An other Christian WordPress.com site – Een andere Christelijke WordPress.com site

Posts tagged ‘Romeinse Rijk’

Politiek en macht eerste prioriteit #2 Arianisme, Nestorianisme en Monofysitisme

De vroege dagen van het Christendom

2.2. Politiek en macht de eerste prioriteit

2.2.2. Politiek en macht de eerste prioriteit #2

“Beeld van God, de onzichtbare, is hij, eerstgeborene van heel de schepping:” (Colossenzen 1:15 NBV)

Tussen ‘eerstgeborene’  heeft men een eerstgeborene van het gehele wereldstelsel, de eerste mens of Adam en  de eerste geborene van de Nieuwe Verbond periode, de eerstgeborene van de nieuwe schepping, welke duidelijk bij uitstek de Messias was voor de volgelingen van  Jezus, de nieuwe Adam die de poorten opende voor het nieuwe volk van God.

Het Grieks voor eerstgeborene is proto met tikto: eerstgeborene. Het Griekse woord voor ‘het eerst gemaakt’ of ‘het eerst gecreëerd’ zou proto met ktizo zijn: voor het eerst gemaakt. Paulus maakte geen gebruik van de tweede, maar het eerste. Ten tweede, het Bijbelse gebruik van het woord “eerstgeborene” is interessant. Het kan het eerste geboren kind zijn in een gezin (Lukas 2:7), maar het kan ook betekenen “pre-eminentie.” In Psalm 89:20, 27 wordt gezegd: “Ik heb gevonden David, Mijn knecht, met Mijn heilige olie heb ik hem gezalfd … ik zal hem ook Mijn eerstgeborene maken”(NASB).

“(89:21) In David vond ik een dienaar, ik zalfde hem met heilige olie.” (Psalmen 89:20 NBV)

“(89:28) Ik maak hem tot mijn eerstgeborene, tot de hoogste van de koningen der aarde.” (Psalmen 89:27 NBV)

Zoals u kunt zien, is David, die wel de laatste geboren in de familie was, de eerstgeborene van God genoemd. Dit ‘eerstgeboren” zijn is een titel van superioriteit hier. De Grieks voor eerstgeborene is proto met tikto:. Eerstgeborene. Het Griekse woord voor het eerst gemaakt zou proto met ktizo zijn: voor het eerst gemaakt. Paulus maakte geen gebruik van de tweede, maar het eerste. Ten tweede, de bijbelse gebruik van het woord “eerstgeborene” is het meest interessant. Het kan het eerste geboren kind in een gezin (Lucas 2:7), maar het kan ook betekenen “pre-eminentie.” In Psalm 89:20, 27 zegt: “Ik heb gevonden David, Mijn knecht, met Mijn heilige olie ik heb hem gezalfd … ik heb ook zal hem Mijn eerstgeborene “(NASB). Zoals u kunt zien, is David, die was de laatste geboren in de familie noemde de eerstgeborene van God. Dit is een titel van superioriteit hier. {zie ook: CARM Christian Apologetics and Research Ministry}

De gedachte van het ‘eerstgeboren zijn’ en de natuur van Jezus Christus werd onder vuur genomen. Geleidelijk aan in de tijd begonnen bepaalde mensen te geloven dat Jezus de eerste persoon geboren was, zelfs vóór Adam, de eerste mens geschapen werd. Dit idee ingevoerd in de tweede periode van de 2e eeuw en verder ontwikkeld in de 3e eeuw met Clemens van Alexandrië [c. 150 – c. 214 GT] die de term “protoktistos” gebruikt in zijn Stromata [Boek 5, hoofdstuk 6, sectie 35, en boek 5, hoofdstuk 14, sectie 89], maar later Jezus  “protoktistos”, [eerste-geschapene] noemt [Stromata in ANF 2, hoofdstuk 6, pagina 452] Clemens gebruikt de term ‘eerst geschapen’, alsof het algemeen de eerstgeborene is in het hele wereld gebeuren. Voor Clemens en anderen, hebben de twee dezelfde betekenis gekregen en waren ze in feite uitwisselbaar. Als we kijken naar Clemens zijn zelfde werk [Stromata] vinden wij al een beetje later in hoofdstuk 14, pagina 465, de uitdrukking: “tes sophias tes protoktistou tw Thew “, wat betekent” Wijsheid, dat was het eerste van de schepping van God “; hier zien we duidelijk de [genitief]” protoktistou “[van de schepping]! Clemens identificeert herhaaldelijk het Woord met de wijsheid van God, en toch   verwijst hij naar Wijsheid als eerst geschapen door God, terwijl hij in een passage dat  epitheton hecht aan “Eerst-gemaakt,” en in een ander “Eerst-verwekt,” aan het Woord.

Voor de kerkvaders [pre-Nicea] waren de termen “prototokos” en “protoktistos” natuurlijk synoniem en verwisselbare termen, ze behandelen beide even gelijkaardig en met dezelfde betekenis!

Constantijn de Grote en het Concilie van Nicea verbranden ariaanse boeken, afbeelding uit ca. 825.

Er was een vennootschap gevormd (harmonia, syymphonia) dat één van de fundamenten van het Christelijke Imperium werd. [1] Omdat de godsdienstige vrede van het Oosten werd bedreigd riep de Romeinse Keizer Constantijn de eerste oecumenische raad (de Eerste Raad van Nicaea in 325) bijeen om de problemen op te lossen die door het Arianisme werden veroorzaakt.

Arianisme had als theologische mening dat Jezus goddelijk was, werd gecreëerd en minder is dan God de Vader. Sommigen beweren dat het een stroming is die pas in de 4° eeuw ontstond, maar zij vergeten dat de Leer van Arius in lijn was met de stroming van de 1° eeuw. De apostolische leer dat Jezus de zoon van God is en niet god de zoon.  Wel is er het bijkomende element dat wel anders was dan de apostolische leer van slechts één God, namelijk dat er ook werd gedacht dat de Heilige Geest ook een schepping van God de Vader was, die ondergeschikt zou zijn aan God. De Heilige Geest is echter de Kracht van God en was er dus reeds van bij het begin, en is er steeds geweest, mits God oneindig is en aldus geen begin en geen einde heeft. Zijn Adem of Zijn ‘Zijn’ is dus zijn ‘Eigenlijk wezen’ of Zijn eigenlijk bestaan’ (van het “Ik die ben”) alom tegenwoordig in de eeuwigheid.

Er werd onjuist gekeken naar het ‘god zijn’ of ‘goddelijk zijn’ en naar de goddelijkheid in de vierde eeuw. Er was zo veel verwarring ontstaan dat er een noodzaak ontstond om dit uit te kaarten en hiervoor een raad bijeen te roepen welke vergaderde te Nicaea in 325. De aanhangers van het trinitarisme wonnen daar het pleit en het Arianisme werd er veroordeeld.

De Griekse term consubstantiële homoousios [van de zelfde substantie] die door de raad wordt gebruikt om de verhouding van de Zoon aan de Vader te bepalen was niet universeel populair: het was gebruikt voordien door de afvallige Sabellius. Wat door de Galatian geestelijke Marcellus van Ancyra, de hevigste tegenstander van Arianisme in Klein-Azië, zich ontwikkelde tot de theorie dat de Drievuldigheid het resultaat van emanaties van God was die uiteindelijk tot God in de definitieve uitspraak, het laatste oordeel, zou terugkeren.

Icoon van de heilige Gregorius van Nazianze, met de heilige Basilius de Grote de grondlegger van het Oosterse kloosterleven.

Op het Concilie van Nicea (325) werd er besloten dat de Vader en de Zoon “van dezelfde substantie” moesten zijn en er werd een Catechismus opgesteld met de Niceense Geloofsleer.

De stemmen van orthodoxie, echter, waren niet stil. In het Westen had men de heilige Hilary van Poitiers en in het Oosten de heilige Basilicum de Grote (c.330-379), Griekse prelaat, bisschop van Caesarea in Cappadocia, Dokter van de Kerk en één van de Vier Vaders van de Griekse Kerk met Cappadosische theoloog Gregorius van Nazianze (c.330-390) en de jongere broer van Basilius de Grote,  Gregorius van Nyssa (d. 394?) bleven de formule van de orthodoxe leer van de Drievuldigheid (Drie-eenheid)verdedigen en interpreteerden de Niceense geloofsbeleidenis met God als één wezen in drie hypostasen als een te nemen voorwaarde om christen te zijn. Het niet-christelijk idealisme met zijn hoge morele en esthetische niveau boeide hem. en men kan zich indenken dat de beleving van de heidenen door hun verering van meerdere goden een grotere devotie bleek te verwezenlijken. De toelegging voor een verering van meerdere goden zou de kerk tengoede komen

Tegen 364 had het Westen een Katholieke keizer met de in Cibalis (het huidige Vinkovci) geboren Flavius Valentinianus bekend als Valentinianus I, en toen de Katholieke Theodosius I (346? – 395) (schoonzoon van  Valentinianus I), Romeinse keizer van het Oosten (379-95) en de keizer van het Westen (394-95),  werd Arianisme verbannen.

Valentinianus I die ook wel wordt beschouwd als de laatste grote West-Romeinse keizer was eerlijk en hardwerkend, stichtte scholen, hoewel hij zelf amper kon lezen, en gaf geen belastinggeld uit aan luxe zaken, maar aan forten en andere praktische dingen, zoals gratis medische zorg voor de armen in Rome. Valentinianus was zelf christen, maar er was voor iedereen geloofsvrijheid.

In 379 vroeg  de Antiochië synode en de aartsbisschop Meletios, Gregorius om naar Constantinopel te komen om een theologische campagne te winnen die de stad tot de Nicea orthodoxie zou over halen.

De tweede oecumenische raad werd bijeengeroepen om de Niceense geloofsleer opnieuw te bevestigen en de eenheid van de christenen te versterken. (Constantinopel, de Eerste Raad van 381, tweede oecumenische raad). Het werd bijeengeroepen door Theodosius I, dan keizer van het Oosten en een recente bekeerling, om de overwinning over Arianisme te bevestigen. Aangezien het arianisme door het eerste oecumenische concilie in 325 in Nicea al als ketterij was veroordeeld, hoefde dit onderwerp niet op de agenda van het tweede concilie te staan. Theodosius gebruikte gewoon zijn keizerlijke macht om de nog zeer grote invloedrijke groep aanhangers van het arianisme zoveel mogelijk uit te schakelen.

Ook al leek het Arianisme binnen het imperium meteen verlopen te zijn, kon het toch verder ontwikkelen.
De Gotische Ulfilas of Wulfila [= kleine wolf], (c.311-383) werd als Gotische bisschop (341) aangesteld en vertaalde de Bijbel in het Gotisch. De fragmenten die van deze vertaling zijn overgebleven vormen de oudst opgetekende bronnen in een Germaanse taal. Zijn bekering tot het Christendom in Constantinopel en consecratie tot bischop  door de Ariaanse bisschop Eusebius van Nicomedia droeg  er toe bij dat het Homoeaanse Arianisme tot de Gothen werd gebracht (c.340). Zo werden zij die leefden in wat nu Hongarije en het NW Balkan Schiereiland is met dergelijk succes bekeerd dat Visigothen en andere Germaanse stammen hevige Arianen werden. Arianisme werd zo verder overgedragen over Westelijk Europa en in Afrika.

De Visigotische emigratie

De vandalen bleven Arianen tot hun nederlaag van Belisarius (c.534). Onder de Lombarden waren de inspanningen van Paus St. Gregorius I en de Lombardse koningin succesvol, en Arianisme verdween daar definitief (c.650). In Bourgondië verdeelden de Katholieke Franken het Arianisme door verovering in de 6de eeuw.

Naarmate de Romeinse infrastructuur verder instortte en daarmee de invloed van Rome steeds kleiner werd, verspreidden de Visigoten zich over grotere delen van Gallië.

In Spanje, waar de veroverende Visigoten Arianen waren, werd het Katholicisme niet gevestigd tot midden zesde eeuw (toen Reccared I zich in 589 tot het katholicisme bekeerde), en overleefden de Ariaanse ideeën voor minstens een andere eeuw.
In 554 moesten de Visigoten de provincie Spania in het zuiden (weer) afstaan aan het Byzantijnse Rijk onder keizer Justinianus I, die het op zich genomen had het westen te heroveren.

Bij een poging de invasie van Amayyadische moslims in het zuiden tegen te houden,  kwam koning Roderik om en kwam het grootste deel van Spanje al snel onder islamitisch bestuur. De nog overgebleven Visigotische edelen trokken zich terug, eerst tot in Catalonië maar onder aanhoudende druk van de Moren uiteindelijk tot in Septimanië dat in 762 ook door de Moren bezet werd voor een korte tijd. In 768 werden de Moren door een Frankisch leger onder Pepijn de Korte verjaagd.

De tegenstand tegen het Arianisme bracht heel wat resultaten – de oecumenische raad, het Katholieke Christologische systeem, en zelfs Nestorianisme, en, door reactie, Monofysitisme.
Nestorianisme dat enerzijds zegt dat Jezus uit twee verschillende personen moest bestaan , en Monophystium anderzijds, dicht en onafscheidelijk verbonden met  uniteofysitisme [Gr., =geloof in één aard], of ‘ketterij‘ van de 5de en 6de eeuw, die uit een reactie tegen Nestorianisme voortkwam. Het werd geanticipeerd door het Apollinarianisme en was het eens met de principes van Eutyches, wiens doctrine in 451 in Chalcedon op de vierde oecumenische raad was verworpen.

File:Saint Nestor.jpg

Nestorius – Saint Nestorius of Kyiv Caves – Kiev klooster, Oukraïne

Ook al had Nestorius de eerste ariaanse kerk in Alexandrië  laten verwoesten en kondigde  de keizer een edict af tegen alle ketterijen op instigatie van Nestorius waarin negentien groeperingen bij naam werden genoemd, volgde hij de leer van het trinitarisme en van de incarnatie  van Jezus niet.

Volgens de leer van de Syrische monnik Nestor of Nestoriuspatriarch van Constantinopel, was er de Logos of Woord die de zoon van God was en de man Jezus. Hij trad op tegen gelovigen die Maria de mariologische eretitel Theotokos (moeder van God) gaven. Hij benadrukte de scheiding tussen Jezus’ goddelijke en menselijke kenmerken, zodat Maria enkel de moeder van de menselijke Jezus kon zijn. De tegenstanders van de Moeder Gods gedachte noemden Maria uit de stam van David (of Miriam), Maria Antropotokos. In de strijd tussen de Theotokos- en Antropotokos-aanhangers stelde Nestorius de term Christotokos als compromis voor, zolang maar duidelijk bleef, dat de twee naturen in Christus niet vermengd zijn en de menselijke natuur van Christus niet wordt opgelost in zijn goddelijke natuur. Cyrillus, de patriarch van Alexandrië, protesteerde hiertegen. Voor deze laatste was de menselijkheid van Jezus ondergeschikt aan zijn goddelijkheid. Cyrillus volgde hiermee de Alexandrijnse school. Eusebius van Doryleum timmerde een klaagschrift aan de deur van de kathedraal en stuurde preken van Nestorius naar Rome en Alexandrië. De kwestie werd voorgelegd aan paus Celestinus I (of Coelestinus I) in 430 die tijdens een synode in Rome met Cyrillus van Alexandrië als onderzoeksrechter, Nestorius vroeg zijn stellingen op te geven. In De incarnatione Domini contra Nestorium werd Nestorius veroordeeld, maar overtuigd van zijn gelijk vroeg deze de keizer een algemeen concilie bijeen te roepen in Efeze in 431. De uitspraken van dit  Concilie van Efeze waren dat in Christus de eenheid van twee naturen voorkomt, menselijk en goddelijk. Maria werd gedefinieerd als de moeder van God, ook al was God reeds eeuwig aanwezig en heeft die alles geschapen en kwam de schepping niet voor uit Maria. Cyrillus van Alexandrië heeft een zeer grote invloed gehad op deze concilaire beslissingen. Nogmaals had Cyrillus van Alexandrië als concilievoorzitter een zeer grote invloed op de beslissing om Nestorius te veroordelen.

Candidianus, die als keizerlijk vertegenwoordiger verantwoordelijk was voor de ordehandhaving en al eerder geprotesteerd had tegen de weigering tot uitstel van de zittingen, verklaarde de besluiten tegen Nestorius ongeldig. Theodosius II besloot op 29 juni dat de besluiten ongeldig waren en dat niemand mocht vertrekken.

Johannes van Antiochië en de Syrische bisschoppen kwamen uiteindelijk op 26 juni in Efeze aan en organiseerden in een plaatselijke kroeg een eigen concilie toen zij van het afzettingsbesluit tegen Nestorius hoorden. Zij excommuniceerden op hun beurt Cyrillus van Alexandrië.

Wegens de tweespalt had keizer Theodosius dan maar besloten om zowel Nestorius als Cyrillus af te zetten.

De veroordeling van Nestorius werd niet door iedereen binnen de Antiocheense kerkgemeenschap aanvaard. In de Nestoriaanse Kerk of de Kerk van het Oosten leefden zijn ideeën verder, zoals bij Theodoretus van Cyrrhus, die in de uiteenzettingen van Cyrillus een wederopleving van het apollinarisme zag.

Het Monofysitisme dat ontstond tijdens de christologische controverses van de 5e eeuw ging niet akkoord met het nestorianisme, met zijn duofysitische leer, noch met de twee-naturenleer, zoals vastgelegd in de uitspraken van het Concilie van Chalcedon waarbij men aan Christus zowel een menselijke als een goddelijke natuur gaf die onafscheidelijk van elkaar in Jezus verbonden zou zijn.


[1] Juni, 325. (First Council of Nicaea) plus veertien concilies, gehouden tussen 341 en 360

+

Voorgaand:

Simplified English version: Politics and power first priority #2

Lees ook:

  1. Niet goddelijkheid van Christus toch
  2. Doctrine van de Drievuldigheid
  3. Drie-eenheid of Heilige Drievuldigheid
  4. Is God Drie-eenheid
  5. Ware Geloof en Ware Geloofsgemeenschap
  6. Het begin van Jezus #8 Beloofde Gezalfde zoon van God
  7. Jezus, Heer maar niet God
  8. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #5 Apologeten
  9. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #6 Constantijn de Grote
  10. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #7 Afstandelijken, donatisten en arianisten
  11. Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #8 Concilie van Constantinopel
  12. Groot Drie-eenheidsdebat
  13. God of een god
  14. Heidense invloeden op het trinitarisme

+++

Politiek en macht eerste prioriteit #1

De vroege dagen van het Christendom

2.2.1. Politiek en macht de eerste prioriteit

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.
Foto: RKK

Het was gewoon onmogelijk om mensen terug naar de oude eenvoud te brengen alsook om hen terug tot de oude heidense geloofsvormen te brengen en tot de nationale vorm van verering terug te komen. Derhalve moest het imperium zich zo ver mogelijk identificeren met de progressieve beweging, de bestaande middelen van het nationale leven aanwenden, tolerantie uitoefenen, concessies doen aan de nieuwe godsdienstige tendensen, en de Germaanse stammen ontvangen in het imperium. Deze overtuiging spreidde constant uit, vooral aangezien Constantijn zijn vader goede resultaten daar uit had verkregen. In Gallië, Groot-Brittannië, en Spanje, waar Constantius Chlorus heerste, steeg de vrede en de tevredenheid, en de welvaart van de provincies zichtbaar, terwijl in het Oosten de welvaart door de bestaande verwarring en instabiliteit werd ondermijnd. Maar het was vooral in het westelijke deel van het imperium dat verering van Mithras overheerste. Constantijn vroeg zich af of het niet mogelijk zou zijn om alle verschillende nationaliteiten rond zijn altaren te verzamelen. Kon Sol Deus Invictus, waaraan zelfs Constantijn zijn muntstukken lange tijd wijdde, of Sol Mithras Deus Invictus, door Diocletian en Galerius, niet opperste god van het imperium worden om zo vereerd te worden? Constantijn kan hier over lang nagedacht hebben. De officiële zonnereligie moest algemeen door iedereen in zijn rijk aangenomen worden en die het niet erkenden mochten een kopje kleiner gemaakt worden. Maar hij had de gedachte noch niet verworpen zelfs nadat een wonderbare gebeurtenis hem had beïnvloed ten gunste van de God van de Christenen. [1]

Om politieke redenen, na zijn overwinning tegen zijn rivaal Maxentius, verleende Constantijn tolerantie aan de Christenen en trof een verdere maatregel in hun gunst. Hij was de eerste Romeinse keizer die de weerstand van de kerk tegen een heidens Romeinse staat erkende die op de heerserscultus als politieke factor werd gevestigd.

In 313 gaven hij en Licinius in Milaan het beroemde gezamenlijke bevelschrift van tolerantie uit. Dit verklaarde dat de twee keizers in verband met wat voordelig voor de veiligheid en het welzijn van het imperium was en vooral zou zijn, hadden overlegd en de dienst in overweging hadden genomen die de mens aan „de goddelijkheid“ verschuldigd was. Daarom hadden zij beslist Christenen en al de anderen vrijheid in de oefening van godsdienst te verlenen. Iedereen zou die godsdienst kunnen volgen welke hij het beste beschouwde. Zij hoopten dat „de gekroonde goddelijkheid in hemel“gunst en bescherming zou verlenen aan de keizers en hun onderdanen. Dit was op zichzelf bijzonder genoeg om heidenen in de grootste verbazing te werpen. Wanneer de verwoording van het bevelschrift zorgvuldig wordt onderzocht is er duidelijk bewijsmateriaal van een inspanning om de nieuwe gedachte op een manier uit te drukken die onmiskenbaar om het even welke twijfel wil wegnemen. Het bevelschrift bevat meer dan het geloof, waaraan Galerius aan het eind stem had gegeven, dat de vervolgingen nutteloos waren, en dat vrijheid van verering aan Christenen verleende, terwijl het tezelfdertijd poogde geen belediging aan het adres van de heidenen te brengen. Zonder twijfel werd de term goddelijkheid (god-godin) doelbewust gekozen, voor een heidense interpretatie niet uit te sluiten. De voorzichtige uitdrukking kwam waarschijnlijk in de keizerkanselarij voort, waar heidense concepties en heidense uitdrukkingsvormen nog lange tijd duurden. Niettemin kan de verandering van de bloedige vervolging van het christendom tot de tolerantie er van, een stap zijn die erkenning impliceerde, vele heidenen opgeschrokken en in hen verbazing opwekte maar hun ook de kans gaven om hun godsdienst te laten samensmelten met de andere.

De gevangengenomen Christenen werden bevrijd uit de gevangenissen en de mijnen, en werden ontvangen door hun broeders in het Geloof met toejuichingen van vreugde. Opnieuw geraakten de kerken gevuld, en dezen die afvallig waren geweest zochten vergiffenis. Maar gelukkig bleven er godsdienstige lui die er aan hielden om het originele Christelijk geloof te blijven aanhangen en die zich bewust waren van de gevaren van deze politieke handdruk.

Constantijn was hoofd van de Romeinse wereld geworden en was vastberaden om de geestelijke orde in het Oosten te herstellen zoals hij reeds in het Westen ondernomen had om de Donatisten bij de Raad van Arles neer te leggen. Hij slaagde er in om tot een overeenkomst met de meeste kerkleiders te komen door hen ook macht te geven, dit om sommige leerstellingen te veranderen, ingaand op sommige gedachtegangen, en op vieringen.

In de toewijding van Constantinopel in 330 werd een plechtige halve heidense, halve Christelijke dienst gebracht. Er was een triomfwagen voor de zonnegod geplaatst op de markt, en over zijn hoofd werd het Kruis, teken van de god van het kwaad Tamuz, voor Christus geplaatst, terwijl Kyrie Eleison werd gezongen. Kort voor zijn dood bevestigde Constantijn de voorrechten van de priesters van de oude goden. Veel andere acties die hij ondernam hebben ook de verschijning van halve maatregelen, alsof hij zelf had gewankeld en altijd in werkelijkheid aan één of andere vorm van een versmolten godsdienst had gehouden.[2] Aldus beval hij heidense troepen om van een gebed gebruik te maken waarin om het even welke monotheïst zich kon bij aansluiten, en dat zo liep: „Wij erkennen alleen jij als god en koning, wij roepen op jou als onze helper. Van jouw hebben wij de overwinning ontvangen, door jou hebben wij de tegenstander overwonnen. Aan jou zijn wij dat goede dat wij tot nu toe ontvangen hebben verschuldigd geweest, van jou hopen wij voor het in de toekomst. Aan jou bieden wij onze smeekbeden aan en smeken jou dat jij onze keizer Constantijn en zijn godvrezende zonen voor vele jaren niet gewond zullen geraken en victorieus zullen zijn”.[3]

This argenteus was struck in Antioch mint, und...

This argenteus was struck in Antioch mint, under Constantius Chlorus. (Photo credit: Wikipedia)

De kerk tolereerde de cultus van de keizer onder vele vormen. Het werd toegelaten om van de goddelijkheid van de keizer, van zijn heilige paleis, de heilige kamer te spreken, en van het altaar van de keizer, zonder voor dit als heiligschenner te worden aanschouwd. Uit dit standpunt was Constantijn zijn godsdienstige verandering vrij onbelangrijk; het bestond uit weinig meer dan het afstand nemen van een formaliteit. Voor wat zijn voorgangers hadden getracht te bereiken door het gebruik van al hun gezag, en ten koste van onophoudelijk bloedvergieten, was in waarheid slechts de erkenning van hun eigen goddelijkheid. Constantijn bereikte dit eind, hoewel hij van het aanbieden van offers aan zich zelf afstand nam.


[1] The original Catholic Encyclopedia

[2] Syncretisme

[3] http://oce.catholic.com/index.php?title=Constantine_the_Great

Nota:

Neuenheimer Mithraeum

Mithras relief als stierendoder te Neuenheim in de buurt van Heidelberg, omlijst door scènes uit het leven Mithras

De eerste zonnegod consequent aangeduid als Invictus was de provinciale Syrische god Elagabalus. De godheid Elagabalus ook wel als Jupiter en Sol gekend (fuit autem Heliogabali vel Iovis vel Solis).
De naam van de Perzische god Mithra (“Μίθρας”) [Sanskriet Mitra (मित्रः), gevonden in de Rig Veda], werd aangepast in het Grieks als Mithras, in het Sanskriet betekend “Mitra” “vriend” of “vriendschap”en werd gekoppeld aan een nieuwe en onderscheidende beeldtaal. Het Iraanse “Mithra” en het Sanskriet “Mitra” worden verondersteld afkomstig te zijn van een Indo-Iraanse woord mitra betekenend: “contract, overeenkomst, convenant”. De Romeinen namen de religie mysteriën van Mithras of mysteriën van de Perzen over en moderne historici verwijzen naar die godsdienstvorm als Mithraisme, of soms Romeinse Mithraïsme.Vanaf de 2e eeuw werd Mithras gevierd als de belangrijkste zonnegod. Lucius Domitius Aurelianus Augustus, of Aurelian, die de titel van Germanicus Maximus verkreeg en de Romeinse keizer was van 270-275, was verantwoordelijk voor de bouw van de Aureliaanse Muren in Rome en maakte Mithras de officiële religie in 270.Het was Constantijn die verordende (7 maart, 321) dat er een Solis-dag of dag van de zon moest zijn. Die  “zondag” werd daarom aangenomen als de Romeinse rustdag [CJ3.12.2]. Hij beval: “Op de eerbiedwaardige dag van de zon laat de magistraten en mensen die woonachtig zijn in steden rusten, en laat alle workshops worden gesloten. Op het platteland echter kunnen personen die in de landbouw werken, vrij en legaal doorgaan met hun bezigheden, omdat het vaak voorkomt dat een andere dag niet geschikt is voor de inzaai van graan  of aanplant van wijnstokken, opdat door het verwaarlozen van het juiste moment voor deze operaties de overvloed van de hemel zou verloren gaan. “+

Voorgaand: De vroege dagen van het Christendom 2.1. Hellenistische invloeden

Vervolg: De vroege dagen van het Christendom 2.2.2.  Politiek en macht eerste prioriteit #2

Engelse versie / English version: The early days of Christianity 2.2.1. Politics and power first priority

++

Vindt ook:

  1. Een man die de geschiedenis van het mensdom veranderde
  2. Zondag, zonnegodsdag en zonnepartnersdag Van shabbat naar zondag; >‘Heilige’ samenkomst (mikra kodesh)
  3. Groei eerste christenen , “orthodoxie”
  4. Zeus een heerser van hemel en aarde
  5. Heil tot de gezondene van God of Zeus
  6. Doctrine van de Drievuldigheid
  7. Kerstmis, Saturnalia en de geboorte van Jezus
  8. Jezus’ heerschappij rekt verder dan wij vaak beseffen
    In het Romeinse Rijk was er maar één goddelijke redder, namelijk de keizer. In het begin van het geboorteverhaal van Jezus lijkt deze keizer de wereld te regeren. Hij voert bevel in heel zijn rijk.
  9. Paulus dienaar van het evangelie
  10. Vreemdelingschap
    Christenen in de tijd van de vroege kerk kregen al het verwijt dat ze te veel aan wereldmijding deden.
  11. Groei eerste christenen
  12. Vroege Kerk groeide slechts geleidelijk
  13. Zichtbaar houden van oudste kerken
  14. Scheiding van Kerk en staat
  15. Niet goddelijkheid van Christus toch
  16. Jezus van Nazareth #3 De Zoon van God
  17. Hashem השם, Hebreeuws voor “de Naam”
  18. Schoonheid van heiligheid

Hellenistische invloeden

De vroege dagen van het Christendom

2. Hellenistische invloeden

In de eerste eeuwen van de gewone tijdrekening was de invloed van de Griekse cultuur in het Romeinse Rijk nog steeds merkbaar en behoedde Griekenland zijn culturele erfgoed; een van de belangrijkste universiteiten van het Romeinse Rijk stond in Athene.

Bij de Atheense scholen konden onder haar leden ook Christenen, zoals Prohæresios, de sofist, gevonden worden. (σοφιστης; sophistés, kan het best vertaald worden als geleerde of deskundige. Sophos of sophia betekende “wijs”)

Vooral tijdens de periode van de 2e helft van de 5e eeuw v.G.T. kon men meestal rondreizende “beroepsdenkers” aantreffen die hun encyclopedische vakkennis inzake wiskunde, literatuur, filosofie en vooral ook welsprekendheid, praktische staatkunde en recht, tegen (hoge) betaling dienstbaar maakten aan de opleiding van de rijpere jeugd uit de gegoede middenklasse. Zo zorgden dezen dat hun leerlingen door middel van onderwijs op het vlak van kennisleer en welsprekendheid op geleid werden tot bekwame mensen die een leidende rol zouden kunnen spelen in de gedemocratiseerde maatschappij en in staat waren het woord te nemen in de volksvergadering (Grieks: ekklèsia).

De sofisten, aan wie de eer toe komt om als eersten de wetten van het denken te hebben gesystematiseerd (logica), kwamen uit vrijwel alle gebieden van de Griekse wereld en doceerden in bijna alle steden.

Zij waren ook de voorlopers van de socratische dialectiek en van aristotelische logica. Latere sofisten waren meer op materieel succes uit en benadrukten het belang van retoriek als de kunst van de overtuiging in de politiek, in de rechtszaal of in andere discussies. Tegen deze praktijk nam Socrates stelling, want waarheid kon volgens hem niet afhankelijk zijn van degene die het overtuigendst op gevoelens inpraatte en met alle mogelijke middelen zijn gelijk probeerde te halen. Op die manier werd een slechte zaak immers als goed voorgesteld. Vooral onder invloed van de dialogen van Plato en Xenophon, kregen de sofisten een kwalijke reputatie, en werd sofistiek verbonden met een manier van redeneren waarbij drogredenen werden gebruikt (sofismen). Zij werden door sommigen er van beschuldigt eerder uit te zijn op macht dat te zoeken naar waarheid en gerechtigheid.

The "obscene" medieval depiction of ...

Obscene middeleeuwse voorstelling van Socrates en Plato

Ook Sixtus II, of Xystos, die aan martelaarschap leed in Rome ongeveer rond 258 G.T., kan ook in Athene gestudeerd hebben en is de „zoon van een Atheense filosoof“. Maar de meest genoteerde mensen die deze scholen frequenteerden waren Basil van Kæsareia, en Gregorius van Nazianzos, rond het midden van de vierde eeuw. Deze scholen van filosofie hielden het heidendom voor vier eeuwen levend, maar tegen de vijfde eeuw was de oude godsdienst van Elevsis en Athene praktisch bezweken. In de Raad van Nikæa was er een bisschop van Athene aanwezig. In 529 waren de scholen van filosofie gesloten. Van die datum had het christendom geen rivaal meer in Athene.[1]

De Nazarener Jood Jezus kreeg bij de doop door zijn neef Johannes een wolk en duif boven hem, waarbij de stem van God te kennen gaf dat hij de “zoon van God” was.  God zij niet “dit ben ik hier in menselijke gedaante” of “ziehier God de zoon“. Tijdens zijn openbaar leven leerde Jezus de mensen ook dat er slechts één ware God was tussen de vele goden die werden aanbeden door de verschillende volkeren. Hij aanschouwde zijn vader in de hemel als de Allerhoogste God. Eveneens leerde hij de mensen dat de ziel, het eigenlijke levensbestaan van de mens beperkt in de tijd was. Elke mens was volgens Jezus sterfelijk. (Johannes 17:3; Mattheus 10:28) Bij de dood van de apostelen kwam er een verzwakking in de originele structuur van de geloofsvereniging en werden zulke leerstellingen vermengd met heidense leerstellingen. Het christendom raakte alom meer bezoedeld door die heidense en hellenistische gedachten.

Ook de Naam van God, Jehovah, die Jezus zeer belangrijk vond, werd meer opzij geschoven ten voordele van andere namen. De voorkeur om de godheid meerdere persoonlijkheden toe te kennen zoals in het hellenistische systeem bracht mee dat verscheidene christenen hun godheid ook gingen opsplitsen in drie persoonlijkheden, de geboorte van de zogenaamde Heilige Drie-eenheid. Het zou echter nog enkele decennia duren eer de drievuldigheid grote navolging kreeg.

Als gevolg van de vermenging van de verscheidene geloofsideeën werden heidense doctrines zoals de Drie-eenheidsleer en de onsterfelijkheid van de ziel al sijpelde opgenomen in de christelijke leer om deze te bederven. Deze leringen gaan echter veel verder terug dan de Griekse filosofen. De Grieken verworven ze daadwerkelijk van oudere culturen, want er is bewijs van een dergelijk onderricht in de oude Egyptische en Babylonische religies. Zoals andere heidense doctrine bleef zij het christendom infiltreren en werden andere Schriftuurlijke leerstellingen ook vervormd of verlaten.

Arabisch Diatessaron, Vertaald door Abul Faraj Al Tayyeb van Syrisch naar Arabisch, 11e eeuw

De vraag welke betrekking de Zoon had tegenover de Vader (zelf erkend bij allen om één Opperste Godheid te zijn), gaf een toename tussen de jaren. 60 en 200 G.T.,  aan een aantal Theosofische systemen, over het algemeen Gnosticisme genoemd, met als voorname auteurs Basilides, Valentinus, Tatianus de Syriër, ontwerper van het Diatessaron (‘Uit vier samengesteld’; geschreven tussen 170 en 180), een harmonie van de vier evangeliën, en andere Griekse speculanten.[2] Volgens sommigen was het door Gnosticisme dat heidense invloeden in de Christelijke verering zijn toegetreden. Gnosticisme, beweren zij, diende dan enigszins als brug tussen heidendom en christendom.[3] De Gnostische systemen openbaarden meer theosofie dan theologie. Zo ook in de Joodse kabbala, met de  Sefer Yetzirah, The Zohar, Pardes Rimonim, en Eitz Chaim, waarin de leer van een geheime, mystieke interpretatie van de Torah wordt gegeven, treft men de theosofie aan die een oplossing zoekt te vinden voor de natuurverschijnselen en de bedoeling van het bestaan De verscheidene ontologische vragen brachten een vermenging in de godsdienst met diverse vormen van magie en occultisme.

Flemish edition of the Corpus Hermeticum or the Hermetic Corpus

Corpus Hermeticum, Vlaamse uitgave uit 1643

De belangrijkste hellenistische bron is het Corpus Hermeticum, een verzameling teksten toegeschreven aan Hermes Trismegistus wiens leerstellingen weer erg relevant werden in de New Age. Daarin worden astrologie en andere occulte wetenschappen behandeld, alsook spirituele vernieuwing.

Alexandrië, vol Joden, was het literaire evenals commerciële centrum van het Oosten, en het verbindende verband tussen het Oosten en het Westen. Daar werden de grootste bibliotheken verzameld; daar kwam de Joodse geest dicht in contact met de Griekse, en de godsdienst van Mozes met de filosofie van Plato en Aristoteles. Daar schreef Philo, terwijl Christus in Jeruzalem en Galilea onderwees, en zijn werken waren bestemd om een grote invloed op Christelijke exegese door de Alexandrische vaders uit te oefenen.

Tijdens de vierde eeuw ging Egypte aan de kerk de Ariaanse, Athanasian orthodoxie, en kloosterpiëteit van St. Antonius en St. Pachomius geven, die met onweerstaanbare kracht over het christendom uitspreiden.

De theologische literatuur van Egypte was voornamelijk Grieks. De meeste vroege manuscripten van de Griekse Geschriften – inclusief de waarschijnlijk onschatbare Sinaitische en Vaticaanse Manuscripten omvattend. – werden geschreven in Alexandrië. Maar reeds in de tweede eeuw werd de Heilige Schrift vertaald in de lokale taal, in drie verschillende dialecten. Wat van deze versies overblijft is van aanzienlijk gewicht in het nagaan van de vroegste tekst van het Griekse Testament.

Tot de joden die het meest ontvankelijk waren voor hellenistische invloeden, behoorden de priesters. Voor velen van hen betekende het aanvaarden van het hellenisme een manier om het judaïsme met zijn tijd te laten meegaan.

Terwijl veel joden het hellenisme aanvaardden, moedigde een nieuwe groep die zich Hasidim of Chassidim noemde — vromen (letterlijk “liefhebbende vriendelijkheid”, afgeleid van het Hebreeuwse חסידות (chassidoet), dat “vroomheid” betekent) —, aan tot striktere gehoorzaamheid aan de wet van Mozes of Mozaïsche Wet.

De eerste groep Hasidim, ook genoemd Chasideeën of Assideeën (Hebreeuws: חסידים Hassidim, “Integeren” of “Vromen”; Koinè: Ἁσιδαίοι Asidaioi) of Hasideans (afgeleid van het Griekse asidaioi, of van het Hebreeuwse Hasidim, “het vrome”), waren een oude Joodse sekte die zich tussen 300 en 175 V.G.T. ontwikkelde. Zij waren de stijfste aanhangers van Judaïsme in tegenstelling tot die Joden die door Hellenistische invloeden waren beïnvloed. Hasidim leidde de weerstand tegen de hellenizerings campagne van Antiochus IV van Syrië, en zij kwamen grotendeels in de vroege fasen van de opstand voor van Maccabeeën of Machabees, Joodse families van de 2d en 1st eeuw voor Christus welke een restauratie van het Joodse politieke en godsdienstige leven bewerkstelligde. Zij worden ook Hasmoneans of Asmoneans genoemd naar hun voorvader, Hashmon. Hun rituele striktheid heeft sommigen veroorzaakt om hen als voorlopers van Farizeeërs te zien. Doorheen de Talmoedische periode werden talrijke als Hasidim omschreven.[4] Het gewone volk walgde nu van de gehelleniseerde priesters en koos meer en meer partij voor de Chassidim. Er brak een periode van martelaarschap aan toen joden in het hele land werden gedwongen zich in heidense gebruiken en offers te schikken of te sterven.[5]

De hellenisering van de Joden in de pre-Hasmoneaanse periode werd niet door iedereen weerstaan. In het algemeen, accepteerden de Joden vreemde overheersing wanneer ze enkel werden gevraagd om er erkenning aan te geven. Wanneer zij formeel alleen maar hulde hoefden te brengen te brengen, en zich verder zelf intern mochten besturen was er geen probleem . Toch geraakten de Joden verdeeld tussen dezen die  de hellenisering begunstigden  en diegenen die zich daar  tegenover verzetten. Zo groeide de verdeeldheid tussen hen die trouw aan de Ptolemaeën verkozen, en diegenen die de Seleuciden verkozen. Toen hogepriester Simon II stierf in 175 vGT, brak er een conflict uit tussen de aanhangers van zijn zoon Onias III (die tegen hellenisering was, en de Ptolemaeën verkoos) en zijn zoon Jason (die de voorkeur gaf aan hellenisering, en de Seleuciden verkoos). Een periode van politieke intriges volgde, met priesters zoals Menelaus die de koning omkocht voor het hoge priesterschap te verkrijgen, en beschuldigingen van moord van concurrerende kanshebbers voor de titel. Het resultaat was een korte burgeroorlog. De Tobiads, een filo-Hellenistische partij, slaagden er in om Jason in de machtige positie van de Hogepriester te plaatsen. Hij vestigde een arena voor openbare spelen dicht bij de tempel. (Ginzberg, Lewis. “The Tobiads and Oniads.”. Retrieved 2007-01-23. Jewish Encyclopedia.) Auteur Lee I. Levine merkt op: “De ‘pièce de resistance’ van Judese hellenisering, en de meest dramatische van al deze ontwikkelingen, kwam in 175 vGT toen de hogepriester Jason Jeruzalem bekeerde tot een Griekse polis vol met gymnasiums en ephebeion (2 Makkabeeën 4). Of deze stap het hoogtepunt van een 150-jaar durend proces van hellenisering werd binnen Jeruzalem in het algemeen, of dat het slechts het initiatief was van een kleine kliek van Jeruzalemse priesters zonder wijdere vertakkingen, is voor decennia besproken geworden. “(Levine, Lee I. jodendom en hellenisme in de oudheid: conflict of samenvloeiing Hendrickson Publishers, 1998 pp 38 tot 45 Via.. “De impact van de Griekse cultuur op normatieve jodendom.”)

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.

Sint Constantijn (Άγιος Κωνσταντίνος); deel van een Kretenzische icoon waarop ook Sint Helena staat afgebeeld.
Foto: RKK

Constantijn (C., Flavius Valerius Constantinus) trachtte het christendom met bepaalde heidense gebruiken en leerstellingen te versmelten, en hij ondernam de eerste stappen om deze fusiereligie tot de officiële staatsreligie te maken. Aldus werd Griekenland een deel van de christenheid.

Constantijn was tijdens de vervalperiode van het Romeinse Rijk de Grote keizer (306–337 G.T.) en verplaatste de hoofdstad van het Romeinse rijk van Rome naar Byzantium, welk hij ter ere van zichzelf Constantinopel noemde.

In 321 G.T. verordende Constantijn dat de zondag (Lat.: dies Solis, een oude titel die verband hield met astrologie en zonaanbidding, niet Sabbatum [sabbat] of dies Domini [dag des Heren]) een rustdag voor iedereen, behalve voor de boeren, zou zijn. Constantijn bovendien plaatste de zondag onder de bescherming van de Staat. Constantijn spreekt niet van de dag van de Heer, maar van de eeuwige dag van de zon zoals de gelovigen in Mithras ook zondag evenals Kerstmis waarnamen.

Mesopotamische kalksteen rolzegel en afdruk: verering van Šamaš de zonnegod (Louvre)

Geloof in het oude polytheïsme was door elkaar geschud; in flegmatieker naturen, als de Romeinse keizer Diocletianus, en toonde haar kracht enkel in de vorm van bijgeloof, magie en waarzegging. Waarschijnlijk erkenden veel van de meer edelmoedigen de waarheid in Judaïsme en christendom, maar geloofden dat zij er deel van konden gaan uitmaken zonder verplicht te worden te verzaken aan hun heidense praktijken en verering van o.a. hemellichamen. Zulk iemand was Keizer Alexander Severus; een andere gelijkdenkende was Aurelian, wiens opinies bevestigd werden door Christenen zoals Paulus van Samosata. Niet alleen Gnostici en andere ketters, maar ook Christenen die zich als gelovige beschouwden, namen de maatregelen aan om de zon te vereren. Ook Constantijn koesterde dit verkeerde geloof.[6]


[1] Christian Athens, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[2] Arianism., Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[3] Notion and characteristics, Catholic Encyclopaedia, New York 1908

[4] In de 18de Eeuw zou deze beweging opnieuw, voor de derde keer, opgenomen worden, maar nu in Oost Europa, door rabbijn Yisroel ben Eliezer (1698-1760) ook gekend als Rabijn Israël Baal Shem Tov (Hebreeuws voor Meester van de Goede Naam)als reactie tegen overdreven legalistische Judaïsme.

[5] S. Lieberman, Hellenism in Jewish Palestine (1962); S. G. Kramer, God and Man in the Sefer Hasidim (1966); A. L. Lowenkopf, The Hasidim (1973).

[6] The original Catholic Encyclopedia

Positie en macht

Geschiedenis van het Christendom 1. De vroege dagen van het Christendom

Voorgaand: 1.1. Eerste Eeuw van het Christendom

1.2.       Aanzien als een gevaar

1.2.1.              Positie en macht

De stichter van het christendom, Jezus uit Nazareth[1], de Christus, bad dat er eenheid onder zijn volgelingen mocht bestaan (Johannes 17:21), en er was de apostelen zeer veel aan gelegen de eenheid van de christelijke gemeente te bewaren (1 Korinthiërs 1:10; Judas 17-19), maar al in de eerste eeuw kwam er vals onderwijs in het christendom.

Het feit, dat de Christenen een dicht verenigd lichaam waren, vers, krachtig, hoopvol, en dagelijks toenemend, terwijl heidenen grotendeels een losse samenvoeging waren, dagelijks verminderend, maakte dit de ware prospectieve sterkte van de kerk veel groter. Maar zij bleven sterk omringd door allerlei verscheiden heidense geloofsvormen en populaire activiteiten die soms zeer verleidelijk konden zijn.

Met het verstrijken der jaren kwamen de Christenen voor allerlei beproevingen en vervolging te staan. Net als die eerste discipelen putten zij vertroosting en aanmoediging uit hun samenkomsten. Bijgevolg schreef de apostel[2] Paulus in Hebreeën 10:24, 25: „Laten wij op elkaar letten ten einde tot liefde en voortreffelijke werken aan te sporen, het onderling vergaderen niet nalatend, zoals voor sommigen gebruikelijk is, maar laten wij elkaar aanmoedigen, en dat te meer naarmate gij de dag ziet naderen.” Die woorden zijn veel meer dan een gebod om bijeen te blijven komen. Ze verschaffen een door God geïnspireerde norm die voor alle christelijke vergaderingen geldt — en eigenlijk voor elke gelegenheid dat Christenen bijeenzijn.

De apostelen waren er bewust van dat onenigheid in het geloof tot heftig geredetwist, tweespalt en zelfs vijandschap kon leiden. (Vergelijk Handelingen van de Apostelen 23:7-10.) De apostels en de vroeggeïnspireerde mensen van de eerste eeuw verdedigden het Christelijke geloof op twee manieren: mondeling (Handelingen 22.1, Filippenzen 1.7, 16, 2 Timotheüs. 4.16) en door middel van literatuur (1 Korintiërs. 9.3). Al in hun tijd moesten de apostelen de aanhangers van Christus voor valse leraren en het verkeerde onderwijs waarschuwen welke reeds het geloof in de eerste eeuw langzaam binnendrongen.

De apostel Johannes weerlegde de misvattingen van hoe te goddelijk te leven in aanwezigheid van de docetic-gnostische leraren die de kerk infiltreerden (1 Johannes 2.1). „ Er zijn veel verleiders of dwaalleraars tot de wereld uitgegaan; die niet belijden dat Yahshua/Jezus de Messias in het vlees is gekomen. Dit is verleider en een antichrist.“ (2 Johannes 1:7) „omdat een aantal valse leraren in de wereld zijn uitgegaan, die geen getuigenis geven dat Jezus Christus in het vlees kwam. Zulk één is een valse leraar en een Antichrist.“ (2 Johannes 1:7)

Petrus schrijft: „Maar er waren ook valse profeten onder de mensen, zelfs aangezien er valse leraren onder u zullen zijn, die in het geheim in afgrijselijke ketterijen zullen brengen, zelfs ontkennend dat de heer hen kocht, en op zich vlugge vernietiging zullen brengen” (2 Petrus 2:1) „vooral hen die hun oude aard volgen in verlangen voor vuiligheid en wie gezag verachten. Vermetel en verwaand, zonder blikken of blozen, schromen zij niet de hemelse machten te beschimpen. En beven deze valse leraren niet bij het beledigen van engelachtige wezens; “ (2 Petrus 2:10)

Niemand van echt belang wil verkeerd zijn op wat de Bijbel onderwijst. Daarom moeten wij voorzichtig en bereid zijn om al het Bijbels bewijsmateriaal zo langzaam of zo snel te zien als het geanalyseerd kan worden. In principe, is het wat wij in de instructie van Paulus aan de bewoners van Thessaloniki vinden: „Doof niet de Geest. Veracht het profeteren niet. Bewijs alle dingen; houdt vast aan alles dat goed is. Onthoudt u of houdt u ver van al de verschijningen van kwaad.“ (1 Thessalonicenzen 5:19 – 22)

Verblijvend in de woorden van het Evangelie (Johannes 8.31-32) moeten wij geduldig zijn, hopend om de gift van de Heilige Geest te ontvangen, en de Bijbelse feiten zichzelf laten openbaren onder hun eigen voorwaarden. Aan dat geduld ontbrak het enkele vroege Christenen, alsook vonden zij het niet aangenaam om hun oude gewoonten zo maar op te geven. Zij werden toen aangetrokken door hen die vonden dat het niet zo belangrijk was om zo strikt aan alles te houden.

Het Romeinse Rijk

Zolang de apostelen nog leefden, beschermden zij de gemeente. De geschiedenis getuigt dat de vroege christenen niet betrokken waren bij de politieke aangelegenheden van het Romeinse Rijk en dat zij geen vooraanstaande klasse van geestelijken hadden. In plaats daarvan waren zij ijverige verkondigers van Gods koninkrijk. Tegen het einde van de eerste eeuw hadden zij getuigenis gegeven in alle delen van het Romeinse Rijk en discipelen gemaakt in Azië, Europa en Noord-Afrika. (Kolossenzen 1:23). Deze verrichtingen in de prediking betekenden echter niet dat het niet langer noodzakelijk was geestelijk waakzaam te blijven. Jezus’ voorzegde komst lag nog ver in de toekomst.

Sekten moesten dus vermeden worden, aangezien ze tot de werken van het vlees behoorden (Galaten 5:19-21). Christenen werden vermaand geen sekten te bevorderen noch zich door valse leraren op een dwaalspoor te laten brengen (Handelingen der Apostelen 20:28; 2 Timotheüs 2:17, 18; 2 Petrus 2:1). In zijn brief aan Titus gebood de apostel Paulus dat een mens die er na een eerste en een tweede ernstige vermaning mee bleef voortgaan een sekte te bevorderen, verworpen moest worden, wat blijkbaar betekende dat hij uit de gemeente gesloten moest worden (Titus 3:10). Degenen die weigerden betrokken te raken bij het veroorzaken van verdeeldheid binnen de gemeente of bij het ondersteunen van een bepaalde partij, zouden zich door hun trouwe wandel onderscheiden en er blijk van geven Gods goedkeuring te bezitten. Dit bedoelde Paulus blijkbaar toen hij tot de Korinthiërs zei: „Er moeten ook sekten onder u zijn, opdat de goedgekeurden onder u ook openbaar mogen worden.” (1 Korinthiërs 11:19).

De christenen hielden er hoge beginselen van moraliteit en rechtschapenheid op na, en met vurige ijver maakten zij een hoopgevende boodschap bekend. Duizenden verlieten het judaïsme en aanvaardden het christendom (Handelingen 2:41; 4:4; 6:7). In de ogen van de joodse religieuze leiders waren Jezus’ joodse discipelen louter afvalligen. (Vergelijk Handelingen 13:45.) Deze woedende leiders waren van mening dat het christendom hun tradities teniet deed. Ja, het loochende zelfs de kijk die zij op heidenen hadden! Vanaf 36 G.T. konden heidenen christenen worden en zich in hetzelfde geloof en dezelfde voorrechten verheugen als joodse christenen. (Handelingen 10:34, 35).

Christelijke martelaars

Christelijke martelaars

Wegens hun hoge moraliteitsbeginselen en het vasthouden aan hun geloofsovertuiging op meerdere gebieden werden de Christenen in de Romeinse wereld niet geliefd. Hun afgescheiden van de wereld (Johannes 15:19) riep aversie op. Zij bekleedden dus geen politiek ambt en weigerden militaire dienst. Als gevolg hiervan „werden [zij] voorgesteld als mensen die dood waren voor de wereld, en onbruikbaar voor alle aangelegenheden van het leven”, aldus de geschiedschrijver August Neander. Geen deel van de wereld zijn, betekende ook de goddeloze wegen van de verdorven Romeinse wereld mijden. „De kleine Christengemeenschappen stoorden de pleziermakende heidense wereld met hun vroomheid en fatsoen”, legt de geschiedschrijver Will Durant uit (1 Petrus 4:3, 4). Door christenen te vervolgen en terecht te stellen, hebben de Romeinen misschien wel geprobeerd de kwellende stem van het geweten tot zwijgen te brengen.

De eerste-eeuwse christenen predikten het goede nieuws van Gods koninkrijk met onwankelbare ijver (Mattheüs 24:14). Omstreeks 60 G.T. kon Paulus zeggen dat het goede nieuws ’in heel de schepping die onder de hemel is, gepredikt’ was (Kolossenzen 1:23). Tegen het einde van de eerste eeuw hadden Jezus’ volgelingen discipelen gemaakt in het hele Romeinse Rijk — in Azië, Europa en Afrika! Zelfs sommige leden van „het huis van caesar” werden christenen (Filippenzen 4:22). Deze ijverige prediking wekte wrevel. Neander zegt: ’Het christendom maakte gestadig vorderingen onder mensen uit alle lagen van de bevolking en dreigde de staatsreligie ten val te brengen.’ U kan zich voorstellen hoe belangrijk het wel kon zijn om toch mensen te laten infiltreren om hen op andere gedachten te laten brengen.

Jezus’ volgelingen (of aanhangers van Christus) schonken Jehovah exclusieve toewijding (Mattheüs 4:8-10). Misschien bracht dit aspect van hun aanbidding hen meer dan wat anders in conflict met Rome. De Romeinen waren tolerant ten aanzien van andere religies, zolang hun aanhangers ook deelnamen aan de keizeraanbidding. De vroege christenen konden gewoon niet aan een dergelijke aanbidding deelnemen. Zij bezagen zich als personen die rekenschap verschuldigd waren aan een autoriteit die hoger was dan die van de Romeinse staat, namelijk Jehovah God (Handelingen 5:29). Als gevolg hiervan werd een christen, ook al was hij verder in alle opzichten nog een zodanig voorbeeldige burger, als een staatsvijand beschouwd.

Keizer Nero

Er was nog een reden waarom getrouwe christenen in de Romeinse wereld „voorwerpen van haat” werden: Gemene laster over hen werd grif geloofd, beschuldigingen waarvoor de joodse religieuze leiders in niet geringe mate verantwoordelijk waren (Handelingen 17:5-8). Omstreeks 60 of 61 G.T., toen Paulus in Rome op zijn berechting door keizer Nero wachtte, zeiden vooraanstaande joden over christenen: „Werkelijk, wat deze sekte aangaat, het is ons bekend dat ze overal tegenspraak ondervindt” (Handelingen 28:22). Nero zal beslist lasterlijke verhalen over hen gehoord hebben. In 64 G.T. koos hij, toen men hem voor de brand die Rome teisterde verantwoordelijk hield, naar verluidt de reeds alom belasterde christenen als zondebokken uit. Dit schijnt een golf van gewelddadige vervolging teweeggebracht te hebben, die ten doel had de christenen uit te roeien.[3]

De valse beschuldigingen die tegen de christenen werden ingebracht, kwamen vaak neer op een mengsel van regelrechte leugens en een verdraaiing van hun geloofsopvattingen. Omdat zij monotheïstisch waren en niet de keizer aanbaden, werden zij als atheïstisch bestempeld. Omdat sommige niet-christelijke gezinsleden hun christelijke familieleden tegenstonden, werden christenen ervan beschuldigd gezinnen te ontwrichten (Mattheüs 10:21). Zij werden voor kannibalen uitgemaakt, een beschuldiging die volgens sommige bronnen was gebaseerd op een verdraaiing van de woorden die Jezus tijdens het Avondmaal des Heren had geuit. (Mattheüs 26:26-28).

Tegen het eind van Nero’s regeerperiode werden de Christenen, onder de zwaarste sancties, zelfs dat van dood, vereist om offers aan de keizer en aan heidense goden aan te bieden. Na de dood van Nero hield de vervolging op, en de aanhangers van Jezus genoten van een tamelijke vrede tot Domitiaan, een keizer van vergelijkbare verdorvenheid als Nero regeerde

Verwoesting Tempel Jeruzalem

De verspreiding van de Joden, en de totale vernietiging van hun stad en tempel in 70 G.T, zijn de volgende gebeurtenissen van overweging in de rest van de eerste eeuw. De aantallen die onder Vespasian in het land verdwenen, en onder Titus in de stad, van 67-70 G.T. omkwamen door hongersnood, de interne facties, en het Romeinse zwaard, liepen op tot één miljoen drie honderd vijftig duizend vier honderd zestig, naast honderd duizend verkocht in de slavernij.[4]

Eusebius, de vader van geestelijke geschiedenis schrijft dat nadat Domitianus tegen velen zijn wreedheid had uitgeoefend, en onterecht had gedood waaronder geen klein aantal edele en belangrijke mensen in Rome, en, zonder oorzaak, die enorme aantallen eerbare mensen met ballingschap en de inbeslagneming van hun bezit heeft gestraft, zich vestigde als uitvoerig opvolger van Nero in zijn haat en vijandigheid aan God.[5] Hij volgde ook Nero in het tarten van hen. Hij beval dat zijn eigen standbeeld zou worden aanbeden als een god, herzag de wet van verraad, en omringde zich met spionnen en informanten om een tweede vervolging van de Christenen teweeg te brengen.

NYC - Metropolitan Museum of Art - Roman statu...

Roman statue of Artemis - NYC Metropolitan Museum of Art

Niettegenstaande de Romeinse keizers, Romeinse gevangenissen en Romeinse executies slaagde het christendom er in om toch een stille opmars te maken. In weinig meer dan zeventig jaar na de dood van Christus, had het dergelijke snelle vooruitgang geboekt in sommige plaatsen om de val van heidendom te bedreigen. Christenen haalden zich meer en meer de haat van heidense aanbidders op de hals. Zo was in het oude Efeze het vervaardigen van zilveren tempeltjes van de godin Artemis een winstgevend bedrijf. Maar toen Paulus daar predikte, reageerde een aanzienlijk aantal Efeziërs hier gunstig op en keerden zij de aanbidding van Artemis de rug toe. Nu hun handel werd bedreigd, veroorzaakten de zilversmeden een volksoploop (Handelingen 19:24-41). Iets overeenkomstigs deed zich voor nadat het christendom zich tot in Bithynië (nu Noordwest-Turkije) had uitgebreid. Niet lang nadat de christelijke Griekse Geschriften waren voltooid, berichtte de bestuurder van Bithynië, Plinius de Jongere, dat heidense tempels werden verlaten en de verkoop van voer voor offerdieren drastisch terugliep. De christenen kregen de schuld — en werden vervolgd — omdat in hun aanbidding geen plaats was voor dierlijke slachtoffers en afgoden (Hebreeën 10:1-9; 1 Johannes 5:21). Het is duidelijk dat de verbreiding van het christendom invloed uitoefende op bepaalde gevestigde belangen die met heidense aanbidding verband hielden, en degenen die als gevolg hiervan zowel handel als inkomsten kwijtraakten, waren hier gebelgd over.

Door de vooruitgang van christendom werden de tijdelijke belangen van een groot aantal personen ernstig beïnvloed. Dit was een vruchtbare en bittere bron van vervolging. Heidense tempels werden meer en meer verlaten, de verering van de goden werd veronachtzaamd, en de slachtoffers voor offers werden zelden gekocht. Dit hief natuurlijk een populaire schreeuw tegen het christendom op, zoals er zich voor deed in Efeze: „ons ambacht is in gevaar tot niets teruggebracht te worden, en dat de tempel van de grote godin Diana zal worden veracht.“ Een talloze menigte van priesters, beeldhouwers, handelaars, waarzeggers, voorspellers, en vakmannen, vonden een goed leven met betrekking tot de verering van zo vele goden. Al dezen, zagen hun ambacht in gevaar, stegen in verenigde sterkte tegen de Christenen, en zochten op elke manier om de vooruitgang van christendom tegen te houden. De sluwe priesters en listige zieners en waarzeggers overreedden in het algemeen, gemakkelijk de gewone mensen, en overtuigden de openbare mening dat alle rampen, oorlogen, stormen, en ziekten die mensheid troffen, op hen door de boze goden werden verzonden, omdat de Christenen die hun gezag verachtten overal werden getolereerd.[6] Zij vonden en verspreidden de meest gemene lasterpraatjes tegen alles wat christelijk was en legden veel en erge klachten voor tegen de Christenen vóór de gouverneurs. Dit was vooral zo in de Aziatische provincies waar het christendom het meest overwegend was.

De eerste Christenen trokken zich natuurlijk van paganisme terug, hielden hun bijeenkomsten in het geheim en werden een afzonderlijke en verschillende groep van mensen. Zij konden zo het aanhangen van polytheïsme enkel maar veroordelen daar het volkomen tegengesteld was aan het ware leven en ware God, en aan het evangelie van Zijn Zoon Jezus Christus. Dit gaf de Romeinen de idee dat de Christenen aan het menselijke ras vijandig waren, doordat zij zagen dat zij alle godsdiensten, buiten de hunne, veroordeelden. Vandaar dat zij„Atheïsten“ werden genoemd omdat zij niet geloofden in heidense goden, en heidense verering verafschuwden.[7] Maar die afzondering van die heidense bevolking leek niet altijd even gemakkelijk.


[2] „apostel“ betekent vooruitgezondene.

[3] In de maand Juli 64 G.T. brak een grote brand uit in het Circus, welke zich bleef uitspreiden tot het al oude grandeur van de keizerstad in ruïnes legde. De vlammen breidden zich met grote snelheid uit door de kracht van de wind en door de lange smalle straten van Rome stad, over de heuvels en valleien. De algemene vuurzee. verpakte in een korte tijd de gehele stad in één blad verterende vlammen.

[4] Dean Milman’s History of the Jews, vol. 2, book 16, page 380

[5] Roman History, Encyclopedia Britannica, vol. 19, page 406

[6] Mosheim’s Ecclesiastical History, vol. 1, page 67. Cave’s Primitive Christianity; early chapters

[7] De christelijke verering, in ware eenvoud, zonder de hulp van tempels en priesters, riten en ceremonies, wordt nu niet veel beter begrepen door het Christendom tegenover toen door het heidense Rome. Vandaag willen vele naamchristenen ook priesters in gewaden zien en diensten met offergaven, wierook en symbolen in tempels of speciale kerkgebouwen. In plaats van te beseffen dat God een Geest is, “en zij dat Hem vereren moeten Hem in geest en in waarheid aanbidden.“ (Johannes 4:24)

+

Aanverwante lectuur

Lees ook Zichtbaar houden van oudste kerken

Christen worden iets anders dan lid worden van een kerk.

1Korinthiërs 3:6-7 God die Wasdom geeft #2 Paulus en andere dienaars.

Heidense tempels & Kompromis met kerkvaders

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen #7 Afstandelijken, donatisten en arianen

Uit het vorige artikel (Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. – Constantijn de Grote) kon u opmaken dat doorheen de jaren de leerlingen van Jezus en hun opvolgers meer en meer geconfronteerd werden met tegensprekende gedachten. Reeds in de eerste eeuw hadden de apostelen gewaarschuwd voor valse leraren, valse religie en valse profeten. Maar de wereld verkneukeld zich graag in gewoonten en houdt graag vast aan gebruiken, traditionele feesten en ziet zich niet graag in afzondering leven of als buitenbeentje beschouwd worden. Het willen behoren tot de gemeenschap werd als belangrijker aanschouwd dan het trouw blijven aan een juiste leer.

De Griekse wijsgerig-wetenschappelijke denk- of redeneermethodes én de Grieks-wijsgerige denkbeelden slopen de theologie binnen waarbij men ook naar wetenschappelijke theorieën en wijsgerige denkpatronen zocht. Met behulp van wetenschappelijke analyses probeerde men  inzicht te krijgen in het ‘wezen’ van God, en vervolgens ook in andere ‘geloofsdogma’s’ die werden ‘opgehoest’. ‘Christelijke theologieën’ werden tegenover heidense ‘theologieën’ (filosofische theorieën over wat of wie ‘god’ is) geplaatst (aldus bijv. Tertullianus).

Diegenen die als ware navolgers van Christus Jezus de Joodse geschriften ter hand bleven nemen werden meer in het verdomhoekje gedreven. Zij de de Heilige Geschriften of het Woord van God verder blijven bestuderen werd het moeilijker gemaakt. Diegenen die verkozen om hun macht te versterken kozen er voor om de anderen zo onwetend mogelijk te houden en trachtten er voor te zorgen dat de mensen onder hen niet te veel in de oudere Geschriften lazen. De Bijbel werd minder en minder als werkinstrument gebruikt zodat de mensen van de inhoud ervan vervreemden.

Diegenen die de Bijbel als ‘Hét Boek der boeken‘ verder wilden bestuderen geraakten in de minderheid en hadden veel moeite om stand te kunnen houden tegenover al de andere predikers die met meer populairdere gedachten de mensen wisten te bekoren. Hoe minder de mensen van het Woord van God kenden hoe meer konden ‘theologen‘ de mensen dingen voor leggen welke on-Schriftuurlijk waren maar waarbij de Kerk haar macht over de mensheid kon verhogen.

***

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

Afstandelijken, donatisten en arianen.

Niet iedereen wou deel uit maken van de wereld en toegeven aan de machtshebbers. Door heen de tijden bleven bepaalde Christenen zich afzijdig houden van de door mensen bijgevoegde zo gezegde geloofspunten.

Arius (AD ca. 250 or 256 - 336) was a Christia...

Arius

Ook op het concilie van Nicea, soms ook het eerste oecumene concilie genaamd, werden tegenstrijdige opvattingen hardop geuit en ging het er niet steeds kalm aan toe. Eén opvatting, vertegenwoordigd door Arius, leerde dat de Zoon qua tijd een eindig begin had en daarom niet aan God gelijk, maar in alle opzichten ondergeschikt was. Athanasius daarentegen geloofde dat de Zoon in een bepaald opzicht aan God gelijk was. En er waren andere opvattingen.

Betreffende de beslissing van het concilie om de Zoon te beschouwen als van hetzelfde wezen (wezenseen) met God, zegt Martin Marty: „Nicea vertegenwoordigde in feite de opvatting van een minderheid; het akkoord werd moeizaam bereikt en was voor velen die de Ariaanse zienswijze niet deelden, onaanvaardbaar.”[1] Insgelijks merkt het boek A Select Library of Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church op dat „een duidelijk geformuleerd leerstellig standpunt dat tegengesteld was aan het arianisme, slechts door een minderheid werd ingenomen, hoewel deze minderheid zegevierde”.[2] En in A Short History of Christian Doctrine wordt opgemerkt:

„Waar veel bisschoppen en theologen van het Oosten vooral bezwaar tegen schenen te hebben, was het door Constantijn zelf in de geloofsbelijdenis opgenomen denkbeeld van de homoousios [„van hetzelfde wezen”], dat in het latere conflict tussen de orthodoxie en de ketterij de twistappel werd.”[3]

Na het concilie werden de disputen nog tientallen jaren voortgezet. De voorstanders van het denkbeeld dat de Zoon aan de Almachtige God gelijk was, geraakten zelfs een tijdlang uit de gunst. Zo zegt Martin Marty betreffende Athanasius: „Zijn populariteit steeg en daalde, en hij werd zo vaak verbannen [in de jaren na het concilie] dat hij vrijwel een pendelaar werd.”[4] Athanasius bracht jaren in ballingschap door omdat politieke en kerkelijke autoriteiten zich verzetten tegen zijn opvattingen dat de Zoon gelijk was aan God.

Athanasius (± 295 – 373) patriarch van Alexandrië

De bewering dat het concilie van Nicea in 325 G.T. de leerstelling van de Drie-eenheid heeft bevestigd of bekrachtigd, is dus niet waar. Wat later de Drie-eenheidsleer werd, bestond destijds nog niet. Het denkbeeld dat de Vader, de Zoon en de heilige geest elk de ware God alsook gelijk in eeuwigheid, macht, positie en wijsheid waren, en toch maar één God — een drie-in-één God — is niet door dat concilie noch door vroegere kerkvaders ontwikkeld. pas ruim een eeuw na Arius, op het Concilie van Chalcedon in 451 na Chr., de leer van de drie-eenheid vastgelegd. Er waren nog twee concilies (kerkvergaderingen) nodig alvorens men tot de definitieve afronding van deze theologische kwesties kwam. In The Church of the First Three Centuries wordt gezegd:

„De huidige populaire leerstelling der Drieëenheid . . . vindt geen ondersteuning in de taal van Justinus [Martyr]: en deze waarneming kan bij uitbreiding gelden voor alle ante-Niceense Vaders; dat wil zeggen, voor alle christelijke schrijvers gedurende drie eeuwen na de geboorte van Christus. Zij spreken weliswaar over de Vader, de Zoon en de profetische of heilige Geest, maar in geen enkel opzicht zoals dat thans door Trinitariërs wordt aanvaard; niet als aan elkaar gelijk, niet als één numeriek wezen, niet als Drie in Eén. Juist het tegenovergestelde is het geval. De leerstelling der Drieëenheid zoals ze door deze Vaders werd verklaard, verschilde essentieel van de huidige leerstelling. Dit stellen wij als een feit dat even afdoend bewezen kan worden als elk feit in de geschiedenis van menselijke opvattingen.[5]

Nicea vertegenwoordigt echter een keerpunt. Het opende de deur tot de officiële aanvaarding van de leer dat de Zoon gelijk is aan de Vader, en dat baande de weg voor het latere denkbeeld van de Drieëenheid. Het boek Second Century Orthodoxy, door J. A. Buckley, merkt op:

„Tot ten minste het einde van de tweede eeuw bleef de universele Kerk in één fundamenteel opzicht verenigd; allen aanvaardden het oppergezag van de Vader. Allen beschouwden God, de Almachtige Vader, als alleen oppermachtig, onveranderlijk, onuitsprekelijk en zonder begin. . . .

Na de dood van die tweede-eeuwse schrijvers en voorgangers bleek dat de Kerk zelf . . . langzaam maar onverbiddelijk afgleed naar dat punt . . . waar op het concilie van Nicea de climax van heel deze geleidelijke ondermijning van het oorspronkelijke geloof werd bereikt. Daar drong een kleine explosieve minderheid haar ketterij aan een inschikkelijke meerderheid op, en met de steun van de politieke autoriteiten dwong, vleide en intimideerde ze degenen die zich beijverden om de oorspronkelijke zuiverheid van hun geloof onbevlekt te bewaren.”

De schismatische stroming van 311,  het donatisme was een „christelijke” sekte in de vierde en vijfde eeuw G.T. De aanhangers ervan stelden dat de geldigheid van de sacramenten afhankelijk is van de moraliteit van de bedienaar en dat de kerk mensen die zich aan ernstige zonde schuldig maakten, van het lidmaatschap moest uitsluiten. Het arianisme was een „christelijke” beweging in de vierde eeuw, die de godheid van Jezus Christus ontkende. Arius onderwees dat God ongeboren en zonder begin is. De Zoon kan, omdat hij wel geboren is, niet God zijn in dezelfde zin als de Vader. De Zoon is niet eeuwig, maar werd geschapen en bestaat door de wil van de Vader.[6]

Theodosius I

Waarschijnlijk heeft keizer Theodosius het Arianisme wel de zwaarste slag toegebracht. Door middel van de officiële edicten van 391-392 G.T. stelde hij de rooms-katholieke orthodoxe leer voor alle „christenen” verplicht en beroofde de Arianen, alsmede alle heidenen, van hun plaatsen van aanbidding. Over deze gebeurtenis verklaarde een historicus: „De legale triomf van de kerk over ketterij [Arianisme] en heidendom en haar evolutie van een vervolgde sekte tot een vervolgende staatskerk waren voltooid.”

Vanaf de vijfde eeuw kwamen er geen Ariaansgezinde Romeinse keizers meer voor. Dit kenmerkte echter niet het einde van het Arianisme als een nationale religie. Verre van dat! Na de dood van Theodosius viel Rome opnieuw ten prooi aan Ariaans-Germaanse invallers uit het noorden. Een rooms-katholieke autoriteit merkt hierover op: „Ondanks enige vervolging, verspreidde het christendom zich in deze [Ariaanse] vorm met opmerkelijke snelheid van de Goten naar de naburige stammen. . . . Toen ze het Westen binnenvielen en de verschillende Germaanse koninkrijken stichtten, beleden de meeste stammen [het Arianisme] als hun nationale religie en vervolgden in sommige gevallen degenen onder de Romeinse bevolking die de katholieke orthodoxie aanhingen. . . . Maar geleidelijk aan slaagde de [Rooms-]Katholieke Kerk erin het Arianisme uit te roeien. In sommige gevallen werd dit tot stand gebracht met behulp van militaire acties die het Germaanse element bijna geheel deden verdwijnen.” Dit vond plaats tijdens de regering van keizer Justinianus, die de ambitie koesterde het Romeinse Rijk tot zijn voormalige glorie te herstellen en berucht was wegens zijn vervolgingen, niet alleen van de Arianen, maar ook van de joden en de Samaritanen. Hij verbood de joden zelfs hun Geschriften in het Hebreeuws te lezen!

Flavius Petrus Sabbatius Justinianus (Justinianus I, Justinian I, Justinian the Great) Justinianus de Grote

Justinianus maakte evenwel geen eind aan het Arianisme. Rome zou nog meer met Germaanse barbaren te maken krijgen, want een paar jaar na Justinianus’ dood vielen de Longobarden, naar verluidt een van de wreedste Germaanse stammen, Italië binnen. Het duurde niet lang of zij hadden het grootste deel van het Italiaanse schiereiland onder controle. Toen, in het midden van de zevende eeuw, werden de Longobarden om de een of andere reden langzamerhand trinitarische rooms-katholieken, en dat zij de paus problemen bleven geven, was daarom niet om religieuze, maar om politieke redenen en problemen in verband met gebiedsbezit.

Betreffende deze periode lezen wij: „In de daaropvolgende ineenstorting keerden de kansen, vaker als gevolg van lekenpatronaat en politieke verschuivingen dan theologische argumenten.” Of zoals een andere schrijver het stelt: „[Het Arianisme] handhaafde zich nog twee eeuwen, ofschoon meer door toeval dan door keus of overtuiging.” Terloops zij opgemerkt dat bovengenoemde politieke en militaire activiteiten van de zijde van de Arianen een weerlegging vormen van de beschuldiging die sommigen uiten dat de niet politiek gezinde, vredelievende christelijke getuigen van Jehovah Arianen zijn.

Als wij opmerken wat de geschiedenis te zeggen heeft over de politieke activiteiten van de Trinitariërs en de Arianen kunnen wij niet anders dan onder de indruk komen van de nauwkeurigheid waarmee zowel Jezus als zijn apostelen hebben voorzegd wat er met de christelijke gemeente zou gebeuren. Jezus schildert het in een van zijn gelijkenissen: „Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen de tarwe, en ging weg.” En zo werd het veld dat oorspronkelijk een tarweveld was een onkruidwildernis (Matth. 13:25). En als men kijkt naar de hebzucht en de gewelddaad die de Trinitariërs en Arianen ten toon hebben gespreid, beseft men hoe nauwkeurig de apostel Paulus heeft voorzegd hoe de mensen zouden worden: „Ik weet dat er na mijn heengaan onderdrukkende wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet teder zullen behandelen.” Tot die wolvenhorden hebben zowel de Trinitariërs als de Arianen behoord, waarvan de eersten de wreedsten waren! (Handelingen der Apostelen 20:29).

De Germaanse stammen die het verzwakte Romeinse Rijk binnendrongen, beleden het ariaanse „christendom” en namen het mee naar een groot deel van Europa en Noord-Afrika, waar het tot ver in de zesde eeuw G.T., en in sommige gebieden zelfs nog langer, bleef gedijen.


[1]A Short History of Christianity, door Martin E. Marty, 1959, blz. 91.

[2]A Select Library of Nicene and Post-Nicene Fathers of the Christian Church, door Philip Schaff en Henry Wace, 1892, Deel IV, blz. xvii.

[3]A Short History of Christian Doctrine, blz. 53.

[4]A Short History of Christian Doctrine, blz. 91.

[5]The Church of the First Three Centuries, door Alvan Lamson, 1869, blz. 75, 76, 341.

[6] Dat de Arianen schriftplaatsen hadden die hen ondersteunden, blijkt wel uit teksten als Johannes 14:28, Kolossenzen 1:15-17; 1 Timótheüs 1:17; Openbaring 3:14.

Arius (Grieks: Άρειος) (Pentapolis van Cyrenaica, 256Constantinopel, zo rond 336) is de stichter van het arianisme, een stroming in de vroege kerk. zijn volgelingen werden lang door de Katholieke Kerk bestreden.  De eerste eeuwen bleef de niet-trinitarische gedachte nog te veel verspreiden, volgens de Katholieke Kerk. Om dit tegen te gaan moest die Kerk een Germaanse kampioen uitzoeken en opleiden die de tegenstanders van de algemeen heersenden konden breken. Uit een schraal assortiment van heidense stammen werden de woeste Franken uit Noord-Oost-Gallië gekozen.  De katholieke bisschoppen legden een levendige belangstelling aan de dag voor de persoon en ontwikkeling van een 15-jarige, heidense krijger, die in 481 koning der Franken werd: Chlodovech of Clovis (465-511).

Vindt meer:

over Athanasius (± 295/296 – 373) patriarch van Alexandrië geboren in Afrika streed energiek voor het katholieke geloof. Ook al was hij toen nog maar diaken streed hij zeer hard tegen de Arianen op het concilie van Nicea.

Athanasius patriarch van Alexandrië

Goddelijke waarheid en menselijke geleerdheid

Concilie van Chalcedon

In 303 beval keizer Diocletianus dat de heilige boeken van het christendom ter vernietiging moesten worden overgedragen aan de burgerlijke autoriteiten en dat kerkelijk bezit moest worden geregistreerd. In een rituele handeling moesten christenen vervolgens hun trouw aan de keizer en de goden van het keizerrijk betonen. Uit angst voor de doodstraf gaven vele bisschoppen en gelovigen gehoor aan het bevel van de keizer. Deze Lapsi werden na deze vervolging traditores genoemd: verkwanselaars. Voor christenen was omgang met hen streng verboden; wederopname in de kerk was pas mogelijk na een lang proces van boete.  > Traditores en Donatisme

Het leven van Augustinus (354-430): Augustinus en de puriteinen … Donatisten

Causes of the donatist schism

History of the Donatists

Flavius Theodosius bekend als Theodosius I de Grote (Grieks: Θεοδόσιος ο Μέγας) ( ca. 346395) laatste van het gehele Romeinse rijk. Na zijn dood werd het rijk definitief gesplitst in Oost en West.

Theodosian-Code

Het Byzantijnse Rijk van 527-565

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. #6 Constantijn de Grote

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

Constantijn de Grote .

In 325 G.T. riep de Romeinse keizer Flavius Valerius Aurelius Constantinus of  Constantijn de Grote (272/280-337)  in de stad Nicea in Klein-Azië een concilie van bisschoppen bijeen. Zijn opzet was, de voortdurende religieuze geschillen over de verhouding tussen de Zoon van God en de Almachtige God te beslechten.

Concilie van Nicea 325

De historicus Philip Schaff merkte op dat „het meest opvallende punt” in de periode vóór het concilie van Nicea in 325 G.T. „het geloof [was] in een aan de algemene opstanding en het algemene oordeel voorafgaande en door de verheerlijkte Christus op aarde uitgeoefende zichtbare regering die duizend jaar zou duren en waarin de opgestane heiligen zouden delen”. In A Dictionary of the Bible, onder redactie van James Hastings, staat: „Tertullianus, Irenaeus en Hippolytus zien nog steeds uit naar een ophanden zijnde Advent [van Jezus Christus]; maar met de Alexandrijnse Vaders komt er een verandering in het gedachtengoed. . . . Toen Augustinus het Millennium met de periode van de strijdende Kerk vereenzelvigde, werd de Tweede Advent naar een verre toekomst geschoven.”

In 314 G.T. trachtte het concilie van Arles (Frankrijk) de Romeinse regeling door te drukken en alle alternatieven af te schaffen. De overgebleven Quartodecimanen hielden stand. In 325 G.T. riep de heidense keizer Constantijn een oecumenische synode bijeen, het concilie van Nicea, om deze en andere kwesties waardoor de belijdende christenen in zijn rijk werden verdeeld, op te lossen. Het concilie vaardigde een decreet uit waarin allen in Klein-Azië werd opgedragen zich aan het Romeinse gebruik aan te passen.[1]
Constantijn I, de Grote, was beslist een man van zijn tijd en zwichtte voor de tijdgeest en achtte het noodzakelijk religie een belangrijke plaats toe te kennen binnen het raamwerk van zijn politieke plannen. Aan het begin van zijn loopbaan had hij enige „goddelijke” steun nodig, en die konden de kwijnende Romeinse goden niet bieden. Het rijk, met inbegrip van de godsdienst en andere instellingen, verkeerde in verval, en er was iets nieuws en bezielends nodig om het weer te consolideren. De encyclopedie Hidria zegt: „Constantijn was vooral in het christendom geïnteresseerd omdat het niet alleen zijn overwinning maar ook de reorganisatie van zijn rijk ondersteunde. De christelijke kerken, die overal bestonden, werden zijn politieke steun. . . . Hij omringde zich met de grote prelaten van die tijd, en hij verlangde dat zij hun eenheid intact hielden.”

Constantijn begreep dat de „christelijkereligie — al was ze inmiddels afvallig en door en door verdorven — doeltreffend kon worden gebruikt als een vernieuwende en verenigende kracht ter verwezenlijking van zijn grootse plan om een absoluut heerser te worden. Hij nam de grondslagen van het afvallige christendom over om steun te winnen ter bevordering van zijn eigen politieke doeleinden en besloot de mensen te verenigen onder één „katholieke” of universele religie. Heidense gewoonten en vieringen kregen een „christelijke” naam. En „christelijke” geestelijken ontvingen de status, het salaris en het invloedrijke gezag van heidense priesters.

Constantinus

Constantinus

Om politieke redenen naar religieuze harmonie zoekend, bracht Constantijn iedereen die een afwijkende mening had, snel tot zwijgen, niet op basis van leerstellige waarheid maar op grond van aanvaarding door de meerderheid. De diepgaande dogmatische geschillen binnen de uiterst verdeelde „christelijke” kerk boden hem de gelegenheid als een „door God gezonden” middelaar tussenbeide te komen. Uit zijn bemoeienissen met de donatisten in Noord-Afrika en de volgelingen van Arius in het oostelijk deel van het rijk begreep hij al gauw dat overredingskracht niet voldoende was om een sterke, verenigde religie te smeden. In een poging de Ariaanse controverse op te lossen, riep hij het eerste oecumenische concilie in de geschiedenis van de kerk bijeen.

De historicus Paul Johnson zegt over Constantijn: „Een van de voornaamste redenen waarom hij het christendom tolereerde, was wellicht dat het hemzelf en de Staat in de gelegenheid stelde zeggenschap uit te oefenen over het beleid van de Kerk inzake orthodoxie en de behandeling van ketterij.”

Als de heidense Pontifex Maximus — en bijgevolg het religieuze hoofd van het Romeinse Rijk — trachtte Constantijn de bisschoppen van de afvallige kerk voor zich te winnen. Hij bood hun posities van macht, aanzien en rijkdom aan als functionarissen van de Romeinse staatsreligie. De Catholic Encyclopedia geeft toe: „Sommige bisschoppen, verblind door de pracht en praal aan het hof, gingen zelfs zo ver dat zij de keizer als een engel van God, als een heilig wezen, loofden en profeteerden dat hij, net als de Zoon van God, in de hemel zou regeren.”

Concilie van Nicaea 325 Verbranding Ariaanse boeken

Naarmate het afvallige christendom bij het politieke bestuur in de gunst kwam, werd het meer en meer een deel van deze wereld, van dit seculiere samenstel, en dreef het af van de leringen van Jezus Christus (Johannes 15:19; 17:14, 16; Openbaring 17:1, 2). Als gevolg daarvan vond er een versmelting plaats van het „christendom” met valse leerstellingen en praktijken — de Drie-eenheid, de onsterfelijkheid van de ziel, het hellevuur, het vagevuur, gebeden voor de doden, het gebruik van rozenkransen, iconen, beelden en dergelijke. — Vergelijk 2 Korinthiërs 6:14-18.

Van Constantijn heeft de kerk ook de neiging tot eigenmachtig optreden geërfd. De bijbelgeleerden Henderson en Buck zeggen: „De eenvoud van het Evangelie werd verdorven, er werden pompeuze riten en ceremoniën ingevoerd, aan de leraren van het christendom werden wereldse eerbewijzen en salarissen geschonken en het Koninkrijk van Christus werd grotendeels in een koninkrijk van deze wereld veranderd.”

De Catholische Kerk werd als de Romeinse Kerk gepromoveerd tot de Koninkrijkskerk. In de Encyclopædia Britannica wordt uiteengezet dat, volgens de theologie van Aurelius Augustinus van Hippo (354–430 G.T.), „het Koninkrijk van God al in deze wereld begonnen is bij de oprichting van de kerk” en „reeds aanwezig [is] in de sacramenten van de kerk”.

De historische feiten onthullen de waarheid achter de „grootheid” van Constantijn. In plaats van gegrondvest te zijn door Jezus Christus, het Hoofd van de ware christelijke gemeente, is de christenheid voor een deel het resultaat van het politieke opportunisme en de slinkse manoeuvres van een heidense keizer. Heel passend vraagt de historicus Paul Johnson: „Is het rijk voor het christendom gezwicht, of heeft het christendom zich met het rijk geprostitueerd?”

Vanaf het concilie van Nicea in 325 G.T. fuseerde keizer Constantijn de heidense Romeinse staatscultus met het afvallige christendom en werd hij het hoofd van de nieuwe Katholieke Kerk. De Rooms-Katholieke Kerk kan haar bestaan derhalve terugvoeren tot de vierde eeuw van onze gewone tijdrekening.

Ondertussen bleven Christelijke broeders en zusters elkaar steunen en het geloof onderhouden, niettegenstaande verhoogde tegenstand.


[1]A Short History of Christian Doctrine; A History of Christianity; Istoria tou Ellinikou Ethnous (Geschiedenis van de Griekse natie); Encyclopedie Hidria; WT 1998; Catholic Encyclopedia

De tegenpaus Hippolytus van Rome ( omstreeks 170 – omstreeks 235) leerling van Irenaeus een van de belangrijkste kerkleraren van zijn tijd. Hij verzette zich openlijk tegen de pausen van zijn tijd die hadden geopteerd om over te gaan naar een Drie-eenheidsleer, opeenvolgend Zephyrinus, Calixtus I en Pontianus, met name wat betreft de heilige drie-eenheid. Hij beschuldigde Paus Zephyrinus van modalism, de ketterij die inhield dat de namen Vader en Zoon eenvoudig verschillende namen waren voor hetzelfde onderwerp zijn. Hippolytus verdedigde de Logo’s doctrine van de Griekse Apologeten, die de Vader van de Logo’s (“Woord”) onderscheidden.

zie ook: “Saint Hippolytus of Rome.” Encyclopædia Britannica. 2010. Encyclopædia Britannica Online. 15 Aug. 2010 > Saint Hippolytus of Rome + Saint Hippolytus of Rome

Constantijns hoofddoel was stabiliteit. De religieuze en theologische geschillenwaren voor hem een doorn in het oog en een gevaar ovor de stabiliteit in zijn rijk. Daarom leek het voor hem ook zeer belangrijk dat er in de uitvoering van het geloof ook een consensus kon gevonden worden en een vrede tussen de heidenen en navolgers van Jezus Christus kon verkregen worden. Voor hem moest de zonnegod  Sol Invictus het symbool zijn van de algemene goddelijkheid.  Het labarum dat als symbool werd aangebracht op de soldaten hun schildenen en het ermee geassocieerde motto in hoc signo vinces (in dit teken zal je overwinnen) zou volgens de overlevering aan Constantijn zijn verschenen in een visioen toen hij in Saxa Rubra was, tot welk Constantijn zijn overwinning toeschreef aan de god van de christenen.

De eenheid of katholiciteit der religies die Constantijn I op het oog had bracht mee dat die gemeenschap van gelovigen die zich profileerde als De Kerk sinds het Eerste Concilie van Nicea in 325 in haar officiële documenten de term ‘Katholieke Kerk’ staande voor Algemene Kerk of Universele Kerk, ook in de documenten van de twee laatste oecumenische concilies ging gebruiken.  Constantijn gaf de paus het Lateraanse paleis, dat jarenlang de pauselijke residentie zou zijn, naast de basiliek San Giovanni in Laterano. Dit paleis werd het bestuurscentrum van de Katholieke Kerk. Ook werd hier de synode van Lateranen gehouden, waar Caecilianus werd vrijgesproken van de aanklacht dat hij de onrechtmatige bisschop van Carthago was. Zijn tegenstander Donatus werd schuldig bevonden aan ketterij, evenals zijn aanhangers, de donatisten. Het begrip ‘rooms-katholiek’ dat wij ook meermaals gebruiken is ontstaan aan het begin van de 16e eeuw, ten tijde van de Reformatie, om onderscheid te maken tussen hen die de paus, of de bisschop van Rome, trouw bleven, alsook om te onderscheiden tussen de  Orthodox, Charismatische en andere Trinitarische Katholieken en de protestanten. Het woord rooms duidt op de stad Rome en verwijst naar de kleine stadstaat Vaticaan waar de pauselijke zetel is gevestigd. Met Rooms-katholieke Kerk wordt dus de organisatie aangeduid: de Katholieke Kerken die verenigd zijn rond de bisschop van Rome.

Ook al waren er sommige keizers die openlijk Ariaans gezind waren en zelfs soms actief het trinitarische christendom tegenwerkten kon de unitaristische gedachte het halen en werd het Trinitarisme de hoofdstroming in het Christendom.

Doordat een groot deel van het christendom zich met het rijk geprostitueerd heeft wordt die Catholische Kerk of Katholieke Kerk ook als de hoer Babylon gepersonifieerd.

Vindt ook achtergrondinformatie:
Apologetics – A theological science which has for its purpose the explanation and defence of the Christian religion

Constantinus (Constantijn) de Grote Augustus van het Westen (313 – 324); Augustus van het Romeinse Rijk (324-337)

Constantine the Great – Information on the Roman emperor
Constantine, Donation of – By this name is understood, since the end of the Middle Ages, a forged document of Emperor Constantine the Great, by which large privileges and rich possessions were conferred on the pope and the Roman Church
Constantinople – Capital, formerly of the Byzantine, now of the Ottoman, Empire (As of 1908, when the article was written.)
Constantinople, First Ecumenical Council of – Called in May, 381, by Emperor Theodosius, to provide for a Catholic succession in the patriarchal See of Constantinople, to confirm the Nicene Faith, to reconcile the semi-Arians with the Church, and to put an end to the Macedonian heresy

Nicaea, First Council of – First ecumenical council, held in 325 to combat Arianism

Nicene Creed – The profession of the Christian Faith common to the Catholic Church, to all the Eastern Churches separated from Rome, and to most of the Protestant denominations.

Aurelius Augustinus (354-430)

Augustine of Hippo, Saint – Biography, with extensive hyperlinks to related articles
Augustine of Hippo, Teaching of Saint – Article on Augustine as a Doctor of the Church, and his influence in the history of philosophy and theology. Particular interest in his teaching on grace
Augustine of Hippo, Works of Saint – Annotated bibliography of Augustine’s principal writings
Augustinian Canons – According to St. Thomas Aquinas, a canon regular is essentially a religious cleric

Tatianus een 2° eeuwse apologist

Athanasian Creed, The – One of the symbols of the Faith approved by the Church and given a place in her liturgy

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen. #4 Volgelingen van Jezus

Broeders en Zusters in Christus door de eeuwen heen.

Volgelingen van Jezus.

Abraham is de rechtstreekse voorvader van het Judaisme. Vanuit dat jodendom kwamen de navolgers van Jezus, de zoon van Maria en Jozef, uit Nazareth, uit de stam van David.
Jezus zond Zijn discipelen uit en gaf hen de opdracht als broeders en zusters voor elkaar te zijn en elkaar aldus lief te hebben.

Tijdens Jezus zijn leven beginnen meerdere mensen zich reeds rond hun rabbijn te scharen en zich verenigd te voelen in een broederschap rond de Messias, de Beloofde Gezalfde.

Na Jezus dood verandert de wanhoop van Zijn volgelingen in geestesvervoering wanneer de Heilige Geest op hen neerdaalt. Nog meer dan voorheen durven zij zich verenigd voelen in een liefderijke christelijke gemeenschap. Overal ontstonden kleine groeperingen. Eerst werden zij aanschouwd als een sekte, die men de naam gaf De Weg. Vervolgens begon men de volgelingen van Christus Jezus gewoon Christenen noemen.

Icon of the Apostle Saint Peter, painted by Ni...

Ikoon van de Apostel Petrus, geschilderd door Nikolla, zoon van Onufri, 2° helft 16° Eeuw

“De apostelen en de broeders in Judea hoorden dat ook de heidenen het woord van God hadden aangenomen.” (Hnd 11:1 WV78) en de navolgers van hen die geloofden dat Jezus de Zoon van God was begonnen zich algemeen Broeders en Zusters van elkaar te noemen. De leden van de christelijke gemeente verheugen zich in een gemeenschappelijke geestelijke verhouding welke te vergelijken is met die van broers. Jezus noemde zijn discipelen broeders (Mt 25:40; 28:10; Jo 20:17). Hij legde krachtig de nadruk op deze verhouding, door te zeggen: „Al wie de wil doet van mijn Vader . . ., die is mijn broer en zuster en moeder” (Mt 12:48-50). Daarom moet men bloedverwanten minder liefhebben dan Christus en dient men hen zo nodig ter wille van hem te verlaten (Mt 10:37; 19:29; Lu 14:26). De ene broer kan de andere broer zelfs ter dood overleveren (Mr 13:12). Het begrip „broeder” strekt zich tot verder dan de directe metgezellen van Jezus uit, want ze omvat de hele gemeente van gelovigen (Mt 23:8; Heb 2:17), „de gehele gemeenschap van broeders”, „die het werk hebben dat bestaat in het getuigenis afleggen omtrent Jezus” (1Pe 2:17; 5:9; Opb 19:10). Zo’n gemeenschap van geestelijke broeders spreidt „broederlijke liefde” in de volledigste mate tentoon. (Ro 12:10; Heb 13:1).

Met Pinksteren sprak Petrus zijn toehoorders uit verre landen, onder wie zich ook proselieten bevonden, allen met „broeders” aan (Han 2:8-10, 29, 37). Soms werden in het bijzonder de mannelijke christelijke gelovigen als „broeders” aangeduid, terwijl de vrouwen „zusters” werden genoemd (1Kor 7:14, 15), maar in het algemeen werden gemengde groepen met de term „broeders” aangesproken en was deze uitdrukking niet alleen op mannen van toepassing (Han 1:15; Ro 1:13; 1Th 1:4). De term wordt in deze betekenis in alle geïnspireerde christelijke brieven gebruikt, op drie na (Titus, 2 Johannes, Judas), alsook in de werken van de schrijvers van de vroege kerk. De apostelen waarschuwden voor „valse broeders” die de gemeenten binnendrongen. (2Kor 11:26; Ga 2:4).

Al vroeg in de kerkgeschiedenis ontstonden er twistpunten en meningsverschillen die gingen resulteren in scheuringen en verschillende groeperingen in dat christelijk geloof.

Na drie eeuwen van vervolging hadden velen toe gegeven aan wereldse waarden en structuren. Door de eeuwen heen waren mythologiën en fylosofiën ook bij veel groeperingen binnen hun religie gedrongen. Tussen de Christenen begon er een machtsontplooiïng in de meer en meer georganiseerde Kerk van het Romeinse rijk.

Tag Cloud

The Eccentric Fundamentalist

Musings on theology, apologetics, practical Christianity and God's grace in salvation through Jesus Christ

John 20:21

"As the Father has sent me, so I am sending you."

The Biblical Review

Reviewing Publications, History, and Scripture

Words on the Word

Blog by Abram K-J

Bybelverskille

Hier bestudeer ons die redes vir die verskille in Bybelvertalings.

Michael Bradley - Time Traveler

The official website of Michael Bradley - Author of novels, short stories and poetry involving the past, future, and what may have been.

BIBLE Students DAILY

"Be faithful unto death, and I will give you the crown of life." Revelation 2:10

God's Simple Kindness

A place to share your daily blessings

takeaminutedotnet

All the Glory to God

Religieus Redeneren

Gedachten en berichten over hedendaags (on)geloof

Jesse A. Kelley

A topnotch WordPress.com site

JWUpdate

JW Current Apostate Status and Final Temple Judgment - Web Witnessing Record; The Bethel Apostasy is Prophecy

Sophia's Pockets

Wisdom Withouth Walls

ConquerorShots

Spiritual Shots to Fuel the Conqueror Lifestyle

Examining Watchtower Doctrine

Truth Behind the "Truth"

Theological NoteBook

Dabbling into Theology

sowers seed

be careful 'how you hear'

Next Comes Africa

If I take the wings of the morning, and dwell in the uttermost parts of the sea; Even there shall thy hand lead me, and thy right hand shall hold me - Psalm 139: 9,10

friarmusings

the musings of a Franciscan friar...

%d bloggers like this: