Han 6:1-6.

– it-2 blz. 577-583

+

Matthias was niet louter een apostel van de gemeente Jeruzalem, net zomin als de overige elf apostelen dat waren. Zijn geval ligt anders dan dat van de leviet Jozef Barnabas, die een apostel van de gemeente Antiochië (Syrië) werd (Han 13:1-4; 14:4, 14; 1Kor 9:4-6). Ook andere mannen worden „apostelen van gemeenten” genoemd in de zin dat zij als vertegenwoordigers van zulke gemeenten werden uitgezonden (2Kor 8:23). En in zijn brief aan de Filippenzen spreekt Paulus over Epafroditus als „uw afgezant [a·po′sto·lon] en persoonlijke dienaar om in mijn behoeften te voorzien” (Fil 2:25). Het is duidelijk dat deze mannen het apostelambt niet op grond van de een of andere apostolische successie bekleedden, en ook behoorden zij niet tot „de twaalf”, zoals Matthias.

– it-1 blz. 132-136

v 23: Jehovah: „Jehovah”; Hebr.: יהוה (JHWH of JHVH)

Er zijn bewijzen voor dat Jezus’ discipelen in hun geschriften het Tetragrammaton hebben gebruikt. Hiëronymus schreef in de 4de eeuw in zijn werk De viris inlustribus [Over beroemde mannen], hoofdstuk III, het volgende: „Mattheüs, die ook Levi is, en die van belastinginner apostel werd, stelde allereerst in Judea een Evangelie van Christus op in de Hebreeuwse taal en lettertekens ten behoeve van de besnedenen die gelovigen waren geworden. Wie het daarna in het Grieks heeft vertaald, staat niet voldoende vast. Bovendien is de Hebreeuwse [tekst] zelf tot op de huidige dag in de bibliotheek te Cesarea bewaard gebleven, die door de martelaar Pamphilus zo naarstig is bijeengebracht. Ook werd mij door de Nazarenen, die dit boekdeel in de Syrische stad Berea gebruiken, toestemming verleend om het over te schrijven.” (Vertaling uit de Latijnse tekst onder redactie van E. C. Richardson en uitgegeven in de serie „Texte und Untersuchungen zur Geschichte der altchristlichen Literatur”, Deel 14, Leipzig 1896, blz. 8, 9.)

Mattheüs deed meer dan honderd aanhalingen uit de geïnspireerde Hebreeuwse Geschriften. Op de plaatsen waar in deze aanhalingen de goddelijke naam stond, zal hij genoodzaakt zijn geweest getrouw het Tetragrammaton in zijn Hebreeuwse evangelieverslag op te nemen. Toen het Evangelie van Mattheüs in het Grieks werd vertaald, bleef het Tetragrammaton overeenkomstig het gebruik van die tijd onvertaald in de Griekse tekst staan.

Niet alleen Mattheüs maar alle schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften haalden verzen uit de Hebreeuwse tekst of uit de Septuaginta aan waarin de goddelijke naam voorkomt. In Petrus’ toespraak in Han 3:22 bijvoorbeeld wordt een aanhaling gedaan uit De 18:15, waar het Tetragrammaton in een papyrusfragment van de Septuaginta uit de 1ste eeuw v.G.T. voorkomt. (Zie App. 1C [1].) Als volgeling van Christus gebruikte Petrus Gods naam, Jehovah. Toen Petrus’ toespraak op schrift werd gesteld, werd zoals dat in de 1ste eeuw v.G.T. en de 1ste eeuw G.T. de gewoonte was, het Tetragrammaton op die plaats gebruikt.

Ergens tijdens de 2de of 3de eeuw G.T. verwijderden de afschrijvers het Tetragrammaton zowel uit de Septuaginta als uit de christelijke Griekse Geschriften en vervingen het door Ku′ri·os, „Heer”, of The′os, „God”.

v 24: die het hart van allen kent: (1 Samuël 16:7):7 Maar Jehovah zei tot Sa̱muël: „Kijk niet naar zijn uiterlijk en naar zijn rijzige gestalte,+ want ik heb hem verworpen. Want [God ziet*] niet zoals de mens ziet,+ want de méns ziet datgene wat zichtbaar is voor de ogen;*+ maar wat Jehovah aangaat, hij ziet hoe het hart+ is.”*

(1 Kronieken 28:9): 9 En gij, mijn zoon Sa̱lomo, ken+ de God van uw vader en dien+ hem met een onverdeeld hart+ en met een bereidwillige ziel;+ want Jehovah doorzoekt alle harten,+ en elke neiging van de gedachten onderscheidt hij.+ Indien gij hem zoekt, zal hij zich door u laten vinden;+ maar indien gij hem verlaat,+ zal hij u voor eeuwig verstoten.+

(Jeremia 11:20)20 Maar Jehovah der legerscharen oordeelt met rechtvaardigheid;+ hij onderzoekt de nieren* en het hart.+ O moge ik uw wraak op hen zien, want aan u heb ik mijn rechtsgeding onthuld.+
(Handelingen 15:8): 8 en God, die het hart kent,+ heeft getuigenis afgelegd door hun de heilige geest te geven,+ evenals hij die ook aan ons heeft gegeven.
v 25: apostelschap: (Johannes 6:70): 70 Jezus antwoordde hun: „Heb ik niet U twaalf uitgekozen?+ Toch is een van U een lasteraar.”*+

(Lukas 6:13): 13 Toen het echter dag werd, riep hij zijn discipelen bij zich en koos er twaalf van hen uit, aan wie hij tevens de naam „apostelen” gaf:+

(Johannes 15:16): 16 GIJ hebt mij niet uitgekozen, maar ik heb U uitgekozen, en ik heb U gesteld opdat GIJ zoudt heengaan en vrucht zoudt blijven dragen+ en dat UW vrucht zou blijven, opdat wat GIJ de Vader ook vraagt in mijn naam, hij het U zou geven.+

v 26: Toen wierpen zij het lot: (Spreuken 16:33) 33 In de schoot wordt het lot neergeworpen,+ maar elke beslissing daardoor is van Jehovah afkomstig.+

+

Vergelijk:

The Acts Of The Sent Ones Chapter 1

Hebraic Roots Bible Book of The Acts of the Apostles Chapter 1

Nazarene Acts of the Apostles Chapter 1 v23-26 Choice of Matthias

Afrikaans: Matti′as is gekies als een van “die twaalf”

Deutsch: Da warfen sie Lose und das Los fiel auf Matthias

English: Election of the Apostle Matthias

++

Lees ook:

  1. Aleph als beginletter voor titels van God
  2. God over zijn Naam יהוה
  3. Belangrijkheid van Gods Naam
  4. Een Naam voor een God #6 Hoeveel Lettergrepen: YaHuWah, Yahweh, Jahwe of Jehovah
  5. Een Naam voor een God #7 Jahwe(h) niet Hebreeuws: YaHuWah, Yahweh, Jahwe of Jehovah
  6. Een Naam voor een God #8 Vergeten of weigeren: YaHuWah, Yahweh, Jahwe of Jehovah
  7. Een Naam voor een God #9 Vals geloof gevoed door vrees: YaHuWah, Yahweh, Jahwe of Jehovah
  8. Positie en macht
  9. Zalving van Christus als profetische repetitie van de begrafenisrituelen
  10. apostel die Judas verving: bt 19; it-1 134-135; it-2 274, 582-583; w93 1/8 31; w90 1/6 11
  11. een van „de twaalf” (1Kor 15:5): it-1 134-135; w93 1/8 31; w88 15/1 30
  12. naam op fundamentsteen van Nieuwe Jeruzalem: it-1 135; it-2 583

+++

Related articles
  • The Holy Spirit-Empowered Apostles (yourgodmoments.wordpress.com)
    It is here that Jesus completes His gospels through the Holy Spirit by filling His disciples hearts with the remainder of the knowledge that He wants all of God’s children to know in order to pursue a path of righteousness and a life filled with God moments…
    +
    This ‘church’ gathered to pray, and then the apostle Peter addressed the gathering. He told them that Judas Iscariot’s betrayal of Jesus was a fulfilled prophecy, (Ps. 69:25), and that there was also written prophecy that mandated that the vacancy left by the death of Judas’ be filled by the appointment of a new apostle from the church. (Ps. 109:8)
  • Commemoration of the Apostle Matthias, Martyred in Colchis, and Apostolic Succession (georgianorthodoxchurch.wordpress.com)
    The elevation of Matthias from the Seventy to the Twelve Apostles is interesting, as it is one of the first written accounts of Apostolic Succession,.
    +
    Orthodox Christians believe in Apostolic Succession; tracing a direct line of apostolic ordination, Orthodox doctrine, and full communion of Orthodox jurisdictions from the Twelve Apostles to the current Episcopacy of the Orthodox Church. All three elements are integral to apostolic succession. It is through apostolic succession that the Church is the direct spiritual successor to the original body of believers in Christ as the Son of God, composed of the Apostles. This succession manifests itself through the unbroken succession of its bishops back to the Apostles.
  • Intro to the Book of Acts and the choosing of Judas’ replacement (sundayschoolbiblestudy.wordpress.com)
    Peter feels called to stand up and make the case that they now should allow God to choose a successor to Judas Iscariot. Notice that this is the first time in the Bible that we see Peter quote Scripture. He is now relying on the Word of God to steer him through ministry just like Jesus had demonstrated through His earthly ministry and had taught them to do.
  • Wait Upon The Lord (rootstothestream.net)
    21 Therefore it is necessary to choose one of the men who have been with us the whole time the Lord Jesus was living among us, 22 beginning from Johns baptism to the time when Jesus was taken up from us. For one of these must become a witness with us of his resurrection.
    +
    I need to remember that without the direction of the Lord my actions are simply that, my own actions, and not directed (or blessed) by Christ. It is when with grace given patience that I wait upon the direction of the Lord that His will is truly done. Consider if there are any aspects of your life that may be best served with simply waiting on the direction of the Lord.
  • Acts 1 (sisterspray4me.com)
    23 So they nominated two men: Joseph called Barsabbas (also known as Justus) and Matthias. 24 Then they all prayed, “O Lord, you know every heart. Show us which of these men you have chosen 25 as an apostle to replace Judas in this ministry, for he has deserted us and gone where he belongs.” 26 Then they cast lots, and Matthias was selected to become an apostle with the other eleven.
  • Lying to the Holy Spirit and the Apostles on Trial (Round 2) (sundayschoolbiblestudy.wordpress.com)
    God, who knows the heart, showed that he accepted them by giving the Holy Spirit to them, just as he did to us.
    Even better, God’s Holy Spirit intercedes for us.
  • The End of Judas Iscariot (defenderoftruthblog.wordpress.com)
    We see in the tragic end of Judas plain proof of our Lord’s innocence from every charge against Him. In verse 4, Judas declared that he had betrayed “innocent blood.” If there was any living witness who could give evidence against Jesus Christ, Judas was the one. A chosen apostle of Jesus, a constant companion of His followers, and a disciple of all His teachings, both in public and in private, Judas would have known if Christ had done any wrong, either in word or in deed. And as a deserter and betrayer, it would have been in Judas’s own interest to prove Jesus guilty because it would, to some extent, excuse his own conduct if he could show that his Master was an offender or an impostor.
    +
    We see in the unhappy end of Judas how little comfort ungodliness brings to a man at last. In verse 5, we are told that he cast down in the temple the thirty pieces of silver for which he had sold his Master and went away in remorse. That money was dearly earned, at the price of his soul, but it brought him no pleasure even when he had it, let alone when the end came. Moses had learned that the pleasures of sin are but “for a season” (Hebrews 11:25).
    +
    An apostle of Christ, a preacher of the gospel, and a companion of Peter and John, Judas committed suicide and rushed into God’s presence unprepared. Truly, “For everyone that hath shall be given, and he shall have in abundance; but from him that hath not shall be taken away even that which he hath” (Matthew 25:29-30).
  • Monday, August 12 (illustrationstoencourage.wordpress.com)
    Judas received 30 pieces of silver—the price of a slave! Judas never spent his ill-gotten sum, for he threw the money into the temple and went off and committed suicide.—Matt. 26:14-16; 27:3-10.
  • Day 76- don’t be such a Judas! (baldvicar.wordpress.com)
    when we use the word ‘Judas’ to describe someone betraying us, do we have a clue what it means? These are just some of the ideas I have in my head about Judas…
  • Judas: The Last Supper (utbobdylan.wordpress.com)
    Judas I guess was jealous so he betrayed Jesus for some silver.

Voor de Wil van Hem die groter is dan Jezus

File:Berruguete-Pedro-Gethsemane.jpg

Jezus in de tuin van Getsemane – circa 1500, Pedro Berruguete (1450–1504)

 


“14 En toen de ure kwam, zette hij zich neder, en de twaalf apostelen met hem. 15 En hij zeide tot hen: Ik heb hartelijk verlangd dit Pascha met u te eten, voordat ik lijde; 16 want ik zeg u, dat ik voortaan niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld wordt in het rijk Gods. 17 En hij nam den kelk, dankte, en zeide: Neemt dien en deelt hem onder u; 18 want ik zeg u, dat ik niet drinken zal van het gewas des wijnstoks, totdat het rijk Gods komt. 19 En hij nam het brood, dankte, brak het, en gaf het hun, en zeide: Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt: doet dat tot mijne gedachtenis. 20 Desgelijks [nam hij] na het avondmaal, ook den kelk, en zeide: Deze kelk is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.” (Lukas 22:14-20 LU)

“6  Dit nu is ons tot een voorbeeld geschied, opdat wij geen lust zouden hebben tot het kwade, gelijk zij er lust toe hadden. 7 Wordt ook geen afgodsdienaars, gelijk sommigen van hen geworden zijn; gelijk er geschreven staat: “Het volk zat neder om te eten en te drinken, en stond op om te spelen”. 8 Laat ons ook geen hoererij bedrijven, gelijk sommigen van hen hoererij bedreven, en er vielen op één dag drie en twintig duizend. 9 En laat ons ook Christus niet verzoeken, gelijk sommigen van hen hem verzochten, en werden door de slangen omgebracht. 10 Murmureert ook niet, gelijk sommigen van hen murmureerden, en werden omgebracht door den verderver. 11 Al deze dingen zijn hun overkomen tot voorbeelden, en het is geschreven ons tot waarschuwing, tot wie het einde der wereld gekomen is.” (1 Corinthiërs 10:6-11 LU)

“31 Zie, de tijd komt, spreekt de Heer, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken: 32 niet gelijk het verbond geweest is, dat Ik met hunne vaderen gemaakt heb, toen Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te voeren, welk verbond zij niet gehouden hebben, waarom Ik hen dwingen moest, spreekt de Heer; 33 maar dit zal het verbond zijn, hetwelk Ik met het huis van Israël maken zal na dezen tijd, spreekt de Heer: Ik zal mijn wet in hun hart geven en in hun binnenste schrijven, en zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn; 34 en zij zullen niet meer de een den ander noch de ene broeder den anderen vermanen, zeggende: Erken den Heer; maar zij zullen mij allen kennen, beiden klein en groot, spreekt de Heer, want Ik zal hun hunne misdaad vergeven en hunne zonde nooit meer gedenken. 35  Dus spreekt de Heer, die de zon tot een licht geeft des daags, en de maan en de sterren naar haren loop tot een licht des nachts; die de zee beweegt, dat hare golven woeden, Heer Zebaôth is zijn naam: 36 Indien deze ordeningen zullen ophouden voor mijn aangezicht, spreekt de Heer, zo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk meer zal zijn voor mijn aangezicht eeuwiglijk.” (Jeremia 31:31-36 LU)

“15  En daarom is hij ook de Middelaar des nieuwen verbonds, opdat, nu zijn dood geschied is tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, degenen, die geroepen zijn, de beloofde eeuwige erfenis ontvangen zouden. 16 Want waar een testament is, daar moet de dood bewezen worden desgenen, die het testament maakte; 17 want een testament wordt vast door den dood, daar het nog geen kracht heeft, wanneer diegene nog leeft, die het gemaakt heeft. 18 Daarom is ook het eerste verbond niet zonder bloed ingewijd. 19 Want toen Mozes alle geboden naar de Wet aan al het volk verkondigd had, nam hij het bloed der kalveren en der bokken, met water en purperen wol en hysop, en besprengde het boek en al het volk, 20 zeggende: “Dit is het bloed des verbonds, hetwelk God u geboden heeft”. 21 En ook de Tabernakel en al het gereedschap van den eredienst besprengde hij desgelijks met bloed. 22 En bijna alle dingen worden met bloed gereinigd naar de Wet, en zonder bloedvergieten geschiedt geen vergeving. 23  Zo moesten nu de voorbeelden der hemelse dingen daarmede gereinigd worden; maar de hemelse dingen zelve moeten betere offers hebben dan gene. 24 Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat een tegenbeeld is van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons. 25 En dit niet, opdat hij zichzelven dikwijls zou offeren, gelijk de hogepriester alle jaren in het heiligdom gaat met vreemd bloed; 26 anders had hij dikwijls moeten lijden van het begin der wereld af; maar nu is hij bij de voleinding der eeuwen éénmaal verschenen, om door zijn eigen offer de zonde te niet te doen. 27 En gelijk het den mensen gezet is éénmaal te sterven, 28 en daarna het oordeel, alzo zal ook Christus, na éénmaal geofferd te zijn om veler zonden weg te nemen, ten tweeden male zonder zonde tot zaligheid verschijnen aan degenen, die op hem wachten.” (Hebreeën 9:15-28 LU)

“1  Want de Wet, die slechts ene schaduw der toekomende goederen heeft, niet het wezen der zaken zelve, kan met dezelfde offers, die men jaar op jaar brengt, nimmer volkomen maken degenen, die daar toetreden; 2 anders had het offeren opgehouden, indien degenen, die den dienst verrichten, geen zonden meer op hun geweten hadden, als zij éénmaal gereinigd zijn. 3 Maar daardoor geschiedt alle jaren ene gedachtenis der zonden. 4 Want het is onmogelijk door het bloed der stieren en der bokken de zonde weg te nemen. 5 Daarom, als hij in de wereld komt, zegt hij: “Offers en gaven hebt Gij niet gewild, maar het lichaam hebt Gij mij toebereid; 6 brandoffers en zondoffers behagen U niet. 7  Toen sprak ik: Zie, ik kom—in de boekrol staat van mij geschreven—om uwen wil, o God! te doen”. 8 Nadat hij eerst gezegd had: “Offers en gave, brandoffers en zondoffers hebt Gij niet gewild, zij behagen U ook niet”—die toch naar de wet geofferd worden, 9 sprak hij daarna: “Zie, ik kom om uwen wil, o God! te doen”. Hij neemt het eerste weg, opdat hij het andere zou instellen. 10 En in dien wil zijn wij geheiligd door het offer des lichaams van Jezus Christus, éénmaal gebracht.” (Hebreeën 10:1-10 LU)

“39  En hij ging naar zijne gewoonte, uit naar den Olijfberg; en zijne jongeren volgden hem. 40 En toen hij aan die plaats gekomen was, zeide hij tot hen: Bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. 41 En hij scheidde zich van hen af, omtrent een steenworp, en knielde neder, en bad, 42 en zeide: Vader, wilt gij, zo neem dezen kelk van mij: doch niet mijn, maar uw wil geschiede. 43 En hem verscheen een Engel van den hemel, die hem sterkte. 44 En in doodsangst zijnde, bad hij vuriger. En zijn zweet werd als druppelen bloeds, die op de aarde vielen.” (Lukas 22:39-44 LU)

“34 en zeide tot hen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; vertoeft hier en waakt. 35 En hij ging een weinig verder, viel op de aarde en bad, dat, zo het mogelijk ware, die ure mocht voorbijgaan, 36 en zeide: Abba, mijn Vader! u is alles mogelijk. Neem dezen kelk van mij; doch niet wat ik wil, maar wat Gij wilt.” (Markus 14:34-36 LU)

“29 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is Gods werk, dat gij in dengene gelooft, dien Hij gezonden heeft. 30 Toen zeiden zij tot hem: Wat teken doet gij dan, opdat wij het zien en u geloven? Wat werkt gij? 31 Onze vaderen hebben manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven staat: “Hij gaf hun brood van den hemel te eten.” 32 Toen zeide Jezus tot hen: Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Mozes heeft u geen brood van den hemel gegeven, maar mijn Vader geeft u het ware brood van den hemel; 33 want het brood Gods is dat, hetwelk uit den hemel komt en der wereld het leven geeft. 34 Toen zeiden zij tot hem: Heer, geef ons altijd zulk brood. 35 En Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot mij komt, dien zal niet hongeren; en wie in mij gelooft, dien zal nimmermeer dorsten. 36 Maar ik heb u gezegd, dat gij mij gezien hebt, en gij gelooft toch niet. 37 Al wat mijn Vader mij geeft, dat komt tot mij; en wie tot mij komt, dien zal ik niet uitstoten. 38 Want ik ben van den hemel gekomen, niet opdat ik mijnen wil zou doen, maar den wil desgenen, die mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil des Vaders, die mij gezonden heeft, dat ik niets verlieze van al wat Hij mij gegeven heeft, maar dat ik het opwekke ten jongsten dage. 40 En dit is de wil desgenen die mij gezonden heeft, dat ieder, die den Zoon ziet en in hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en ik zal hem opwekken ten jongsten dage.” (Johannes 6:29-40 LU)

“7 En hij heeft in de dagen zijns vleses gebeden en smeekingen met een sterk geroep en tranen geofferd aan dengene, die hem uit den dood kon uithelpen, en is ook verhoord, omdat hij God in ere hield. 8 En hoewel hij Gods Zoon was, zo heeft hij nochtans uit hetgeen hij leed gehoorzaamheid geleerd; 9 en volkomen geworden, is hij allen, die hem gehoorzaam zijn, ene oorzaak van eeuwige zaligheid geworden, 10  en is door God genoemd een hogepriester naar de ordening van Melchizédek.” (Hebreeën 5:7-10 LU)

“8 en in het gelaat als een mens bevonden; hij vernederde zichzelven en werd gehoorzaam tot den dood, ja, tot den dood aan het kruis. 9 Daarom heeft God hem ook uitermate verhoogd, en hem een naam gegeven, die boven alle namen is, 10 opdat in den naam van Jezus zich buigen zullen alle knieën dergenen, die in den hemel en op de aarde en onder de aarde zijn, 11 en alle tongen bekennen zullen, dat Jezus Christus de Heer is, ter ere Gods des Vaders.” (Filippenzen 2:8-11 LU)

“25 Voorwaar, voorwaar ik zeg u: De ure komt en is nu reeds, dat de doden de stem van den Zoon Gods zullen horen, en wie haar horen zullen, zullen leven; 26 want gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, alzo heeft Hij aan den Zoon gegeven, het leven te hebben in zichzelven, 27 en heeft hem macht gegeven zelf het oordeel te houden, omdat hij des Mensen Zoon is. 28 Verwondert u niet daarover; want de ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, zijne stem zullen horen, 29 en zullen uitgaan, zij die goed gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die kwaad gedaan hebben, tot de opstanding des oordeels. 30 Ik kan van mijzelven niets doen. Gelijk ik hoor, zo oordeel ik, en mijn oordeel is recht, want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders, die mij gezonden heeft. 31  Indien ik van mijzelven getuig, zo is mijne getuigenis niet waar. 32 Een ander is er, die van mij getuigt, en ik weet, dat de getuigenis waar is, welke Hij van mij getuigt.” (Johannes 5:25-32 LU)

“28  Gij hebt gehoord, dat ik tot u gezegd heb: Ik ga heen en kom weder tot u. Hadt gij mij lief, zo zoudt gij u verblijden, omdat ik gezegd heb: Ik ga tot den Vader; want de Vader is groter dan ik. 29 En nu heb ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat, als het geschieden zal, gij gelooft. 30 Ik zal voortaan niet veel meer met u spreken; want de vorst dezer wereld komt, en heeft niets aan mij. 31 Maar opdat de wereld erkenne, dat ik den Vader liefheb, en alzo doe, gelijk de Vader mij geboden heeft: staat op, en laat ons van hier gaan.” (Johannes 14:28-31 LU)

“1  Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijngaardenier. 2 Elke rank aan mij, die geen vrucht draagt, zal hij wegnemen; en elke die vrucht draagt, zal hij reinigen, opdat zij meer vrucht drage. 3 Gij zijt nu rein vanwege het woord, dat ik tot u gesproken heb. 4 Blijft in mij, en ik in u. Gelijk de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, indien zij niet aan den wijnstok blijft, alzo ook gij niet, zo gij in mij niet blijft. 5 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen.” (Johannes 15:1-5 LU)

“9  Gelijk de Vader mij liefheeft, zo heb ik ook u lief. Blijft in mijne liefde. 10 Indien gij mijne geboden onderhoudt, zo blijft gij in mijne liefde, gelijk ik de geboden mijns Vaders onderhoud en blijf ik zijne liefde. 11 Dit spreek ik tot u, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap volkomen worde. 12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u liefheb. 13 Niemand heeft groter liefde dan die zijn leven laat voor zijne vrienden. 14 Gij zijt mijne vrienden, zo gij doet hetgeen ik u gebied 15 Ik noem u niet meer knechten, want de knecht weet niet wat zijn heer doet, maar ik heb u vrienden genoemd, want al wat ik van mijnen Vader gehoord heb, heb ik u bekend gemaakt. 16 Gij hebt mij niet verkoren, maar ik heb u verkoren, en ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en uwe vrucht blijve; opdat al wat gij van den Vader bidden zult in mijnen naam, Hij u dat geve.” (Johannes 15:9-16 LU)

“45 En hij stond op van het gebed, en kwam tot zijne jongeren, en vond hen slapende van treurigheid; en hij zeide tot hen: 46 Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt. 47  En terwijl hij nog sprak, ziedaar de bende; en een van de twaalve, genaamd Judas, ging voor hen uit, en trad tot Jezus om hem te kussen. 48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij des Mensen Zoon met een kus? 49 Toen nu zij, die bij hem waren, zagen wat het worden zou, zeiden zij tot hem: Heer, zullen wij met het zwaard er onder slaan? 50 En een van hen sloeg des Hogepriesters knecht en hieuw hem het rechteroor af. 51 Maar Jezus antwoordde en zeide: Laat hen toch tot zover begaan! En hij raakte zijn oor aan en heelde hem. 52 En Jezus zeide tot de Hogepriesters en de hoofdlieden des tempels en de Oudsten die tegen hem gekomen waren: Gij zijt uitgegaan als tot een moordenaar met zwaarden en met stokken; 53 ik ben dagelijks bij u geweest in den tempel, en gij hebt geen hand aan mij geslagen; maar dit is uwe ure, en de macht der duisternis.” (Lukas 22:45-53 LU)

“En Ik zal vijandschap stellen tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad: dat zal u den kop vertreden, en gij zult het in de verzenen steken.” (Genesis 3:15 LU)

“13 De God van Abraham en van Isaäk en van Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijnen knecht Jezus verheerlijkt, dien gij hebt overgeleverd en verloochend voor Pilatus, toen deze oordeelde hem los te laten. 14 Maar gij hebt den heilige en rechtvaardige verloochend, en geeist, dat men u den moordenaar schenken zou; 15 maar den vorst des levens hebt gij gedood, dien God heeft opgewekt van de doden, waarvan wij getuigen zijn. 16 En door het geloof in zijnen naam heeft hij zijnen naam bevestigd aan dezen, dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door hem is, heeft hem deze gezondheid gegeven voor uw aller ogen. 17 En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk ook uwe oversten; 18 maar God heeft alzo vervuld hetgeen Hij door den mond van al zijne profeten te voren verkondigd heeft, dat de Christus lijden zou.” (Handelingen 3:13-18 LU)

“29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den mensen. 30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, dien gij gedood hebt, en gehangen aan het hout; 31 dezen heeft God door zijne rechterhand verhoogd tot een Vorst en Heiland, om Israël boete en vergeving der zonden te geven. 32 En wij zijn getuigen van deze dingen, en ook de Heilige Geest, welken God gegeven heeft dengenen die hem gehoorzaam zijn.” (Handelingen 5:29-32 LU)

“3 hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zulk ene zaligheid geen acht geven? die, nadat zij eerst gepredikt is door den Heer, onder ons bevestigd is geworden door degenen, die hem gehoord hebben; 4 en God heeft medegetuigenis gegeven door tekenen en wonderen en menigerlei krachten, en met uitdelingen des Heiligen Geestes naar zijnen wil.
5  Want Hij heeft de toekomende wereld, van welke wij spreken, den Engelen niet onderdanig gemaakt. 6 Maar iemand betuigt ergens, zeggende: “Wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt, en des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt! 7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met eer en heerlijkheid hebt Gij hem gekroond, en hebt hem gesteld over de werken uwer handen; 8 alles hebt Gij onder zijne voeten onderworpen”. Want daarin, dat Hij hem alles onderdanig gemaakt heeft, heeft Hij niets overgelaten, dat hem niet onderdanig gemaakt is; maar nu zien wij nog niet, dat hem alles onderdanig gemaakt is. 9 Maar hem, die een weinig minder gemaakt is dan de Engelen, namelijk Jezus, zien wij door het lijden des doods gekroond met eer en heerlijkheid, opdat hij door Gods genade voor allen den dood zou smaken.
10  Want het betaamde Hem, om wiens wil alle dingen zijn en door wien alle dingen zijn, dewijl Hij vele kinderen tot de heerlijkheid heeft geleid, den bewerker hunner zaligheid door lijden volkomen te maken. 11 Want èn die heiligt, èn die geheiligd worden zijn allen uit éénen; waarom hij zich ook niet schaamt hen broeders te noemen, 12 zeggende: “lk zal uwen naam mijnen broederen verkondigen, en midden in de gemeente zal ik U lofzingen; 13 en wederom: “lk wil mijn vertrouwen op Hem stellen”; en wederom: “Ziehier, ik en de kinderen, die God mij gegeven heeft”.” (Hebreeën 2:3-13 LU)

*

Voorgaande: Op de eerste dag voor matzah

Dienstknecht voor velen terwille van de waarheid van God

De Gezalfde en de eerste dag van de feestperiode van Ongezuurde Broden

Duitse versie / Deutsch: Für den Willen dessen, der größer ist als Jesus

Engelse versie / English version: For the Will of Him who is greater than Jesus

Franse versie / Version Française: Pour la Volonté de Celui qui est plus grand que Jésus

++

Vindt ook om te lezen rond het Laatste Avondmaal:
In het Nederlands:
  1. De Gezalfde en de eerste dag van de feestperiode van Ongezuurde Broden
  2. Voorbereidingstijd tot een herinneringsmoment
  3. Zalving van Christus als profetische repetitie van de begrafenisrituelen
  4. 1 -15 Nisan
  5. 14 Nisan, de avond om Christus Zijn predikingswerk te herinneren
  6. 14 Nisan een dag om te herinneren #1 Oorsprong
  7. 14 Nisan een dag om te herinneren #2 In Jezus tijd
  8. 14 Nisan een dag om te herinneren #3 Voor het Overgangsfeest
  9. 14 Nisan een dag om te herinneren #4 Een Gedood Lam
  10. 14 Nisan een dag om te herinneren #5 De te vieren dag
  11. Jezus Laatste Avondmaal
  12. Jezus aanbod op het laatste avondmaal
  13. Teken van het Verbond
  14. Jezus moest sterven
  15. Een Messias om te Sterven
  16. Lam van God #3c Christus stierf als onschuldig Lam NT teksten
  17. Een Groots Geschenk om te herinneren
  18. Een Feestmaal en doodsherinnering
  19. Geen Wegvluchter
  20. Slavernij, Ongedesemd Brood en Feesten

+++

 

  • Hebrews 8…A Heavenly Priesthood (simplyjuliana.com)
    We have this kind of high priest, who sat down at the right hand of the throne of the Majesty in the heavens, a minister of the sanctuary and the true tabernacle that was set up by the Lord and not man.
  • The Lord is our Salvation (bscribes.wordpress.com)
    Going through the Old Testament I came to understand the word save, or rescue. I came to understand this word through the light of Isaiah 54. Isaiah 54 speaks of a future event to be played out when God redeem his people, an event Jesus fulfilled at his appearance. The prophecy is not yet complete, but for that which Jesus has already fulfilled. What is yet to be fulfilled, is a few verse: Isaiah 15, and 17.
  • Different from all other nights (joaninordinarytime.wordpress.com)
    There are several cues during the Evening Mass on Holy Thursday that tell you something is different tonight.
    +
    It was a memorial they celebrated for 30+ years of their lives, and suddenly Jesus was doing something different.
    +
    The Hebrew understanding of remembering, memorial – zikaron – was not a passive remembering of a past event.  It was a participation in that event.  The past event was being made present for you, so that you too could share in the Passover, the redemption of the first born.
  • Covenant (part 1) (judysdiamondyear.com)
    Theologians have seen this as the first promise of a Redeemer for fallen mankind.
  • Remembering the Betrothal of Christ (tamimyer.wordpress.com)
    The night before He died for her, Christ was thinking of His bride. When He knelt to wash His disciples’ feet, He was the Bridegroom washing His bride to make her radiant. In the strength of humility, He ministered to the needs of His bride.
    +
    Each time that we “drink this cup,” we are not only remembering His sacrifice for us; we are also renewing our vows to Him.
  • Justin Martyr: The Dialogue with Trypho – Chapter XI. – The Law Abrogated (restart.typepad.com)
    “There will be no other God, O Trypho, nor was there from eternity any other existing” (I thus addressed him), “but He who made and disposed all this universe. Nor do we think that there is one God for us, another for you, but that He alone is God who led your fathers out from Egypt with a strong hand and a high arm. Nor have we trusted in any other (for there is no other), but in Him in whom you also have trusted, the God of Abraham, and of Isaac, and of Jacob.”
  • The Jewish Roots of Palm Sunday and the Passion (thesacredpage.com)
    With the Palm Sunday readings, the Church ushers us into the climax of the liturgical year in the celebration of Holy Week. This is the last Sunday feast before the beginning of the Triduum, which will climax in the celebration of Easter (Latin Pascha), what the Catechism calls the “feast of feasts” (CCC 1169).
  • Holy Thursday (johnmsfs.wordpress.com)
    Have you ever noticed that in Leonardo da Vinci’s painting of the Last Supper everybody is on one side of the table? The other side is empty. “Why’s that?” someone asked the great artist. His answer was simple. “So that there may be plenty of room for us to join them.” Want to let Jesus do his thing on earth through you? Then pull up a chair and receive him into your heart.
  • To Gethsemane (nebraskaenergyobserver.wordpress.com)
    We don’t get much of a sense of the daily life of Jesus as He and His disciples tramped the roads of Judea, but the Gospel narratives give us some insight. They settled down for the night in Gethsemane. They’d had a good evening, and only one person at that supper knew why Judas had left early. We get a sense of companionship, and we can grasp something of the feeling of love which Jesus inspired in those close to Him.
    jesus-in-gethsemane
  • Good Friday (hyattractions.wordpress.com)
    Good Friday is a religious holiday observed primarily by Christians commemorating the crucifixion of Jesus Christ and his death at Calvary. The holiday is observed during Holy Week as part of the Paschal Triduum on the Friday preceding Easter Sunday, and may coincide with the Jewish observance of Passover. It is also known as Holy Friday, Great Friday, Black Friday, or Easter Friday, though the latter properly refers to the Friday in Easter week.

    Based on the details of the Canonical gospels, the Crucifixion of Jesus was most likely to have been on a Friday (John 19:42). The estimated year of the Crucifixion is AD 33, by two different groups, and originally as AD 34 by Isaac Newton via the differences between the Biblical and Julian calendars and the crescent of the moon. A third method, using a completely different astronomical approach based on a lunar Crucifixion darkness and eclipse model (consistent with Apostle Peter‘s reference to a “moon of blood” in Acts 2:20), points to Friday, 3 April AD 33.

Tag Cloud

undercoverjw

I go undercover in the Jehovah's Witness Church

Jehovah's Zsion, Zion and Sion Mom Signal for the Peoples!

Thy Empire and Kingdom Zsion Come as In Heavens So on Earth. Diatheke. Matthew.6.10, Tanakh.Psalm.87 and https://zsion.mom

johnsweatjrblog

Doxology rooted in Theology: Nothing more, Nothing less

jamesgray2

A discussion of interesting books from my current stock A WordPress.com site

Unmasking anti Jehovah sites and people

Showing the only One True God and the Way to That God

The Eccentric Fundamentalist

Musings on theology, apologetics, practical Christianity and God's grace in salvation through Jesus Christ

John 20:21

"As the Father has sent me, so I am sending you."

The Biblical Review

Reviewing Publications, History, and Biblical Literature

Words on the Word

Blog by Abram K-J

Bybelverskille

Hier bestudeer ons die redes vir die verskille in Bybelvertalings.

Michael Bradley - Time Traveler

The official website of Michael Bradley - Author of novels, short stories and poetry involving the past, future, and what may have been.

BIBLE Students DAILY

"Be faithful unto death, and I will give you the crown of life." Revelation 2:10

God's Simple Kindness

God's Word Made Simple

takeaminutedotnet

All the Glory to God

Groen is Gezond

van zaadjes in volle grond tot iets lekkers op het bord

Jesse A. Kelley

A topnotch WordPress.com site

JWUpdate

JW Current Apostate Status and Final Temple Judgment - Web Witnessing Record; The Bethel Apostasy is Prophecy

Sophia's Pockets

Wisdom Withouth Walls

ConquerorShots

Spiritual Shots to Fuel the Conqueror Lifestyle

Examining Watchtower Doctrine

Truth Behind the "Truth"

%d bloggers like this: