An other Christian WordPress.com site – Een andere Christelijke WordPress.com site

Posts tagged ‘Katharen’

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #12 Anabaptisten

Anabaptisten

De Lyonese koopman, Petrus Waldo (of Waldus, ook Valdez)(ca. 1140-1206) las in het evangelie volgens Mattheus 19:21 dat Jezus een rijke jongeman opdraagt al zijn bezit te verkopen ten bate van de armen. Waldo raakte hiervan zo onder de indruk dat hij besloot dit voorbeeld te volgen. Hij gaf zijn bezit aan de armen en ging prediken. Gelijkaardig aan de arme priesters van Engeland vindt hij dat een goed christen een bezitloos en arm leven moet leiden.

Petrus Waldo

Waldes’ volgelingen trokken rond op sandalen in de Provence, Languedoc, Sicilië en in de dalen van Piemonte bij Torino, waarbij mannen èn vrouwen predikten.  Hier komt duidelijk de opvolging van Christus leer om te prediken naar voor, waarbij er totaal geen sprake is van een geestelijke hiërarchie. Het zijn allemaal Broeders van Christus die Jezus’ voorbeeld navolgen en de Blijde boodschap verkondigen. Omdat zij dit als leken deden, veroordeelde de paus paus Lucius III hen op het concilie van Verona in 1184 als ketters. Hij herhaalde dit op het concilie van Lateranen in 1215 nog eens. Doordat ze in de ban werden gedaan, werden ze eeuwenlang vervolgd en werden tienduizenden Waldenzen vermoord. Toch nam hun aantal toe in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië. Aanvankelijk werden zij gesteund door de Zuid-Franse adel, die zich op deze wijze los wilde maken van de koning van Frankrijk. Het meest bekende bloedbad is dat van Mérindol en Cabrières in de Zuidelijke Luberon in 1545. Door het Edict van Nantes uit 1598 kregen de protestanten in Frankrijk godsdienstvrijheid, maar Lodewijk XIV herriep dit edict in 1685, waardoor er opnieuw een verdrukkingsgolf ontstond. Er werd een kruistocht tegen de Waldenzen gericht. Ze verborgen zich echter in de dalen van de Alpen, ten zuidwesten van Turijn. De groep telde ongeveer 700 mensen. Het koninklijk leger probeerde hen daar te verslaan, waarna er slechts 250 mensen over waren.

Pijniging van Waldenzen te Atrecht, Luyken, Casper (1672-1708) 1700 prent

Als ernstige Bijbelonderzoekers en Bijbelgetrouwen vonden de Waldenzen dat zij zich niet mochten verzetten met geweld en verwierpen de wapendracht. Zij wensten ook geen eden af te leggen en onthielden zich van en allerlei kathaarse theorieën en kerkelijke gewoonten zoals aflaatpraktijken en het opdragen van missen voor de overledenen.

Uit de Waldenzen ontstonden doopsgezinde broeders. Omstreeks het jaar 1525 traden de anabaptisten voor het eerst op de voorgrond, en wel in Zürich (Zwitserland). Vanuit die stad verbreidden hun geloofsovertuigingen zich snel naar veel delen van Europa. De vroege zestiende-eeuwse Reformatie had enkele veranderingen teweeggebracht, maar naar de mening van de anabaptisten was men niet ver genoeg gegaan. De doopsgezinden waren onafhankelijke Broeders in Christus. Doordat er geen hierarchie was of een algemeen besturend orgaan vormden zij een  beweging met een groot aantal verschillende groepen met eigen theologische opvattingen. Doch kan men stellen dat de belangrijkste gemeenschappelijke kenmerken van de dopers de opvatting is dat wedergeboorte de voorwaarde is voor het toedienen van de doop. Om wedergeborente kunnen worden moet men besef hebben van wat men gedaan heeft.  Als men het leven is ingegaan is men geboren, maar als men tot Jezus Christus komt en zich wil overgeven aan God kan men tot een wedergeboorte komen. Met volheid van verstand kan men enkel die keuze maken. Daarom kan men alleen volwassenen dopen. Omdat men zelfs aan iemand die als baby was gedoopt verzocht zich te laten “herdopen”, gaf men hun de naam „anabaptisten”, wat „wederdopers” betekent.  (Matthéüs 28:19; Handelingen 2:41; 8:12; 10:44-48)

Groepsdoop in een rivier van de Anabaptisten, schilderij van Jeanron

De onafhankelijke opstelling, in het verlengde van de gedachte van de Waldenzen en “poor priests” of “arme priesters” maakte dat zij ook een kerk zagen als een vereniging op basis van vrijwilligheid, los van invloed van de staat, waartoe mensen als zij tot de jaren van verstand waren gekomen konden toetreden. Zij die gedoopt waren moesten dit doopsel ook tot uiting brengen in hun geloof en hun daden. Zij moesten geen academisch geschoolde theologen worden, maar het prediken moest in hun hart en op hun tong liggen. Op deze punten braken de dopers met de middeleeuwse traditie waarin de samenleving gezien werd als een christelijke maatschappij (het corpus christianum) en liepen zij vooruit op de moderne scheiding van kerk en staat.

In hun verlangen tot de christelijke leer van de eerste eeuw terug te keren, verwierpen zij meer van het rooms-katholieke dogma dan Maarten Luther en andere hervormers hadden gedaan.

„Voor de anabaptisten was de ware Kerk een gemeenschap van gelovigen”, schrijft dr. R. J. Smithson in zijn boek The AnabaptistsTheir Contribution to Our Protestant Heritage.Als zodanig beschouwden zij zich als een vereniging van gelovigen binnen de gemeenschap als geheel, en in het begin kenden zij geen speciaal opgeleide of betaalde predikanten. Evenals Jezus’ discipelen waren zij rondtrekkende predikers die steden en dorpen bezochten en de mensen aanspraken op de markt, in werkplaatsen en in huizen. (Matthéüs 9:35; 10:5-7, 11-13; Lukas 10:1-3). Voor hen moesten er geen speciale kerkgebouwen zijn om God te aanbidden en kon dat even goed in een schuur gedaan worden, wat dan ook meermaals gebeurde om de vele volgelingen op te vangen.

Anabaptist martelaar Maria van Beckum haar broeders vrouw, 1554

Men ging ervan uit dat elke anabaptist persoonlijk rekenschap verschuldigd was aan God, dat hij een vrije wil bezat en zijn geloof door middel van zijn werken toonde maar toch wist dat redding niet alleen door werken werd verkregen. Als iemand tegen het geloof zondigde, kon hij uit de gemeente worden geworpen, want voor hen was het belangrijk dat de gehele gemeenschap zuiver bleef. Verschillen in opvatting over de omgang met zondaars en de mate van wereldmijding leidden tot een grote versplintering van de beweging. Herstel volgde alleen nadat oprecht berouw was getoond. (1 Korinthiërs 5:11-13; vergelijk 2 Korinthiërs 12:21).

Net als de vroege christenen werden ook de anabaptisten niet begrepen. En net als de vroege christenen werden zij beschouwd als personen die de gevestigde maatschappelijke orde verstoorden en ’de bewoonde aarde ondersteboven keerden’ (Handelingen 17:6). In Zürich kantten de autoriteiten, die aan de zijde stonden van de hervormer Huldrych Zwingli, zich vooral tegen de anabaptisten omdat zij de kinderdoop verwierpen. In 1527 brachten zij Felix Mantz, een van de anabaptistische leiders, op wrede wijze door verdrinking om het leven en vervolgden zij de Zwitserse anabaptisten zo hevig, dat zij bijna werden uitgeroeid.

In Duitsland werden de anabaptisten zowel door de katholieken als de protestanten hevig vervolgd. Een keizerlijke verordening, die in het jaar 1528 werd uitgevaardigd, bepaalde dat een ieder die anabaptist werd, zonder enige vorm van proces ter dood gebracht zou worden. De vervolging in Oostenrijk deed de meeste aldaar woonachtige anabaptisten hun toevlucht zoeken in Moravië, Bohemen en Polen, en later in Hongarije en Rusland.

Toen zo veel oorspronkelijke leiders stierven, was het onvermijdelijk dat extremisten op de voorgrond traden. Zij brachten een onevenwichtigheid met zich mee die aanleiding gaf tot veel verwarring en tot gevolg had dat men de maatstaven die men in de beginperiode had gehanteerd, liet varen. Dit trad op tragische wijze aan het licht in het jaar 1534, toen de extremisten met geweld het stadsbestuur van Münster (Westfalen) overnamen. Het jaar daarop werd de stad na veel bloedvergieten en martelingen heroverd. Deze episode strookte niet met de werkelijke anabaptistische leer en heeft er veel toe bijgedragen hen in diskrediet te brengen. Sommige gelovigen trachtten zich van de naam anabaptisten te ontdoen door zich „baptisten” te noemen. Maar welke naam zij ook kozen, zij werden toch nog het slachtoffer van oppositie en in het bijzonder van de katholieke inquisitie.

Melchior Hofmann (ca. 1500 – 1543) van oorsprong een Lutherse lekenprediker hield er chiliastische ideeën op na, wat inhield dat hij er in geloofde dat na de wederkomst van Christus een duizendjarig vrederijk en/of een paradijs op aarde zou vestigen. Met zijn apocalyptische preken en geschriften had hij grote invloed op het ontstaan van het doperse rijk van Münster in 1534 onder leiding van de door Jan Matthijs gedoopte Jan van Leiden (Jan of Johan Beukelsz van Leiden, Johann Bockelson of Johan Beukelszoon) (15091536) die het niet zo nauw nam met getrouwheid aan één vrouw en er 17 tot zich nam.

Melchior Hofmann

De Haarlemse bakker Jan Matthijs (ook bekend als Jan Matthias, Johan Mathijszoon) (ca. 15001534) was rond 1520 door toedoen van Melchior Hoffman wederdoper geworden. Deze laatste had Matthijs met zijn toekomstvisioenen geïnspireerd. Nadat Hoffman gevangen was gezet werd Matthijs een vooraanstaand leider bij de wederdopers. Hij stuurde Jan van Leiden als apostel naar Münster om de wederdopers aldaar te ondersteunen. De geweldloosheid die Hoffman had uitgedragen werd door Matthijs verworpen. Hij was de mening toegedaan dat bij onderdrukking gewapend verzet geoorloofd was. Met Jan van Leiden en Bernhard Rottmann probeerde hij in Münster een “Duizendjarig vrederijk” te stichten, dat nog geen twee jaar duurde.

Hofmann, die rondreisde in Oost-Friesland en Holland tot 1532 als prediker, wist daar de grondslag te leggen voor een sterke doperse beweging en zijn ideaal van de geweldloosheid werd overgenomen door de latere Friese doperse leider Menno Simons (ca. 14961561), een voormalig rooms-katholiek priester die door heel het Duitse taalgebied christelijke gemeenten oprichtte. deze ging ook uit van het zuivere apostelschap van de christelijke gemeente die volledig zuiver moest gehouden worden, ‘zonder vlek of rimpel’ (Efezen5:27) . Zijn volgelingen worden nu als oudste nog bestaande doperse kerk beschouwd en zijn gekend origine Doopsgezinden. Die mennonieten of mennisten vallen op door hun ouderwetse kledij en gebruiken omdat zij alle hedendaagse ‘onnatuurlijke” hulpmiddelen afzweren. Het streven naar een geweldloze wereld, het weigeren van de eed en de persoonlijke belijdenis van mondige mensen, in plaats van het onderschrijven van de door de kerk vastgelegde teksten is gebleven. Zij kennen noch steeds geen ambtsdragers zoals er ook geen zijn bij de Christadelphians, waar ook niets moet maar mag. De predikanten worden beschouwd als gewoon lid van de gemeente te midden van alle anderen. In 2004 waren er ongeveer 1 miljoen mennonieten en 1,5 miljoen in 2006 met de grootste groeperingen in Canada, de Democratische Republiek van Congo and the Verenigde  Staten van Amerika.

Ten slotte emigreerden groepen anabaptisten, op zoek naar meer vrijheid en vrede. Op het ogenblik treffen wij hen zowel in Noord- en Zuid-Amerika als in Europa aan. Veel groeperingen hebben een zekere invloed ondervonden van hun vroege leerstellingen, zoals onder andere het door George Fox in 1649 opgerichte “Genootschap der Vrienden” dikwijls beter gekend onder de naam Quakers.Verder baptisten en de Plymouth Brethren. De quakers delen de door de anabaptisten gekoesterde haat ten opzichte van oorlog en de gedachte van leiding door een ’innerlijk licht’.

Not a mennonite

Mennonitische zusters

De anabaptisten bestaan thans voornamelijk voort in twee specifieke groeperingen. De eerste is die der Hutterse Broeders, genoemd naar hun zestiende-eeuwse leider Jacob Hutter. In de quakergemeenschap in Nederland, evenals elders in de wereld, bestaan verschillende affiniteiten waaronder een evangelische, vrijzinnig-christelijke en universalistische. Zoals de de minder radicale Mennonietische hoofdstroom en de Alsaser Anabaptistische  schismatise strekking van Jakob Amman (16441730) de Old Order Mennonite en de groep beter gekend onder de naam Amish (Amisch, Amische) of Amish Mennonites heeft men enkele Quaker groeperingen die het werelds genot verwerpen en een ascetisch leven nastreven. Veel Amish gemeenschappen emigreerden  vanaf 1737 vanuit Europa  naar Noord-Amerika omdat hun levenswijze in Europa vaak nauwelijks getolereerd werd. Dit gebeurde onder invloed van de uitnodiging van William Penn die ook de andere religieuze minderheden zoals Quakers en Hernhutters had gevraagd om naar zijn kolonie Pennsylvania in Noord-Amerika te komen om zich daar te vestigen. Zo’n 500 Amish gingen op deze uitnodiging in. In de 19e eeuw, als reactie op politieke (Franse Revolutie) en economische (Industriële revolutie) veranderingen, volgden nog eens 3.000 personen. Als gevolg hiervan stonden in 2005 zo’n 224.000 Amish geregistreerd in 22 Amerikaanse staten, waarvan het merendeel in Pennsylvania, Ohio en Indiana waar zij nog Pennsylvania Dutch of Pennsylvania German spreken. Dezen hebben wel districten die  worden geleid door een bisschop, enkele ministers en diaken.  Hun leden zijn wel gebonden door opgelegde strengen gemeenschapsregels: de Ordnung. Deze regels bedekken de meeste aspecten van het dagelijkse leven en omvatten verboden of beperkingen op het gebruik van elektrische leidingselektriciteit, telefoons en auto’s evenals voorschriften op kledij. Alsook wordt er de voorkeur gehouden zich afstandelijk te houden van de rest van de wereld. Behalve voor een tijdelijk moment wanneer de jongeren voor de beslissing om over te gaan tot hun doop even in de wereld worden losgelaten om zo hun keuze te bepalen. Deze kennismaking met de rest van de wereld tijdens adolescentie wordt rumspringa (Rumschpringe of Rumshpringa) of “rondlopen” genoemd. Niet alle amishe mennonieten gebruiken deze term (in de verlengde discussie over adolescentie treft men het niet aan bij die van Hostetler) , maar in groepen die het wel doen wordt deze tijd door de amishe ouderen aanschouwd als een tijd voor verkering en het vinden van een echtgenoot/echtgenote. Bij de Amish die zich verzette tegen autogebruik werd de Groffdale Conferentie mennonietische  Kerk of Groffdale Conference Mennonite Church (die ook naar Bisschop Joseph Wenger is genoemd). De rest van de Weaverland Conferentie is gekend onder de naam Horning Church of “Black-bumped Mennonites” (Zwart-Verdrongen mennonieten) voor hun vroegere gewoonte om van hun gekochte auto’s het opzichtige chroom met zwarte verf te verdoezelen.

Mennonitisch zusters anno 2011 zonder gordel

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #10 De Inquisitie

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

 

De Inquisitie.

Gedurende de drie eerste eeuwen werden tegestanders van het door het staatsaparaat erkende geloof uitlsuiten gestraft op geestelijk vlak. Maar met Constantijn en zijn opvolgers kwam hierin verandering. Sedert Valentianus I (364-378) werden vele wetten tegen zogenaamde ketters uitgevaardigd. De straffen werden confiscatie der goederen, verbanning, het verlies van het recht om een testament te maken, enz.. Eerst stond alleen op het Manicheïsme en het Donatisme de doodstraf, maar in de 11° en 12° eeuw is er al herhaaldelijk sprake van anders gelovigen die aanschouwd worden als maatschappelijk gevarlijk en beter ter dood worden gebracht. De vervolging gaat bijna altijd uit van de spontane verontwaardiging van het volk.[1]

Sedert het midden van de 12° eeuw wordt de toestand anders.
De Katharen verspreiden zich meer en meer, verbonden met de Waldenzen worden zij aanzien als een gevaar voor Kerk en maatschappij. In 1157 werd tijdens het Concilie van Reims voor het eerst opgeroepen tot de vervolging van ketters. Op de synode van Verona (1184) vaardigde Lucius III in tegenwoordigheid van en in samenwerking met koning Frederik Barbarossa een constitutie uit, waarin hij de excommunicatie hernieuwde tegen alle ketters en hun begunstigers. Deze bul Ad Abolendam (Nederlands: Met het doel af te schaffen) betekende een begin van de werkzaamheden van de Inquisitie.

Spanish Inquisition

Spaanse Inquisitie met martelpraktijken

 

Wie zich niet wilde bekeren en behoorlijk boete doen of in de ketterij was hervallen, moest aan de wereldlijke macht ter (billijke) afstraffing overgeleverd worden. Een rijksban werd door de keizer uitgesproken en er werd opgeroepen om de ketters op te sporen. De inquisitie werd een feit.

Met de Regels van Pamiers van 1211 werd de Inquisitie voor het eerst formeel geïnstitutionaliseerd op diocesaan niveau en werd de samenwerking tussen kerk en staat vastgelegd. Vanaf dat moment kon de inquisitie regionaal de vorm aannemen van een systematische vervolging van de katharen en andere andersdenkenden. In verschillende pauselijke decretalen werden telkens aspecten van de toepassing van de inquisitoriale methode verder uitgewerkt. Pas na de verschijning in 1234 van de decretalenverzameling van paus Gregorius IX beschikte men over een min of meer uniforme en consistente regels op dit gebied, in plaats van los overgeleverde relatief toevallig bekende relevante decretalen.

Een aantal religieuze groepen werden door aanscherping van de Regels van Pamiers op aandringen van paus Innocentius III  op het Vierde Lateraans Concilie van 1215 en namens de hele kerk goedgekeurd.

Joden (welke hun riten mochten onderhouden) moesten een geel insigne gaan dragen zoals ook de Mohammedanen een onderscheidingsteken moesten gaan dragen. Heidenen vielen niet onder de inquisitie wetten, tenzij in bepaalde gevallen, als zij b.v. de Christenen (lees Katholieken) tot afval verleiden. Men richtte zich vooral tegen de Katharen, Waldenzen, verdachte Begijnen, Apostelbroeders enz.[2]

In 1243 besloot paus Innocentius IV dat bij de verhoren van verdachten ook marteling was toegestaan. De inquisitie vormde van toen af aan, onder rechtstreeks toezicht van de paus, een ontzagwekkende, nagenoeg onaantastbare macht, niet alleen van de Kerk over het volk, maar ook binnen de Kerk zelf.

Op het einde der middeleeuwen openbarden zich verschillende religieuze stromingen die zonder direct ketters te zijn, toch de voorbereiding van het later opkomende protestantisme bevorderden.


[1] Handboek der Kerkgeschiedenis #1 p. 539.

[2] Handboek der Kerkgeschiedenis #1 p. 541.

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. #9 Controverse betreft doop

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

Afstandelijken, donatisten en arianen.

Doopsel.

In de periode van de joodse diaspora na de Babylonische ballingschap (586-538 v. Chr.) kwam het meer voor dat heidenen over wensten te gaan naar het jodendom. Om Jodengenoot of proseliet te worden was een reinigingsbad noodzakelijk: de zogenaamde proselietendoop. Heidenen die naar de synagoge kwamen werden in geval van bekering door de rabbi’s nauwkeurig onderzocht op hun motieven, waarna men door besnijdenis én doop (en zo mogelijk een offer) tot het joodse geloofoverging.

Johannes de Doper

Voor Jezus’ tijd doopte zijn neef Johannes de Doper volwassen mensen in de rivier de Jordaan in de provincie Judea in Palestina. De profeet zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth riep de Joden op deugdzaam te leven. De mensen moesten tegenover elkaar gerechtigheid betrachten, en eerbied tegenover God. Pas als zij die dingen konden doen konden zij klaar zijn om gedoopt te worden. Het volledig onderdompelen in het water moest dan een teken van witwassing zijn tegenover God en de mensheid. Enkel en alleen als men voldeed aan die vooropgestelde voorwaarden en men zich volledig aan God wilde geven kon men over gaan tot een doop die welgevallig zou zijn in de ogen van God. De doop diende niet tot vrijstelling van zonden, maar was een manier om het lichaam ritueel te reinigen nadat ze daaraan voorafgaande hun ziel al gereinigd hadden door te leven in gerechtigheid.Duidelijk ging het hier niet om kinderen of om mensen die niet goed bij hun zinnen waren. Volledig besef was nodig om een keuze te maken. Trouwens werd ook het zondigen aanschouwd als een tegen God verkeerd gaan of handelen tegen de Wil van God. Een kind zonder voldoende besef en zonder kennis van de Wil van God of de Mozaïsche Wetten kon hier dan ook niet tegen zondigen.

Ook Jezus, die zichzelf op dertigjarige leeftijd liet dopen, gaf opdracht aan zijn apostelen om de wijde wereld in te gaan, Gods Naam  en het Goede Nieuws van het Koninkrijk van God te verkondigen, en dan over te gaan tot het dopen van diegenen die het evangelie wilden geloven. Zo gingen de apostelen over tot de voortzetting van het dopen van volwassen mensen waarbij meestal gebruik werd gemaakt van de voorhanden zijnde wateren, de rivieren en meren of binnenzeeën.

Toen de eerste eeuw van onze Gewone Tijdrekening naar zijn einde ging waren er al afwijkingen van de leer van Christus.  Het verlangen en neiging om christendom naar Judaïsme te enten vanwege de bekeerde Joden en het onvermogen van de Niet-joden om de fundamentele principes van christendom helemaal te begrijpen leidde tot corruptie in de kerk. Gewoon aan de idee dat buitenwaartse ceremonies en offers de vereisten van hun Opperste Heerser moesten voldoen, probeerden de Joden de leerstellingen van Christus en de apostels met de ideeën van hun voormalige eredienst te harmoniseren. Men had verscheidene Joodse leerstellingen die ook reeds afgedwaald waren van het geloof van Abraham en waar men een substitutie van formalisme voor geestelijkheid had, toewijding naar de uiterlijke vorm van godsdienst die de plaats van levend geloof had ingenomen. Daarnaast was er de vermenging met de heidenen die ook hun eigen riten bleven liefhebben. Het is gemakkelijk begrepen hoe deze neigingen tot een corruptie van doctrine en gemeenschap leidden; hoe die de eenvoud van de Nieuwe Testamentkerkorganisatie, met zijn absoluut tekort van riten en ceremonies, de vraag van ritualisten en formalisten in de kerken niet tegemoet kon komen.

Verscheidene heidense volkeren voerden bij de geboorte van een kind rituelen uit om de boze geesten op afstand te houden of om het kind een gezonde toekomst te bezorgen. Zo werden kinderen met kruidenwater besprenkelt in de gedachte dat de boze geesten hen dan niet mee zouden voeren naar het slechte godenrijk of de onderwereld. Andere heidense groepen wasten de babies in kruidenwater met de bedoeling dat de kinderen de sappen en krachten van de kruiden in zich zouden opnemen en om hun lichaam te sterken en voor te bereiden op het zware dagelijkse leven.

Na de eerste eeuw waren er zogenaamde ‘christelijke priesters’ die de onderdompeling van volwassenen niet zo spectaculair vonden als de rituele handelingen van hun heidense collegae die meer aanhang hadden. In plaats van het kruidenwater creëerden zij het ‘heilig water’. In de beginjaren was het eerst enkel heilig water om te dopen maar dan werd het wijwater ook gebruikt om allerlei riten uitte voeren, zoals kruistekens maken, bezweringen en genezingen te doen. Het wijwater werd aanschouwd als één van de sacramentalia welke verder in de canones 1166 tot en met 1172 van het Wetboek van Canoniek Recht van 1983 en artikels 1667 tot en met 1679 van de Catechismus van de Katholieke Kerk werden behandeld.

Mars, Mars pater, Marspiter, Maspiter, Mavors, Mamers, Marmar of Mamerd, zoon van Juno (de koningin der Goden) en een magische bloem (of Jupiter (vader der Goden) ws de meest vereerde god van het Romeinse Rijk. Waarschijnlijk omdat zijn zonen (Romulus en Remus) gezien worden als de stichters van Rome. Oorspronkelijk was hij de Romeinse god van de vruchtbaarheid en beschermer van het vee, maar smolt later samen met de Griekse god Ares en werd toen vooral geassocieerd met de strijd en werd ook de god van de dood en oorlog. Ter ere van hem werden tempels en badplaatsen opgericht.  Doorheen de geschiedenis ontstonden er driegoden systemen zoals bij de de Grieken, Kelten, Indo-Iraniërs, Baltische volkeren, Germanen en Slavische volkeren. Zo had men in het Romeinse Rijk de oud-Romeinse trias Jupiter-Mars-Quirinus en de Umbrische trias Jupiter-Mars-Vofionus. De Indo-Europese trias vertegenwoordigde de drie maatschappelijke lagen van de Indo-Europese maatschappij: heersende klasse (hemelgod, hier Jupiter), krijgersklasse (oorlogsgod die zich meestal op aarde manifesteert, hier Mars) en boerenklasse (vruchtbaarheidsgod die zich meestal onder de grond manifesteert, hier Quirinus). Deze indeling in een trias treft men aan in vele Indo-Europese culturen. De oude trias zou in de Etruskisch periode (eind 6e eeuw v.Chr. vervangen worden de Capitolijns-Etruskische trias Jupiter-Juno-Minerva (naar analogie met de Etruskische trias Tinia-Uni-Menrva).

Romeinse krijgers voor dat zij ten strijde gingen, wilden hun lichaam ook hiervoor eerst reinigen en de gunsten van de drie goden afsmeken. Zij gingen daarvoor dan ook naar die tempel om te baden en te bidden om zo hun god van oorlog met hen te hebben en vol kracht te zijn. Het besprenkelen van kinderen met heilig water zou de krachten van de goden van vruchtbaarheid, kracht en oorlog over hen brengen.
Ook bij de Joden en andere volkeren kon men in de oudheid reeds verscheidene vormen van ritueel wassen vinden, dus voor de volken in het Midden Oosten was het niets nieuws. In het Oude Testament waren bepaalde rituele wassingen voorgeschreven. Ze speelden vooral een rol in het kader van de dienst in de tabernakel en in de tempel. Als Jood kende Jezus deze handelingen zeer goed en wist hij de betekenis er van. Toen hij de apostelen uitzond om nu ook doopsels uit te voeren ging het niet over een ander ritueel dan bij het Joodse gebruik.

Onder de valse leermeesters in het Christendom was het een dankbaar element om over te nemen en zo toch populair te zijn omdat zij de kinderen van hun volgelingen ook die zekerheden van het leven konden aanbieden. Zij verkochten hun waar onder het mom dat als de kinderen niet door hen gedoopt zouden worden zij zouden branden in de hel, een doemplaats waar er voor eeuwig foltering zou zijn. Ongedoopte kinderen zouden nooit een kans krijgen om later met hun ouders verenigd te worden in het eeuwig leven. Mits een eeuwig leven hier op aarde te simpel leek en niet op kon tornen tegen de vele rijken van de afgoden, vond het beeld van zeven hemelen meer gading.

Firenze Battistero San Giovanni 1059-1128

De plaatsen waar de kinderen moesten gedoopt worden gaf men graag de vorm van de Mars tempels. Zo  dachten in de 15e eeuw de Florentijnen dat hun Baptisterium, dat vergelijkingen oproept met dat van het Pantheon in Rome, ooit een Romeinse tempel, gewijd aan de god Mars was geweest.

Achtvormige doopvont

De doopvont of kort Vont (Latijn fons voor bron) is een waterbekken, vaak achtkantig, verwijzend naar de achtste dag, duidend naar de nieuwe schepping, als de achtste dag waarop de besnijdenis van Jezus Christus plaatsvond, gemaakt van hout, (natuur)steen of (edel) metaal, ontworpen om de baby’s te dopen.

In de 3° & 4° eeuw kwam de controverse rond het doopsel meer op de voorgrond. Het neoplatonisme won meer veld en filosofische gedachten infiltreerden het christelijk geloof. De Ierse (of Britse) monnik Pelagius die nog aan nam dat de zondige mens in staat is de eerste en fundamentele stappen op de weg naar de verlossing te zetten, zonder de hulp van de goddelijke genade kwam in conflict met Augustinus. Volgens Pelagius heeft een mens, althans in theorie, nog steeds de mogelijkheid om zondeloos te blijven. Pasgeboren kinderen dragen de zonde niet in zich en zouden volgens Pelagius nog steeds de Adamitische toestand kunnen behouden indien tijdens hun opgroei zich voldoende zouden kunnen bewapenen of verzetten tegen inkomende verkeerde gedachten. Zoals Jezus als klein kind zuiver was, maar toch de mogelijkheid had om verkeerd te gaan, heeft deze wel getoond en bewezen dat wij mensen vrij zouden kunnen blijven van zonde indien onze geest sterk genoeg was.

Catharijneconvent - Doopvont

Image by Pachango via Flickr

In de 11° en 12° eeuw uitten de Petrobrusians, volgelingen van Peter van Bruys,  zich tegen de meer gangbaar geworden kinderdoop.

Peter van Bruys liet de leerstellige autoriteit van de Gospels in hun letterlijke interpretatie toe; de andere Nieuwe Testament geschriften beschouwde hij vermoedelijk waardeloos, zo van twijfelachtige apostolische oorsprong. Naar de Nieuwe Testamentepistels wees hij enkel een ondergeschikte plaats toe omdat zij niet van Jezus Christus zelf kwamen. Hij keurde de autoriteit van de Kerkvaders af. Zijn verachting voor de Kerk werd overgebracht naar de leken tot wie hij ook tot lichamelijk geweld tegen priesters en monniken opriep. In zijn lering werd doop beschouwd als een noodzakelijke voorwaarde voor redding, maar het was doop die door persoonlijk geloof werd voorafgegaan, zodat zijn toepassing naar zuigelingen, dat meer en meer in voege was gekomen, als  waardeloos werd beschouwd.

De doopvonten die in de speciale opgerichte gebouwen werden gevonden werden als verwerpelijk aanschouwd.
Zoals de Kerk niet in muren bestaat, maar in de gemeenschap van het trouwe volk, zouden kerkgebouwen moeten vernietigd worden, want Peter van Bruys liet de mensen weten dat zij naar God kunnen bidden in een schuur evenals in een kerk. Een gewone tafel kon overal dienst doen als de tafel waar rond de gelovigen vergaderden. Er moest niet een speciaal altaar voorzien zijn. Geen goede werken van de levenden kunnen tot het profijt van de doden komen. Kruisen, als het instrument van de dood van Christus, kunnen zeker geen verering verdienen; daarom waren zij voor de Petrobrusians voorwerpen van schending en werden zij in vreugdevuren vernietigd.

Bernardus van Clairvaux bekeert Willem van Aquitanië

Bernard van Clairvaux of Bernardus zou er verder voor zorgen dat er een omvorming van het sacramenteel rituele christendom van de Vroege Middeleeuwen naar een nieuw, meer persoonlijk beleefd geloof zou komen, met het leven van Christus als een rolmodel en met een nieuw accent op de Maagd Maria. In tegenstelling tot de rationele benadering om het goddelijke te begrijpen dat de scholastici voorstonden, predikte Bernard een onmiddellijk geloof, waarin de bemiddelaar de maagd Maria was. Volgelingen van hem en zijn leerling Henri van Lausanne werden bekend als de Henricianen zouden zich ook heftig tegen de kinderdoop verzetten zoals de Waldensen, Albigezen en Bohemiaanse Broeders.

Pierre Abelard

Later zou Pierre Abélard, gelatiniseerd Petrus Abaelardus (10791142) de middeleeuwse Franse theoloog en filosoof, die ook gerekend wordt tot de scholastici en een grote reputatie te Parijs had, de Drie-eenheidsleer en de doopgedachte nog verder ter discussie brengen. Zijn ideeën van niet-trinitarisme, riteloosheid en een geloof, waar begrip op de voorgrond trad, waren natuurlijk in tegenspraak met de oplegging van allerlei dogma‘s in de Kerk. Doordat er nog geen universiteiten waren en de opleidingsscholen onafhankelijk waren kon Abaelardus vrij zijn gedachten uitten. Maar het was  Bernard van Clairvaux die zich hevig tegen Abaelardus zou verzetten. Volgens Bernard zou de onafhankelijke lering leiden tot de verheerlijking van de menselijke rede en het rationalisme, vooral als men aannam dat een zonde alleen een zonde zou zijn als die uit vrije wil werd gepleegd en dus tegen het eigen geweten inging. Abaelardus wees daarmee als eerste op het belang van de intentie van een daad, een aspect dat een grote rol is gaan spelen in de latere middeleeuwse theologie over schuld en boete. De leer van Abaelardus was in strijd met de heersende kerkelijke ideeën. Pierre Abélard diens verhandeling over de Drie-eenheid werd in 1121 veroordeeld, omdat het teveel met behulp van de ratio de basisbeginselen van het christelijk geloof probeerde te benaderen. Abélard werd gedwongen zijn eigen boek tijdens een boekverbranding in het vuur te gooien. In 1139 bepleitte hij opnieuw denkbeelden die in tegenspraak waren met die van Rome. Bernard van Clairvaux, hiervan op de hoogte gesteld door William van St.-Thierry, sprak Abélard hier streng op aan. Toen deze hem vervolgens op beledigende wijze van repliek diende, kaartte Bernard deze zaak bij de paus aan, die vervolgens in 1141 in Sens een concilie belegde om deze zaak uit de wereld te helpen. Tijdens dit concilie vroeg Abélard om een openbaar debat met zijn tegenstander. Bernard bepleitte de zaak van Rome echter met een zo uitmuntende helderheid en met zulk een logische kracht, dat zijn opposant ervan afzag hem van repliek te dienen. Abélard werd veroordeeld en werd gedwongen zich uit het openbare leven terug te trekken. De paus bevestigde deze uitspraak van het concilie van Sens. Abélard legde zich hier zonder verzet bij neer. Hij vestigde zich onder abt Petrus Venerabilis als monnik in Cluny, waar hij twee jaar later stierf.
Diezelfde Bernard zou ook achter  Henri van Lausanne gaan, een voormalige Cluniacenzer monnik die de leer van de petrobrusianen ook had aangenomen en deze leer in een gewijzigde vorm na de dood van Peter van Bruys verder verspreid. Henri van Lausanne’s volgelingen werden bekend als de henricianen. In juni 1145 reisde Bernard op uitnodiging van kardinaal Alberic van Ostia door Zuid-Frankrijk waar hij met zijn preken, geholpen door zijn ascetische uiterlijk en eenvoudige kledij, deze  nieuwe geloofsgroeperingen tot de ondergang veroordeelde . Zowel de Henriciaanse als Petrobrusiaanse geloofsrichtingen begonnen reeds aan het einde van het jaar 1145 uit te sterven. Kort daarna werd Henri van Lausanne gearresteerd. Zijn zaak werd voor de bisschop van Toulouse gebracht en zeer waarschijnlijk werd Henri tot levenslang veroordeeld. In een brief aan de inwoners van Toulouse uit het einde van 1146, roept Bernard hen op de laatste overblijfselen van de ketterij van Henri te verdelgen. Hij predikte ook tegen de Katharen.

Ook bleven vele Christelijke broeders het goed en kwaad in de mens bekijken als iets van uit hem zelf. Het overgieten van water over het hoofd ging niets aan een zaligmaking of verdoemenis verhelpen. Volgens diegenen die het Woord van God goed bestudeerden kon men er duidelijk in vinden dat er geen geesten of goden waren die aanspraak konden maken op het leven van een kind of van een mens. Boze geesten konden het kind niet toeeigenen en God, die een God van liefde is, zou Zijn pasgeborenen geen onrecht laten aandoen door vreemde wezens die in de fantasieën van de mens bestonden.

De Albigensen verkregen hun naam aan de Zuid Franse stad Albi maar was hoofdzakelijk gebruikt voor de Katharen en navolgers van het Neo-Machineïsme.

***

Lees meer over Petrobrusians in de Katholieke Encyclopedie: The Catholic Encyclopedia. Vol. 11. New York: Robert Appleton Company, 1911. 31 May 2011.

Tag Cloud

Zion, Sion and Zsion News and Journal

About Politics, Religion, Culture, Society, Joy, Thank, Praise, Faith, Hope, Love, Community, Freedom, Peace, Islam, Justice, Truth, Patience and much more.

johnsweatjrblog

Doxology rooted in Theology: Nothing more, Nothing less

jamesgray2

A discussion of interesting books from my current stock A WordPress.com site

Unmasking anti Jehovah sites and people

Showing the only One True God and the Way to That God

The Eccentric Fundamentalist

Musings on theology, apologetics, practical Christianity and God's grace in salvation through Jesus Christ

John 20:21

"As the Father has sent me, so I am sending you."

The Biblical Review

Reviewing Publications, History, and Biblical Literature

Words on the Word

Blog by Abram K-J

Bybelverskille

Hier bestudeer ons die redes vir die verskille in Bybelvertalings.

Michael Bradley - Time Traveler

The official website of Michael Bradley - Author of novels, short stories and poetry involving the past, future, and what may have been.

BIBLE Students DAILY

"Be faithful unto death, and I will give you the crown of life." Revelation 2:10

God's Simple Kindness

God's Word Made Simple

takeaminutedotnet

All the Glory to God

Groen is Gezond

van zaadjes in volle grond tot iets lekkers op het bord

Jesse A. Kelley

A topnotch WordPress.com site

JWUpdate

JW Current Apostate Status and Final Temple Judgment - Web Witnessing Record; The Bethel Apostasy is Prophecy

Sophia's Pockets

Wisdom Withouth Walls

ConquerorShots

Spiritual Shots to Fuel the Conqueror Lifestyle

Examining Watchtower Doctrine

Truth Behind the "Truth"

Theological NoteBook

Dabbling into Theology

%d bloggers like this: